Psalms
Chapter 41
JPS Tanakh (Jewish Publi…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1(41-1) For the Leader. A Psalm of David. (41-2) Happy is he that considereth the poor; the LORD will deliver him in the day of evil.
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Heil, die bezorgd is voor zwakken en armen: Op de dag van rampspoed zal Jahweh hem redden.
2(41-3) The LORD preserve him, and keep him alive, let him be called happy in the land; and deliver not Thou him unto the greed of his enemies.
2Jahweh behoedt en behoudt hem, maakt hem gelukkig op aarde, En geeft hem niet prijs aan de haat van zijn vijand.
3(41-4) The LORD support him upon the bed of illness; mayest Thou turn all his lying down in his sickness.
3Jahweh zal hem op zijn ziekbed verkwikken, En zijn lijdenssponde verlichten.
4(41-5) As for me, I said: 'O LORD, be gracious unto me; heal my soul; for I have sinned against Thee.'
4Ik bid wel: “Jahweh, wees mij genadig; Genees mijn ziel, want ik heb gezondigd tegen U!”
5(41-6) Mine enemies speak evil of me: 'When shall he die, and his name perish?'
5Maar mijn vijand verwenst mij: “Wanneer gaat hij dood, en verdwijnt ook zijn naam!”
6(41-7) And if one come to see me, he speaketh falsehood; his heart gathereth iniquity to itself; when he goeth abroad, he speaketh of it.
6En komt er een op bezoek, dan huichelt zijn hart, Verzint hij leugens, en gaat ze buiten vertellen.
7(41-8) All that hate me whisper together against me, against me do they devise my hurt:
7Al die mij haten, smoezelen onder elkander, En denken het ergste van mij:
8(41-9) 'An evil thing cleaveth fast unto him; and now that he lieth, he shall rise up no more.'
8“Een helse pest kleeft hem aan; Waar hij ligt, blijft hij liggen!”
9(41-10) Yea, mine own familiar friend, in whom I trusted, who did eat of my bread, hath lifted up his heel against me.
9Zelfs mijn vriend, op wien ik vertrouwde, En die mijn brood heeft gegeten, heft de hiel tegen mij op.
10(41-11) But Thou, O LORD, be gracious unto me, and raise me up, that I may requite them.
10Maar wees Gij mij genadig, o Jahweh; Richt mij weer op, om het hun te vergelden.
11(41-12) By this I know that Thou delightest in me, that mine enemy doth not triumph over me.
11Hieraan erken ik, dat Gij mij bemint: Als mijn vijand niet over mij juicht,
12(41-13) And as for me, Thou upholdest me because of mine integrity, and settest me before Thy face for ever.
12Maar als ik gezond word, en Gij mij behoudt, En mij eeuwig voor uw aangezicht plaatst.
13(41-14) Blessed be the LORD, the God of Israel, from everlasting and to everlasting. Amen, and Amen.
13Geloofd zij Jahweh, lsraëls God Van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, Amen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.