Псальма
Chapter 109
Kulish and Puluj Bible (…
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers

Псальма 109

Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Проводиреві; псальма Давидова. Боже, хвало моя, не мовчи!
1Voor muziekbegeleiding. Een psalm van David. Mijn God, tot wien mijn loflied klinkt, Zwijg toch niet stil!
2Бо губи грішника і губи зрадливі проти мене відчинились; брехливими язиками говорять проти мене.
2Want men zet een mond vol boosheid en bedrog tegen mij op, En belastert mij met leugentongen;
3Ненависними словами мене обступили, і безвинно напали на мене.
3Men bestookt mij met woorden van haat, En bestrijdt mij zonder enige grond;
4За любов мою ворогують на мене; а я все молюся.
4Men belaagt mij tot loon voor mijn liefde, En tot loon voor mijn bidden;
5А вони менї злом за добро, за любов ненавистю відплатили.
5Men vergeldt mij kwaad voor goed, En haat voor mijn liefde.
6Пусти на него беззаконника, і сатана нехай стоїть праворуч у него.
6Stel een gewetenloos rechter over hem aan, En aan zijn rechterhand trede een valse aanklager op;
7Коли на судї стане, нехай вийде виноватий, і благаннє його нехай за гріх полїчиться.
7Voor het gerecht worde hij schuldig bevonden, En smeke hij tevergeefs om genade.
8Нехай віку свого не звікує, а уряд його возьме инший!
8Mogen zijn dagen maar kort zijn, En zijn ambt aan een ander vervallen.
9Сини його будуть сиротами, а жінка його вдовою!
9Zijn kinderen mogen wezen, Zijn vrouw een weduwe worden;
10Нехай сини його, блукаючи, на жебри розійдуться, і покинувши пустки свої, хлїба просять!
10Mogen zijn zonen als bedelaars zwerven, Zelfs uit hun krotten worden verjaagd.
11Лихварь нехай все, що він має, загорне, й чужі люде працю його розхоплять!
11De woekeraar legge beslag op heel zijn bezit, En vreemden mogen met zijn verdiensten gaan strijken.
12Нехай нїкого не має, хто постояв би в добротї до його, і нехай не буде нїкого, хто б сиріт його помилував!
12Laat niemand zich zijner ontfermen, Niemand zich over zijn wezen erbarmen;
13Потомство його нехай згине, в другому поколїнню нехай імя його буде затерте!
13Laat zijn kroost ten ondergang worden gedoemd, Zijn naam al verdwijnen in het eerste geslacht.
14Нехай згадаються перед Господом несправедливостї батьків його, і гріх матері його нехай не затреться!
14Moge Jahweh de misdaad zijner vaderen gedenken, En de schuld van zijn moeder nooit worden gedelgd;
15Нехай гріхи їх все будуть перед Господом, а він знищить память їх на землї!
15Jahweh houde ze altijd voor ogen, Zodat zelfs hun aandenken van de aarde verdwijnt.
16Тому, що не було на думцї в його, творити милість, що до смерти гнобив чоловіка нужденного і бідного і засмученого в серцї.
16Want hij dacht er niet aan, barmhartig te zijn, Maar vervolgde den ellendige, arme en bedroefde ten dode.
17Любив він проклін, нехай же спаде на його! Не любив благословення, нехай же нїколи не зазнає його!
17Hij hield van vervloeking: die treffe hem dan; Geen zegen wilde hij spreken: die blijve hem verre!
18Прокляттєм, як одежою, зодягався, нехай же як вода просякне внутро його, і, як олїй, костї його проникне!
18De vloek trok hij aan als een kleed: Die dringe hem als water in het lijf, als olie in zijn gebeente;
19Нехай буде йому одежою, котрою зодягається, і поясом, котрим все підперезується!
19Die worde de mantel, waarin hij zich hult, De gordel, die hij altijd moet dragen.
20Така доля від Господа нехай буде ворогам моїм, і тим, що проти душі моєї зло говорять.
20Zó moge Jahweh mijn haters vergelden, En die laag van mij lasteren!
21Ти ж, Господи, Боже, заступи мене задля імені твого! Блага бо милість твоя; спаси мене!
21Maar treed Gìj voor mij op, o Jahweh, mijn Heer, En red mij omwille van uw Naam naar de rijkdom uwer genade!
22Я бо нужденний і бідний, і серце моє зранене в мене.
22Want ik ben arm en ellendig, En mijn hart krimpt ineen in mijn borst;
23Як тїнь, що простирається, я зникаю, як сарана полохаюсь.
23Ik zink weg als een verdwijnende schaduw, Word voortgejaagd als een sprinkhanenzwerm;
24Колїна мої від посту охляли, і тїло моє змарнїло.
24Van het vasten knikken mijn knieën, En mijn vermagerd lichaam schrompelt ineen.
25І став я сьміховиском для них; побачивши мене, головами своїми покивують.
25Zó ben ik hun een bespotting geworden; Die mij zien, schudden meewarig het hoofd.
26Поможи менї, Господи, Боже мій! Спаси мене по милостї твоїй!
26Help mij, Jahweh, mijn God, En red mij naar uw genade;
27Щоб люде знали, що се рука твоя, Господи, і твоє дїло.
27Opdat men erkenne, dat het uw hand is, Jahweh: dat Gij het volbracht!
28Нехай вони проклинають мене, а ти благослови! Встануть вони, то допусти сором на них, і дай зрадуватись слузї твому!
28Laat hèn dan maar vloeken, als Gìj mij wilt zegenen; Mijn vijand zich schamen, maar uw knecht zich verheugen;
29Вороги мої нехай соромом покриються і ганьбою своєю, як плащом, обгорнуться.
29Mogen mijn tegenstanders met smaad worden bekleed, En zich in hun schande hullen als in een mantel!
30Буду щиро прославляти Господа устами моїми, і серед збору хвалити його.
30Dan zal ik Jahweh juichend danken, En voor een talloze schare Hem prijzen;
31Бо він стоїть по правицї бідного, щоб спасти його від тих, що душу його судять.
31Omdat Hij aan de rechterhand van den ongelukkige staat, Om hem te redden, van die hem verdoemen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.