Psalms 39
JPS Tanakh (Jewish Publication Society, 1917)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1(39-1) For the Leader, for Jeduthun. A Psalm of David. (39-2) I said: 'I will take heed to my ways, that I sin not with my tongue; I will keep a curb upon my mouth, while the wicked is before me.'
1Voor muziekbegeleiding; voor Jedoetoen: een psalm van David. Ik had wel gezegd: “Goed wil ik op mijn woorden letten, Om niet te zondigen met mijn tong; Mijn mond beteugelen, Als de boze er bij staat.”
2(39-3) I was dumb with silence; I held my peace, had no comfort; and my pain was held in check.
2Ik zweeg, bleef sprakeloos en stom, Hoe fel mijn smart ook mocht zijn.
3(39-4) My heart waxed hot within me; while I was musing, the fire kindled; then spoke I with my tongue:
3Maar nu kookt mijn hart in mijn boezem over, En als ik er aan denk, laait het vuur in mij op. Nu snik ik het uit:
4(39-5) 'LORD, make me to know mine end, and the measure of my days, what it is; let me know how short-lived I am.
4Jahweh, laat mij mijn einde maar zien; Ik wil weten, hoeveel tijd mij nog rest, En wanneer het met mij is gedaan!
5(39-6) Behold, Thou hast made my days as hand-breadths; and mine age is as nothing before Thee; surely every man at his best estate is altogether vanity. Selah
5Zie, Gij hebt mijn dagen een paar handbreedten lengte gegeven, En de duur van mijn leven is voor U als niets;
6(39-7) Surely man walketh as a mere semblance; surely for vanity they are in turmoil; he heapeth up riches, and knoweth not who shall gather them.
6Iedere mens is enkel een zucht, En als een schaduwbeeld wandelt hij rond; Voor niets maakt hij zich druk en verzamelt zich schatten, Zonder te weten, wie ze zal krijgen.
7(39-8) And now, Lord, what wait I for? My hope, it is in Thee.
7Wat zou ik dan nog verwachten, o Heer! Alleen op U kan ik nog hopen!
8(39-9) Deliver me from all my transgressions; make me not the reproach of the base.
8Verlos mij van al mijn zonden, En maak mij niet tot spot voor den dwaas.
9(39-10) I am dumb, I open not my mouth; because Thou hast done it.
9Ik zwijg, en doe mijn mond niet open: Want Gij zelf deedt het mij aan.
10(39-11) Remove Thy stroke from off me; I am consumed by the blow of Thy hand.
10Ach, neem uw plaag van mij weg, Want ik bezwijk onder de druk van uw hand. Alleen om de zonde te straffen,
11(39-12) With rebukes dost Thou chasten man for iniquity, and like a moth Thou makest his beauty to consume away; surely every man is vanity. Selah
11Slaat Gij den mens, Verteert Gij als de motten zijn glorie, En is iedere mens maar een zucht.
12(39-13) Hear my prayer, O LORD, and give ear unto my cry; keep not silence at my tears; for I am a stranger with Thee, a sojourner, as all my fathers were.
12Jahweh, hoor mijn gebed en luister naar mijn smeken, Zwijg niet stil bij mijn tranen; Want ik ben toch uw gast, En bij U op bezoek als al mijn vaderen.
13(39-14) Look away from me, that I may take comfort, before I go hence, and be no more.'
13Houd op; opdat ik nog vreugde mag hebben, Eer ik heenga, en er niet meer zal zijn!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.