Matteus 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nu sprak Jesus tot het volk en tot zijn leerlingen:
1Рече тодї Ісус до народу, та до учеників своїх,
2Op de zetel van Moses zitten de schriftgeleerden en farizeën.
2глаголючи: На Мойсейових сїдалищах посїдали письменники та Фарисеї.
3Onderhoudt en doet dus alles, wat ze u zeggen; maar handelt niet naar hun werken. Want ze zeggen het wel, maar ze doen het niet.
3Тим усе, що скажуть вам держати, держіть і робіть; по дїлам же їх не робіть: говорять бо, й не роблять.
4Ze binden zware en ondragelijke lasten bijeen, en leggen die op de schouders der mensen; maar zelf willen ze die met hun vinger niet aanraken.
4Вяжуть бо тяжкі оберемки, що важко носити, й кладуть людям на плечі; самі ж і пальцем своїм не хочуть двигнути їх.
5Al hun werken verrichten ze om door de mensen opgemerkt te worden; ze maken hun gebedsriemen breed, en hun mantelkwasten groot.
5Усї ж дїла свої роблять, щоб бачили їх люде: ширять филактериї свої, й побільшують поли в одежі своїй,
6Ze zijn op de eerste plaatsen bij feestmalen belust, op de eerste zetels in de synagogen,
6і люблять перші місця на бенкетах, і перші сїдання по школах,
7en op de begroetingen op de markt, en willen door de mensen rabbi worden genoemd.
7і витання на торгах, і щоб звали їх люде: Учителю, учителю.
8Neen, laat u geen rabbi noemen; want één is uw Meester, en allen zijt ge broeders.
8Ви ж не зовіть ся учителями, один бо ваш учитель — Христос; усї ж ви брати.
9Noemt ook niemand op aarde uw vader; want één is uw Vader, die in de hemelen is.
9І отця не звіть собі на землї, один бо Отець у вас, що на небі.
10Laat u ook niet leraars noemen; want één is uw Leraar, de Christus.
10І не звіть ся наставниками, один бо в вас наставник — Христос.
11De grootste onder u moet uw dienaar zijn.
11Більший же між вами нехай буде вам слугою.
12Maar wie zich verheft, zal worden vernederd; wie zich vernedert, zal worden verheven.
12Хто ж нести меть ся вгору, принизить ся, а хто принизить ся, пійде вгору.
13Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het rijk der hemelen sluit voor de mensen. Want gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan.
13Горе ж вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що зачиняєте царство небесне перед людьми; ви бо не входите, й тих, що входять, не пускаєте ввійти.
14Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het goed der weduwen verslindt onder het vertoon van lange gebeden. Daarom zult gij zo streng worden geoordeeld.
14Горе вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що жерете доми вдовиць, й задля виду довго молитесь; тим ще тяжчий приймете осуд.
15Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die land en zee doorkruist, om één enkelen bekeerling te maken; maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel, tweemaal erger dan gijzelf.
15Горе вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що проходите море й землю, щоб зробити одного нововірця, і коли станеть ся, робите його сином пекла, удвоє гіршим вас.
16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan is het niets; maar die zweert bij het goud van de tempel, is gebonden.
16Горе вам, проводирі слїпі, що кажете: Хто клясти меть ся церквою, нїчого; хто ж покленеть ся золотом церковним, винуватий!
17Dwazen en verblinden! Wat toch is meer, het goud of de tempel, waardoor het goud wordt geheiligd?
17Дурні й слїпі: що бо більше: золото, чи церква, що осьвячує золото?
18En: zweert men bij het altaar, dan is het niets; maar zweert men bij de offergave, die er op ligt, dan is men gebonden.
18І: Хто клясти меть ся жертівнею, нїчого; хто ж покленеть ся даром, що на нїй, винуватий.
19Verblinden! Wat toch is meer: de offergave of het altaar, waardoor de offergave wordt geheiligd?
19Дурні й слїпі: що бо більше: дар, чи жертівня, що осьвячує дар?
20Wie dus zweert bij het altaar, zweert bij dit en bij al wat er op ligt.
20Оце ж, хто кленеть ся жертівнею, кленеть ся нею і всїм, що зверху неї.
21En wie zweert bij de tempel, zweert bij deze en bij Hem, die er in woont.
21І хто кленеть ся церквою, кленеть ся нею й тим, що живе в нїй.
22En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon, en bij Hem, die erop is gezeten.
22І хто кленеть ся небом, кленеть ся престолом Божим і тим, хто сидить на нїм.
23Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die tienden betaalt van muntkruid, anijs en komijn; maar die nalatig zijt in het voornaamste deel van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en goede trouw. Dit moet men doen, en het andere niet laten.
23Горе вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що даєте десятину з мяти, й кропу, й кмину, а залишили важнїще в законї: суд, і милость, і віру. Се повинні були робити, да й того не залишати.
24Blinde leidslieden, die de mug uitzeeft, maar de kameel doorslokt.
24Проводирі слїпі, що відцїджуєте комара, верблюда ж глитаєте.
25Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die de beker en de schotel van buiten reinigt, terwijl ze van binnen vol schraapzucht en onmatigheid zijn.
25Горе вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що очищаєте зверху чашу й блюдо, у серединї ж повні вони здирства та неправди.
26Blinde farizeën; reinigt eerst de beker en de schotel van binnen, opdat ook de buitenkant rein moge worden.
26Фарисею слїпий, очисти перш середину чаші й блюда, щоб і верх їх став ся чистий.
27Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars. Want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi zijn, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei vuil.
27Горе вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що подобитесь гробам побіляним, що зверху являють ся гарними, в серединї ж повні кісток мертвих і всякої нечисти.
28Zo schijnt ook gij van buiten rechtvaardig voor het oog van de mensen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.
28Так і ви зверху являєтесь людям праведні, в серединї ж повні лицемірства та беззаконня.
29Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die grafsteden bouwt voor de profeten, de gedenktekens der rechtvaardigen versiert,
29Горе вам, письменники та Фарисеї, лицеміри! що будуєте гроби пророків та украшаєте памятники праведників,
30en zegt: Zo wij hadden geleefd in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel hebben gehad aan de moord der profeten.
30і мовляєте: Коли б ми були за часів батьків наших, не були б спільниками їх у крові пророків.
31Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
31Сим же сьвідкуєте самі на себе, що ви сини тих, що вбивали пророків.
32Welnu dan, maakt de maat uwer vaderen maar vol.
32І ви доповнюйте міру батьків ваших.
33Slangen, adderenbroed, hoe zult gij de helse verdoemenis ontkomen?
33Змії, кодло гадюче, як утїчете від суду пекольного?
34Ziet, daarom zend Ik tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen geselen in uw synagogen, en van stad tot stad achtervolgen,
34Тим же то ось я посилаю до вас пророків, і мудрцїв, і письменників, і одних з них повбиваєте та порозпинаєте, а инших бити мете по школах ваших, та гонити мете від города в город:
35opdat al het onschuldige bloed, dat op aarde is vergoten, over u moge komen: van het bloed van den rechtvaardigen Abel af, tot het bloed van Zakarias, den zoon van Barakias, dien gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
35щоб упала на вас уся кров праведна, пролита на землї від крові Авеля праведного до крові Захарії, сина Варахіїного, що вбили ви між церквою й жертівнею.
36Voorwaar, Ik zeg u: neerkomen zal dit alles op dit geslacht.
36Істино глаголю вам: Все те прийде на кодло се.
37Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt; maar gij hebt niet gewild.
37Єрусалиме, Єрусалиме, що повбивав єси пророків, і покаменував посланих до тебе! скільки раз хотїв я зібрати дїтей твоїх, як курка збирає курчат своїх під крила, й не схотїли!
38Zie, uw huis zal in puin blijven liggen.
38Оце ж оставляєть ся вам дом ваш пустий.
39En Ik zeg u: Van nu af zult gij Mij niet meer zien, totdat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
39Глаголю бо вам: Не побачите мене від нинї, аж поки скажете: Благословен грядущий в імя Господнє!
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.