ヨナ書
Chapter 1

ヨナ書

Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
vs Petrus Canisius Bi…
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Freedom Bible (フリーダム・バイブル)
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
1主の言葉が、アミタイの子ヨナに臨んだ。
1Het woord van Jahweh werd tot Jonas gericht, den zoon van Amittai:
2「立て。あの大きな町ニネベへ行き、これに向かって叫べ。彼らの悪が私の前にまで上って来たからだ。」
2Sta op, ga naar Ninive, de grote stad, en kondig haar aan, dat haar boosheid tot Mij is doorgedrongen.
3しかしヨナは、主の前から逃れてタルシシュへ行こうと立ち上がった。彼はヨッパへ下り、タルシシュ行きの船を見つけた。船賃を払って乗り込み、彼らとともにタルシシュへ行き、主の前から逃れようとした。
3Jonas stond op, maar wilde naar Tarsjisj vluchten, ver buiten het bereik van Jahweh. Hij daalde naar Joppe af, vond er een schip, dat op Tarsjisj voer, betaalde de overtocht, en ging aan boord, om met de anderen naar Tarsjisj te varen, ver buiten het bereik van Jahweh.
4しかし主は、海の上に大風を送り出された。海には激しい嵐が起こり、船は今にも砕けそうになった。
4Maar Jahweh slingerde een orkaan over het water, en er brak een zware storm los op zee, die het schip dreigde te kraken.
5船乗りたちは恐れ、それぞれ自分の神に叫び求めた。そして船を軽くするため、積み荷を海に投げ捨てた。ところがヨナは船の奥深くへ下り、横になってぐっすり眠っていた。
5In hun angst riepen de schepelingen allen hun eigen goden aan, en wierpen de lading in zee, om het schip te ontlasten. Maar Jonas was in het scheepsruim gegaan, had zich daar ter ruste gelegd, en was in diepe slaap gevallen.
6船長が彼のところへ来て言った。「眠っている場合か。起きて、あなたの神を呼び求めよ。もしかすると、あなたの神が私たちを心に留め、私たちは滅びずに済むかもしれない。」
6De kapitein ging naar hem toe, en zei hem: Hoe kunt ge nog slapen! Sta op, roep uw God aan; misschien ontfermt zich God over ons, en vergaan we niet.
7彼らは互いに言った。「さあ、くじを引いて、この災いがだれのせいで私たちに降りかかったのかを知ろう。」彼らがくじを引くと、くじはヨナに当たった。
7Later zeiden ze tot elkander: Laat ons loten, om uit te maken, door wiens schuld dit onheil ons treft. Ze wierpen dus het lot; en het lot viel op Jonas.
8そこで彼らはヨナに言った。「どうか話してくれ。この災いが私たちに降りかかったのは、だれのせいなのか。あなたの仕事は何か。どこから来たのか。国はどこか。どの民の者か。」
8Nu zeiden ze hem: Zeg ons, waarom dit onheil ons treft; wat is uw beroep, waar komt ge vandaan, wat is uw vaderland, van welk volk stamt ge af.
9ヨナは彼らに言った。「私はヘブル人です。海と乾いた地を造られた、天の神である主を畏れています。」
9Hij gaf hun ten antwoord: Ik ben een Hebreër; ik vereer Jahweh, den God des hemels, die zee en land heeft gemaakt.
10すると男たちは非常に恐れ、彼に言った。「あなたは何ということをしたのか。」ヨナが主の前から逃れていることを、彼自身から聞いていたのである。
10Nu werd de bemanning nog meer bevreesd, en ze zeiden tot hem: Hoe hebt ge zo iets durven doen? Want nu wisten ze, dat hij op de vlucht was voor Jahweh; hij had het hun zelf bekend.
11彼らはヨナに言った。「海が私たちのために静まるには、あなたをどうすればよいのか。」海はますます荒れていた。
11Ze zeiden hem: Wat moeten we met u doen, om de zee te kalmeren; want de zee raast hoe langer hoe harder!
12ヨナは彼らに言った。「私を抱え上げて、海に投げ込んでください。そうすれば、海はあなたがたのために静まります。この大嵐があなたがたを襲ったのは、私のせいだと分かっています。」
12Hij antwoordde: Neem mij op, en werp mij in zee; dan zal de zee bedaren. Want nu zie ik duidelijk in, dat door mijn schuld deze geweldige storm u teistert.
13それでも男たちは、船を陸へ戻そうと懸命にこいだ。しかし、できなかった。海は彼らに逆らって、ますます荒れたからである。
13Nog beproefde de bemanning, naar het land te roeien, maar het lukte haar niet; want steeds onstuimiger beukte de zee.
14そこで彼らは主に叫び求めて言った。「ああ、主よ。どうかこの男の命のゆえに、私たちを死なせないでください。罪のない血の責任を私たちに負わせないでください。主よ、あなたは御心のままに行われたのです。」
14Toen riepen ze Jahweh aan, en zeiden: Ach Jahweh! Laat ons toch niet vergaan om het leven van dezen man; wreek op ons geen onschuldig bloed. Want Gij, Jahweh, hebt zelf gedaan, wat U behaagt!
15それから彼らはヨナを抱え上げ、海に投げ込んだ。すると海は荒れ狂うのをやめた。
15Toen namen ze Jonas op, en wierpen hem in zee; en aanstonds kwam de zee tot bedaren.
16男たちは主を大いに畏れ、主にいけにえをささげ、誓願を立てた。
16De bemanning werd van grote vrees voor Jahweh vervuld; men bracht Jahweh een offer, en deed Hem geloften.
17主はヨナをのみ込むため、一匹の巨大な魚を備えられた。ヨナは三日三晩、魚の腹の中にいた。
17Intussen had Jahweh een grote vis laten komen, om Jonas op te slokken: en Jonas bleef in de buik van de vis drie dagen en drie nachten lang.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.