Matteus 27
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Bij het aanbreken van de morgen namen al de opperpriesters en de oudsten van het volk een beslissing tegen Jesus, om Hem te doen sterven.
1Як же настав ранок, зробили раду всї архиєреї й старші людські на Ісуса, щоб убити Його;
2Ze lieten Hem binden, voerden Hem weg, en leverden Hem over aan den landvoogd Pilatus.
2і, звязавши Його, повели тай передали Його Понтийському Пилату, ігемонові.
3Toen zag Judas, die Hem verraden had, dat Hij veroordeeld was; hij kreeg spijt, bracht de dertig zilverlingen aan de opperpriesters en oudsten terug,
3Тодї, побачивши Юда, зрадник Його, що Його осуджено, розкаяв ся, і вернув трийцять срібняків архиєреям та старшинї,
4en zeide: Ik heb gezondigd, door onschuldig bloed te verraden. Maar ze zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat moet ge zelf maar weten.
4кажучи: Згрішив я, зрадивши кров невинну. Вони ж сказали: Що нам до того? ти побачиш.
5Doch hij wierp de zilverlingen in de tempel, vluchtte weg, en ging zich verhangen.
5І, покинувши він срібняки в церкві, вийшов і відійшовши, повісив ся.
6De opperpriesters raapten de zilverlingen bijeen, en zeiden: Het is niet geoorloofd, ze in de schatkist te werpen, omdat het een bloedprijs is.
6Архиєреї ж, взявши срібняки, сказали: Не годить ся класти їх у скарбоню, бо се цїна крові.
7En ze besloten, daarvoor de akker van den pottenbakker te kopen als een begraafplaats voor de vreemdelingen.
7Зробивши ж раду, купили за них ганчарське поле, щоб ховати на йому захожих.
8Daarom wordt die akker tot op de dag van heden Bloedakker genoemd.
8Через се зветь ся поле се Кріваве Поле по сей день.
9Toen werd vervuld, wat de profeet had gezegd: En ze namen de dertig zilverlingen, de prijs, waarop de kinderen van Israël Mij hebben geschat;
9Тодї справдилось, що сказав Єремія пророк, глаголючи: І взяли вони трийцять срібняків, цїну цїненного, котрого цїнено з синів Ізраїля,
10en zij gaven ze voor de akker van den pottenbakker, zoals de Heer Mij bevolen heeft.
10і дали їх на ганчарське поле, як повелїв менї Господь.
11En toen Jesus voor den landvoogd stond, ondervroeg Hem de landvoogd en sprak: Zijt Gij de Koning der Joden? Jesus zeide hem: Ge zegt het.
11Ісус же стояв перед ігемоном; і питав Його ігемон, кажучи: Чи Ти цар Жидівський? Ісус же рече йому: Ти сказав єси.
12Maar toen Hij beschuldigd werd door de opperpriesters en oudsten, antwoordde Hij niets.
12А, як винуватили Його архиєреї та старші, не відказував нїчого.
13Daarom sprak Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, wat zware beschuldigingen ze tegen U inbrengen?
13Тодї каже до Него Пилат: Хиба не чуєш, скільки сьвідкують на Тебе?
14Maar Hij antwoordde hem op geen enkele beschuldiging, zodat het den landvoogd erg verbaasde.
14І не відказав Він йому нї на одно слово, так що ігемон вельми дивував ся.
15Nu was de landvoogd gewoon, op de feestdagen een gevangene vrij te laten, naar keuze van het volk.
15На сьвято ж звик був ігемон одпускати народові одного вязника, которого вони хотїли.
16Men had toen een beruchten gevangene, Barabbas genaamd
16Мали ж тодї знаного вязника, на прізвище Вараву.
17Daar ze nu toch bijeen waren, sprak Pilatus hen toe: Wien wilt gij, dat ik u vrijlaat, Barabbas of Jesus, die Christus genoemd wordt?
17Як же вони зібрались, сказав їм Пилат: Кого хочете, щоб одпустив вам: Вараву, чи Ісуса, на прізвище Христа?
18Want hij begreep, dat ze Hem uit afgunst hadden overgeleverd.
18Знав бо, що через зависть видали Його.
19Terwijl hij daar op de rechterstoel zat, liet zijn vrouw hem zeggen: Vergrijp u niet aan dezen rechtvaardige; want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden.
19Як же сидїв він на судищі, прислала до него жінка його кажучи: Нїчого тобі й праведнику сьому; багато бо терпіла я сьогоднї вві снї через Него.
20Intussen hitsten de opperpriesters en oudsten de menigte op, om Barabbas te vragen en Jesus te doen sterven.
20Архиєреї ж і старші наустили народ, щоб випросили Вараву, Ісуса ж убили.
21Nu nam de landvoogd het woord, en sprak: Wien van de twee wilt gij, dat ik u vrijlaat? Ze zeiden: Barabbas.
21Озвав ся ж ігемон і рече до них: Кого хочете з двох, щоб випустив вам? Вони ж сказали: Вараву.
22Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan met Jesus doen, die Christus genoemd wordt?
22Каже до них Пилат: Що ж оце робити му з Ісусом, на прізвище Христом? Кажуть йому всї: Нехай буде розпятий.
23Allen riepen: Kruisig Hem! De landvoogd zei hun: Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan? Maar ze schreeuwden nog harder: Kruisig Hem.
23Ігемон же каже: Що бо злого зробив? Вони ж кричали ще гірш: Нехай буде розпятий.
24Toen Pilatus zag, dat hij niet slaagde, maar dat de opschudding groter werd, nam hij water, waste zijn handen ten aanschouwen van het volk, en sprak: Ik ben onschuldig aan het bloed van dezen rechtvaardige; gij moet het verantwoorden.
24Бачивши ж Пилат, що нїчого не врадить, а ще більш росте буча, взявши води, помив руки перед народом, і каже: Невинен я крові праведника сього; ви побачите.
25Heel het volk antwoordde: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen.
25І, озвавшись увесь народ, сказав: Кров Його на нас і на дїти наші.
26Toen liet Pilatus Barabbas vrij, maar Jesus liet hij geselen, en gaf Hem over, om te worden gekruisigd.
26Тодї відпустив їм Вараву; Ісуса ж, побивши, передав, щоб розпято Його.
27Daarop namen de soldaten van den landvoogd Jesus mee in het rechthuis, en verzamelden de hele bende om Hem heen.
27Тодї воїни ігемонові, взявши Ісуса на судище, зібрали на Него всю роту.
28Ze trokken Hem de kleren uit, en hingen Hem een scharlaken mantel om;
28І, роздягнувши Його, накинули на Него червоний плащ;
29ze vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd, en gaven Hem een rietstok in de rechterhand; ze knielden voor Hem neer, bespotten Hem, en zeiden: Wees gegroet, Koning der Joden.
29і, сплївши вінець із тернини, положили на голову Йому, а тростину в правицю Його; і кидаючись на колїна перед Ним, насьміхались із Него, кажучи: Радуй ся, царю Жидівський!
30Ze bespuwden Hem, namen de rietstok, en sloegen Hem op het hoofd.
30І, плюючи на Него, брали тростину, й били по голові Його.
31En nadat ze Hem hadden bespot, deden ze Hem de mantel af, trokken Hem zijn kleren aan, en voerden Hem weg ter kruisiging.
31І, як насьміялись із Него, зняли з Него плащ, і надїли на Него одежу Його, й повели Його на розпяттє.
32Terwijl ze nu uittrokken, ontmoetten ze een man van Cyrene, Simon genaamd; hem dwongen ze, zijn kruis te dragen.
32Виходячи ж, знайшли чоловіка Киринейського, на ймя Симона; сього заставили нести хрест Його,
33Zo kwamen ze op een plaats, die Gólgota of schedelplaats heet.
33І прийшовши на врочище (місце) Голгота, чи то б сказати Черепове місце,
34Nu gaven ze Hem wijn te drinken met gal vermengd; maar toen Hij het geproefd had, wilde Hij niet drinken.
34дали Йому пити оцту, змішаного з жовчю; і, покуштувавши, не хотїв пити.
35Na Hem gekruisigd te hebben, verdeelden ze zijn klederen bij het lot; opdat vervuld zou worden, wat door den profeet is gezegd. “Ze hebben mijn klederen onder elkander verdeeld, en over mijn gewaad het lot geworpen.”
35Розпявши ж Його, подїлили одежу Його, кинувши жереб, щоб справдилось, що сказав пророк: Подїлили собі шати мої, й на одежу мою кинули жереб.
36Ze zetten zich daar neer, en bewaakten Hem.
36І, посїдавши, стерегли Його там;
37Boven zijn hoofd hadden ze een opschrift gehecht met de reden van zijn veroordeling: Dit is Jesus, de koning der Joden.
37і прибили над головою Його написану вину Його: Се Ісус, цар Жидівський.
38Tegelijk met Hem werden twee rovers gekruisigd; één aan de rechterhand, en één aan de linker.
38Тодї розпято з Ним двох розбійників, одного по правицї, а другого по лївицї.
39En zij die voorbij gingen, hoonden Hem, schudden het hoofd.
39Мимойдучі ж хулили Його, киваючи головами своїми,
40en zeiden: Gij, die Gods tempel afbreekt en in drie dagen weer opbouwt, red Uzelf; indien Gij Gods Zoon zijt, kom dan af van het kruis.
40і кажучи: Ти, що руйнуєш церкву, й за три днї будуєш її, спаси ся сам. Коли ти Син Божий, зійди з хреста.
41Zo bespotten Hem ook de opperpriesters met de schriftgeleerden en oudsten. Ze zeiden:
41Так само ж і архиєреї, насьміхаючись із письменниками та старшими, казали:
42Anderen heeft Hij gered. Zichzelf kan Hij niet redden; als Hij koning van Israël is, laat Hem dan afkomen van het kruis, en we geloven in Hem.
42Инших спасав, а себе не може спасти. Коли Він царь Ізраїлський, нехай тепер зійде з хреста, й ввіруємо в Него;
43Hij heeft zijn vertrouwen gesteld op God; laat Deze Hem nu bevrijden, wanneer Hij Hem genegen is. Hij heeft toch gezegd: Ik ben Gods Zoon.
43Він уповав на Бога; нехай тепер визволить Його, коли хоче Його; казав бо: Я Син Божий.
44Zo ook beschimpten Hem de rovers, die met Hem waren gekruisigd.
44Так само й розбійники, що були розпяті з Ним, докоряли Йому.
45Van het zesde uur af tot het negende toe viel de duisternis neer over het hele land.
45Від шестої ж години настала темрява по всїй землї до години девятої.
46Omstreeks het negende uur riep Jesus met luider stem: Eli, Eli, lamma sabaktáni; dat is: “Mijn God, mijn God, waarom verlaat Gij Mij!”
46Коло девятої ж години покликнув Ісус великим голосом, глаголючи: Ілі, Ілі лама савахтані; те єсть: Боже мій, Боже мій, чом мене покинув єси?
47Sommigen die daar stonden, hoorden het, en zeiden: Hij roept Elias.
47Деякі ж, що там стояли, почувши, казали: Що Ілию кличе сей.
48Aanstonds liep één hunner heen, nam een spons, vulde ze met azijn, stak ze op een riet, en gaf Hem te drinken.
48І зараз, побігши один із них, і взявши губку, сповнивши оцтом і, настромивши на тростину, поїв Його.
49Maar de anderen zeiden: Wacht, laat ons eens zien, of Elias Hem komt bevrijden.
49Останнї ж казали: Нехай; побачимо, чи прийде Ілия спасати Його.
50Nog eenmaal riep Jesus met luider stem, en gaf de geest.
50Ісус же, знов покликнувши великим голосом, зітхнув духа.
51En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot onder: de aarde beefde, en de steenrotsen spleten vaneen;
51І ось завіса церковня роздерлась надвоє од верху до низу, й земля затрусилась, і скелї порозпадались;
52de graven gingen open, en vele lichamen van ontslapen heiligen verrezen;
52і гроби порозкривались; і многі тїла сьвятих усопших повставали,
53ze verlieten de graven, kwamen na zijn opstanding in de heilige stad, en verschenen aan velen.
53і, вийшовши з гробів після воскресення Його, поприходили у сьвятий город, і показались многим.
54Toen nu de honderdman, en die met hem Jesus bewaakten, de aardbeving met wat er verder gebeurde bemerkten, verschrokken ze hevig en zeiden: Ja, waarachtig, Hij was Gods Zoon.
54Сотник же да ті, що були з ним і стерегли Ісуса, побачивши трус і те, що сталось, полякались тяжко, кажучи: Справдї, Божий Син був сей.
55Vele vrouwen, die Jesus van Galilea af waren gevolgd om Hem te dienen, stonden daar van verre toe te zien;
55Було там багато й жінок, що оддалеки дивились, котрі прийшли слїдом за Ісусом із Галилеї, служачи Йому.
56onder anderen Maria Magdalena, Maria de moeder van Jakobus en Josef, en de moeder van de zonen van Zebedeüs.
56Між ними була Мария Магдалина, й Мария, мати Яковова та Йосиїна, й мати синів Зеведеєвих.
57Tegen de avond kwam een rijk man, uit Arimatea afkomstig en Josef genaamd, die eveneens leerling van Jesus was;
57Як же настав вечір, прийшов чоловік заможний з Ариматеї, на ймя Йосиф, що й сам учив ся в Ісуса.
58hij begaf zich naar Pilatus, en vroeg het lichaam van Jesus. Pilatus beval, hem het lichaam te geven.
58Сей, приступивши до Пилата, просив тїла Ісусового. Тодї Пилат і звелїв оддати тїло.
59Josef nam het lichaam, en wikkelde het in een rein lijnwaad.
59І взявши тїло Йосиф, обгорнув його плащеницею чистою,
60Hij legde het in zijn eigen nieuw graf, dat hij in de rots had gehouwen, rolde een grote steen voor de ingang van het graf, en ging heen.
60положив його у новім своїм гробі, що висїк у скелї; й прикотивши великого каменя до дверей гробу, одійшов.
61Maria Magdalena en de andere Maria waren daarbij tegenwoordig, en zaten tegenover het graf.
61Була ж там Мария Магдалина й друга Мария, і сидїли навпроти гроба.
62De dag daarna, dat is na de Vrijdag, kwamen de opperpriesters en farizeën bij Pilatus bijeen.
62Завтрішнього ж дня, що після пятницї, зібрались архиєреї та Фарисеї до Пилата,
63en zeiden: Heer, we herinneren ons, dat deze bedrieger, toen Hij nog leefde, gezegd heeft: Na drie dagen zal Ik verrijzen.
63кажучи: Пане, згадали ми, що той обманщик казав, ще живий: Через три днї встану.
64Gelast dus, het graf tot de derde dag te bewaken, opdat zijn leerlingen niet komen en Hem ontvoeren, en aan het volk gaan zeggen: Hij is opgestaan van de doden; het laatste bedrog zou nog erger zijn dan het eerste.
64Звели ж оце стерегти гроба до третього дня, щоб прийшовши ученики Його в ночі, не вкрали Його, й не сказали народові: Устав із мертвих; і буде остання омана гірша первої.
65Pilatus zeide tot hen: Gij hebt een wacht; gaat en bewaakt het graf, zoals het u goeddunkt.
65Сказав же їм Пилат: Маєте сторожу: йдїть забезпечте, як знаєте.
66Ze gingen dus heen, verzegelden de steen, en lieten het graf door de wacht bewaken.
66Вони ж, пійшовши, забезпечили гріб, запечатавши камінь, із сторожею.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.