Псальма 132
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Посходня пісня. Спогадай, Господи, Давида і всї скорби його.
1Een bedevaartslied. Blijf David gedenken, o Jahweh, En alle moeite, die hij zich troostte,
2Як він клявся Господеві, робив обітницю могучому Богу Якова:
2Omdat hij Jahweh had gezworen, Jakobs Sterke had beloofd:
3„Не ввійду до шатра дому мого, не ляжу на постелї відпочити;
3Ik zal mijn woontent niet ingaan, Mijn legerstede niet beklimmen,
4Не дам спати очам моїм, нї дрімати повікам моїм,
4Mijn ogen geen slaap gunnen, Mijn wimpers geen sluimer:
5Поки не знайду для Господа оселї, дому для Бога Якова!‟
5Voordat ik een plaats heb gevonden voor Jahweh, Voor Jakobs Sterke een woning!
6Ось ми чували про неї в Ефратї, знайшли її на полях Яарських.
6Zie, wij hoorden, dat zij in Efráta was, Wij vonden haar weer in de velden van Jáar;
7Ходїмо, ввійдемо до дому його, поклонимось у підніжя ніг його!
7Laat ons naar zijn Woning gaan, En ons voor zijn voetbank werpen!
8Встань, Господи, поступи на місце спокою твого, ти і скеня сили твоєї.
8Jahweh, trek op naar uw rustplaats, Gij zelf en de ark uwer glorie!
9Сьвященники твої нехай правдою зодягнуться, а угодники твої нехай торжествують!
9Mogen uw priesters met gerechtigheid worden bekleed, En uw vromen een jubellied zingen!
10Задля Давида, слуги твого, не відсилай від себе лице помазанця твого!
10Om wille van David, uw dienaar, Wijs het gebed van uw gezalfde niet af!
11Клявся Господь Давидові правдою, не відступить він від неї: З плоду тїла твого посаджу на твоїм престолї.
11En Jahweh heeft aan David gezworen, Een trouwe Belofte, waarvan Hij niet afwijkt: Van de vrucht van uw schoot Zet Ik er een op uw troon!
12Коли сини твої хоронити муть заповіт мій і велїння мої, котрих навчу їх, то й сини їх по всї часи седїти муть на твоїм престолї.
12En zo uw zonen mijn verbond onderhouden, En de vermaningen, die Ik hun gaf, Dan zullen ook hùn zonen voor eeuwig Op uw troon blijven zitten!
13Бо Господь вибрав собі Сиона, бажав його собі за оселю.
13Want Jahweh heeft Sion verkoren, En Zich tot woning begeerd!
14Ось місце мого вічного спокою; ту оселюся, бажав бо я того.
14“Hij is mijn rustplaats voor eeuwig; Hier wil Ik wonen, want hèm heb Ik verkoren!
15Буду щедро благословити їду його, вбогих його хлїбом до сита нагодую.
15Zijn mondkost zal Ik ruimschoots zegenen, Zijn armen verzadigen met brood;
16Сьвященників спасеннєм зодягну, і побожні люде його радуватись будуть.
16Zijn priesters zal Ik met heil bekleden. Zijn vromen zullen een jubellied zingen!
17На тому місцї дам рости рогові Давида; я приготовив сьвітильника для помазанця мого.
17Hier zal Ik David een Hoorn doen ontspruiten, Een lamp ontsteken voor mijn Gezalfde;
18Ворогів його соромом покрию, а на йому сияти ме корона його.
18Zijn vijanden zal Ik met schande bedekken, Mijn kroon zal schitteren op zijn hoofd!”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.