ハバクク書
Chapter 1

ハバクク書

Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1預言者ハバククが見た啓示。
1De godsspraak, die de profeet Hababuk schouwde:
2主 よ、いつまで私が叫んでも、あなたはお聞きにならないのか。私が「暴虐だ」と叫んでも、救ってくださらないのか。
2Hoe lang, Jahweh, smeek ik om hulp, En wilt Gij niet horen; Roep ik tot u: Verdrukking, En brengt Gij geen redding?
3なぜ私に不義を見せ、よこしまを黙って見ておられるのか。破壊と暴虐が私の前にあり、争いが起こり、いさかいが湧き上がる。
3Waarom laat Gij mij slechtheid zien, En moet ik onheil aanschouwen, Heb ik geweld en verdrukking voor ogen, Zijn twist en tweedracht ontbrand?
4それゆえ、律法は力を失い、公正は決して行き渡らない。悪者が義人を取り囲み、公正はねじ曲げられる。
4De Wet ligt verkracht, Het Recht wordt verstikt: Want de goddeloze houdt den vrome gevangen, Het recht wordt geschonden!
5「諸国民の間を見渡し、よく見よ。驚き、驚け。私はあなたがたの時代に、驚くべきみわざを行う。たとえ告げられても、あなたがたは信じない。
5Werpt een blik op de volken, ziet rond, En staat verbijsterd van schrik: Want Ik ga een werk in uw dagen voltrekken, Dat ge niet zoudt geloven, als het werd verteld.
6見よ、 私はカルデア人を起こす。彼らは激しく性急な国民で、地の果てまで駆け巡り、自分たちのものではない住まいを奪い取る。
6Zie, Ik roep de Chaldeën op, Dat grimmige, onstuimige volk, Dat de breedte der aarde doorkruist, Om woonsteden van anderen te veroveren.
7彼らは恐ろしく、畏怖を起こす。その裁きも威厳も、自らを源とする。
7Het is geducht en verschrikkelijk, Straf en vernieling gaan van hem uit;
8その馬は豹より速く、夕暮れの狼より獰猛だ。その騎兵は猛然と駆け進む。騎兵は遠くから来て、獲物を食らおうと急ぐ鷲のように飛ぶ。
8Zijn paarden zijn sneller dan panters, Vlugger dan de wolven uit de woestijn. Zijn ruiters springen te paard, En komen van verre gevlogen; Zoals een gier zich werpt op zijn prooi,
9彼らは皆、暴虐を行うために来る。その大軍はひたすら前へ進み、捕虜を砂のように集める。
9Schieten ze allemaal toe op geweld. Als de oostenwind giert het vooruit, En jaagt de gevangenen als zand te hoop;
10彼らは王たちをあざけり、君主たちを物笑いにする。どんな要塞をも笑い、土塁を築いて攻め取る。
10Met koningen drijft het de spot, Met vorsten steekt het de draak. Het lacht om iedere vesting, Werpt aarde op, en neemt ze in;
11そして風のように一気に吹き過ぎ、進み去る。自分の力を神とする彼らは、まことに罪ある者だ。」
11Dan jaagt het verder als een orkaan, En maakt een god van zijn kracht.
12主よ、私の神、私の聖なる方よ、あなたは永遠の昔からおられる方ではないか。われわれは死なない。主よ、あなたは裁きのために彼らを立てられた。岩なる方よ、懲らしめるためにこの者を据えられた。
12Zijt gij dan niet sinds oude tijden Jahweh, mijn heilige God, die niet sterft? Jahweh, hebt Gij hèm dan bestemd, om recht te doen, Hem gegrond als een rots, om te straffen?
13あなたの目は清く、悪を見るに耐えず、よこしまを黙って見過ごされない。それなのに、なぜ裏切る者たちを容認し、悪者が自分より正しい者をのみ込む時、沈黙しておられるのか。
13Uw ogen zijn toch te rein, om het kwaad te aanschouwen, Gij kunt toch het onrecht niet zien: Hoe kunt Gij dan de trouwelozen verdragen, Voor den boze zwijgen, die den vrome verslindt?
14なぜ人を海の魚のように、治める者のない這うもののようにされるのか。
14Waarom maakt Gij den mens dan als de vissen der zee, Als het gewemel, dat geen meester heeft:
15彼は人々を皆、釣り針で釣り上げ、網で捕らえ、引き網で集める。それゆえ彼は喜び、楽しむ。
15Hij haalt ze allen op aan de angel, En sleept ze mee in zijn net. Dan verzamelt hij ze in zijn fuik, En verheugt en verblijdt zich erover,
16そのため彼は自分の網にいけにえをささげ、引き網に香をたく。それらによってぜいたくに暮らし、豊かな食物を得るからだ。
16Brengt hij offers aan zijn net, Brandt hij wierook voor zijn fuik. Want door hun hulp is zijn aandeel zo vet, En sappig zijn voedsel,
17それでは彼は絶えず網を空にし、あわれみもなく諸国民を殺し続けるのか。
17Trekt hij zijn net op, schudt het leeg, Om altijd volken te moorden, zonder erbarmen!

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.