詩篇
Chapter 73
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1まことに、神はイスラエルに、 心の清い者たちに良くしてくださる。
1Psalm van Asaf. Waarachtig; God is goed voor den rechtvaardige, Jahweh voor de reinen van hart!
2しかし私としては、私の足は危うく滑り、 私の歩みは今にも踏み外すところだった。
2Toch waren haast mijn voeten gestruikeld, Mijn schreden bijna uitgegleden!
3私は悪者が栄えるのを見たとき、 傲慢な者たちをねたんだからだ。
3Want ik was jaloers op de bozen, Omdat ik de voorspoed der zondaars zag;
4彼らは死ぬ時にも苦しまず、 その体は健やかである。
4Voor hen toch bestaat er geen lijden, Gezond en vol kracht is hun lijf.
5彼らは人の苦労を知らず、 ほかの人々のように打たれることもない。
5Ze hebben geen zorgen als andere mensen, Worden niet als anderen geplaagd;
6それゆえ、高慢が首飾りのように彼らの首を覆い、 暴力が衣のように彼らを覆っている。
6Daarom hangen ze hoogmoed om als een keten, Bedekt hen geweld als een mantel.
7彼らの目は脂肪で膨れ上がり、 心に思い描くことは限りなく膨らんでいる。
7De misdaad puilt uit hun vet, Hun hart loopt over van slechte gedachten;
8彼らはあざけり、悪意をもって語る。 高ぶって、人を虐げることを語る。
8Ze honen en lasteren, En dreigen op hoge toon met geweld.
9彼らは天に向かって口を開き、 その舌は地を行き巡る。
9Ze zetten een mond op tegen de hemel, En hun tong gaat zich tegen de aarde te buiten.
10それゆえ、彼らの民は彼らのもとに戻り、 あふれる水を飲み干す。
10Daarom lopen de dwazen achter hen aan, En slurpen begerig hun woorden op.
11彼らは言う、「どうして神が知るだろうか。 いと高き方に知識があるのか」と。
11Ze zeggen: “Hoe zou God er iets van weten, De Allerhoogste er kennis van hebben?”
12見よ、これらが悪者である。 いつも安らかに暮らし、富を増し加えている。
12Zie, zo gaat het de zondaars: Ze zijn altijd gelukkig, en hopen zich rijkdommen op!
13まことに、私が心を清め、 無実のうちに手を洗ったのは、むなしいことであった。
13Heb ik dan mijn hart vergeefs in reinheid bewaard, En mijn handen in onschuld gewassen:
14私は一日中打たれ、 朝ごとに懲らしめられたからだ。
14De ganse dag word ik geplaagd, Iedere morgen opnieuw geslagen!
15もし私が「このように語ろう」と言っていたなら、 私はあなたの子どもたちの世代を裏切っていただろう。
15Dacht ik: Zo wil ik spreken! Dan brak ik de trouw van het geslacht uwer kinderen;
16私がこれを理解しようとしたとき、 それは私にはあまりにも難しいことだった。
16Maar als ik ging peinzen, om het te vatten, Dan bleef het een raadsel in mijn oog.
17私が神の聖所に入り、 そこで彼らの行く末を悟った。
17Totdat ik in Gods raadsbesluiten drong, En op hun einde ging letten:
18まことに、あなたは彼らを滑りやすい所に置かれ、 彼らを滅びへと突き落とされる。
18Ja, Gij hebt ze op een glibberige bodem gezet, Ze gestort in hun eigen verderf!
19なんと、彼らは突然滅ぼされることだろう。 彼らは恐怖のうちに完全に一掃される。
19Hoe zijn ze in een oogwenk vernietigd, Verdwenen, in verschrikkelijke rampen vergaan:
20人が目を覚ました時の夢のように、 主 よ、あなたが起き上がるとき、彼らの幻をさげすまれる。
20Heer, als een droom, die bij het ontwaken vervliegt, Wiens beeld we bij het opstaan verachten!
21私の心は悲しみ、 私の内は刺されるように痛んでいた。
21Als dus mijn hart nog verbitterd zou zijn, En mijn nieren bleven geprikkeld,
22私はあまりにも無知で、悟りがなく、 あなたの御前では獣のようであった。
22Dan was ik een dwaas en een zot, Een stuk vee in uw oog.
23それでも、私は常にあなたと共にいる。 あなたは私の右の手を握ってくださった。
23Want ik blijf altijd bij U, Gij houdt mij bij de rechterhand;
24あなたはご自身の助言によって私を導き、 その後、私を栄光へと受け入れてくださる。
24Gij leidt mij naar uw raadsbesluit, En herstelt mij in ere!
25天において、あなたのほかに誰が私にいるだろうか。 地においても、あなたのほかに私が望む方はいない。
25Wat heb ik toch in de hemel; Ook op aarde verlang ik niets buiten U!
26私の肉体も心も衰え果てる。 しかし神は私の心の力、永遠に私の受ける分である。
26Al bezwijken mijn vlees en mijn hart, God is voor eeuwig de Rots van mijn hart en mijn erfdeel.
27見よ、あなたから遠く離れている者たちは滅ぶ。 あなたに不実な者たちを、あなたはすべて滅ぼされる。
27Maar die U verlaten, gaan zeker te gronde, Gij vernietigt wie van U afvalt;
28しかし私にとって、神に近づくことは良いことである。 私は主なる神を私の避け所とした。 私はあなたのすべての御業を語り伝える。
28Doch mij is het goed, in Gods nabijheid te blijven, En mijn vertrouwen te stellen op Jahweh, mijn Heer!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.