Псальма 37
Kulish and Puluj Bible (1905)Translation
Kulish and Puluj Bible (1905)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1Давидова. Не палай гнївом на злочинників, не завидуй творящим неправду.
1Van David. Wees niet afgunstig op zondaars, En benijd de boosdoeners niet;
2Вони бо, як трава, скоро поникнуть, і, як зелене листє, повянуть.
2Want snel versmachten zij als gras, Verkwijnen als het groen gewas.
3Вповай на Господа, і твори добро; оставай в країнї, і любуйся вірностю;
3Vertrouw op Jahweh, doe enkel wat goed is, Blijf in het land en wees trouw;
4І радуйся в Господї, то він дасть тобі бажання серця твого.
4Dan zult gij uw vreugde in Jahweh vinden, En Hij schenkt u wat uw hart maar begeert.
5Відкрий Господеві дорогу твою, і вповай на него, і він допоможе;
5Laat Jahweh uw weg maar bestieren, Verlaat u op Hem: Hij zal hem banen;
6І виявить він правоту твою, як сьвітло, і правду твою, як полудне.
6Als de dageraad doet Hij uw gerechtigheid stralen, En als de middagzon uw recht.
7Вповай тихим серцем на Господа, і дожидай його! Не запалюйся гнївом на того, кому щаститься дорога, на чоловіка, що лихі задуми свої сповняє!
7Berust in Jahweh, En blijf op Hem hopen. Benijd niet den man, wien het goed gaat, Ofschoon hij bedriegt.
8Відхиляйсь від гнїву, і не досадуй! Не подавайсь гнїву, щоб творити лихо.
8Word niet toornig en maak u niet boos, Wind u niet op: gij maakt het maar erger;
9Бо лиходїї будуть знищені; хто ж надїється на Господа, ті будуть властенцями землї.
9Want de zondaars worden vernietigd, Maar die op Jahweh vertrouwen, bezitten het Land!
10Тілько ще трохи, і не буде беззаконника; і споглянеш на місце його, та й нема його.
10Een ogenblik maar: en de zondaar is er niet meer; Gij zoekt naar zijn plaats: hij is weg.
11Тихі ж люде займуть землю, і будуть радуватись повним супокоєм.
11Maar de rechtschapenen bezitten het Land, En genieten een heerlijke vrede.
12Беззаконник замишляє проти праведника, і зубами своїми скрегоче на него.
12De zondaar belaagt den rechtvaardige, En knarst tegen hem op zijn tanden;
13Господь сьміється з него, бачить бо, що прийде день його.
13Maar de Heer lacht hem uit, Want Hij ziet zijn Dag al nabij.
14Добули беззаконники меча, і натягнули лука свого, щоб повалити мізерного і бідного, порубати ходячих правою дорогою.
14De bozen trekken hun zwaard en spannen hun boog, Om ongelukkigen en armen te doden, en vromen te slachten;
15Меч їх пройде їм крізь серце їх, і луки їх сокрушаться.
15Maar het zwaard dringt in hun eigen hart, En hun bogen worden gebroken.
16Луччий малий достаток праведника, як наддостатки многих беззаконників.
16Beter het weinige, dat de rechtvaardige heeft, Dan de geweldige rijkdom der bozen;
17Бо руки безбожників будуть поломані, а праведника піддержить Господь.
17Want de arm der bozen wordt gebroken, Maar voor de rechtvaardigen is Jahweh een stut.
18Знає Господь днї тих, що непорочні, і спадьщина їх буде по віки;
18Jahweh zorgt voor de dagen der vromen, En hun erfdeel blijft eeuwig bijeen;
19Вони не осоромляться в лиху годину, і в день голоднечі вони наситяться.
19Ze staan niet verlegen in tijden van rampspoed, Maar worden verzadigd bij hongersnood.
20Бо погинуть беззаконники, і вороги Господа, як товсті ягнята; вони никнуть, никнуть вони, як дим.
20Maar de goddelozen gaan zeker te gronde, En hun kinderen bedelen om brood; Jahweh’s vijanden vergaan als de glorie der velden, En verdwijnen als rook.
21Беззаконник пожичає, і не віддає; праведник же щедрий, і дає.
21De boze moet lenen, en kan niet betalen, De gerechte kan mild zijn en geven;
22Бо благословенні його унаслїдують землю, а прокляті його будуть винищені.
22Want wien Hij zegent, bezit het Land, Maar wien Hij vervloekt, wordt vernietigd.
23Господь править ходою чоловіка, і дорога його подобається йому;
23Jahweh leidt de schreden der mensen, Hij richt overeind, wiens gedrag Hem behaagt;
24Коли часом впаде, не забється, бо Господь піддержує руку його.
24En mocht hij al wankelen, toch zal hij niet vallen, Want Jahweh houdt hem bij de hand.
25Був я молодим і зостарівся, та нїколи не бачив я опущеного праведника, або, щоб рід його просив хлїба.
25Ik was jong, en nu ben ik oud: Maar nooit heb ik een vrome verlaten gezien;
26Цїлий день щедра рука його, і він пожичає, і рід його буде благословенний.
26Steeds kan hij nog mild zijn en aan anderen lenen, Zijn nageslacht tot zegen zijn.
27Одхиляйсь від злого і твори добро, і останешся по віки!
27Houd u ver van het kwaad, en doe enkel wat goed is, Dan woont gij veilig voor eeuwig;
28Бо Господь любить правду і не покине преподобних; по віки сохранить їх, а знищить рід беззаконних.
28Want Jahweh heeft de gerechtigheid lief, En nimmer verlaat Hij zijn vromen. De bozen worden voor eeuwig vernietigd, En het geslacht van de zondaars vergaat;
29Праведні будуть мати землю, і жити на нїй по віки.
29Maar de rechtvaardigen bezitten het Land, En blijven er altijd in wonen.
30З уст праведника виходить премудрість, і язик його говорить правду;
30De mond van den rechtvaardige verkondigt de wijsheid, En zijn tong spreekt wat recht is.
31Закон Бога його в серцї його, не спотикнеться нога його, ступаючи.
31Hij draagt de Wet van zijn God in zijn hart; Nooit wankelen zijn schreden.
32Беззаконник чигає на праведника, і хоче зігнати його з сьвіту;
32De boze loert op den vrome, En zoekt hem te doden;
33Господь не оставить його в руцї його, і не осудить його на судї.
33Maar Jahweh laat hem niet in zijn macht, En duldt geen veroordeling, als men hem richt.
34Дожидай Господа і пильнуй дороги його, і він удостоїть тебе мати землю. Коли будуть знищені беззаконники, побачиш її.
34Blijf op Jahweh vertrouwen, En bewandel zijn wegen; Dan stelt Hij u in het bezit van het Land, En zult gij de verdelging der zondaars aanschouwen.
35Я бачив беззаконника, потужного, що розростався, як не пересаджене зелене дерево;
35Ik heb een zondaar gezien in zijn vermetele trots, Hoog als een Libanon-ceder;
36Та й минувся він, і бач, не було вже його; і я шукав, та й не знайшов його.
36Ik ging voorbij: zie, hij was er niet meer; Ik zocht hem, hij was niet te vinden.
37Вважай на безвинного і гляди на правдивого; є бо добра доля для чоловіка мирного.
37Geef acht op den vrome en let op den brave: Het kroost van dien man leeft in vrede;
38Переступники ж будуть знищені всї до одного, буде загороджена будучність беззаконним людям.
38Maar de zondaars gaan allen te gronde, De kinderen der bozen worden vernietigd.
39Спасеннє ж праведних від Господа, він сила їх в час тїсноти.
39Jahweh is het heil van de vromen, Hun toevlucht in tijden van nood;
40І Господь допоможе їм і спасе їх; він вислобонить їх від беззаконних і сохранить їх, вони бо вповали на него.
40Jahweh helpt en beschermt hen tegen de bozen, Hij redt hen, als ze vluchten tot Hem!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.