Matteus 21
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Toen zij Jerusalem naderden, en te Bétfage bij de Olijfberg waren gekomen, zond Jesus twee leerlingen vooruit,
1А як зближались до Єрусалиму, й прийшли в Витфагию, до гори Оливної, послав тодї Ісус двох учеників,
2en zei tot hen: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt; terstond zult gij er een ezelin vinden, die is vastgebonden. met een veulen erbij; maakt ze los en brengt ze Mij.
2глаголючи їм: Ідїть у село, що перед вами, й зараз знайдете ослицю, привязану й осля з нею; одвязавши, приведїть менї.
3Zo iemand u een bemerking maakt, zegt hem dan: De Heer heeft ze nodig. En dadelijk zal hij ze laten gaan.
3І коли хто вам казати ме що, скажіть: Що Господеві треба їх; зараз же відпустить їх.
4Dit alles geschiedde, opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorspeld:
4Се ж усе сталось, щоб справдилось, що промовив пророк, глаголючи:
5“Zegt tot de dochter van Sion: Zie, uw Koning komt naar u toe, Zachtmoedig, op een ezel gezeten, Op een veulen, het jong van een lastdier.”
5Скажіть дочцї Сионській: Ось цар твій іде до тебе, тихий, сидячи на ослї й на ослятї, синові підяремної.
6De leerlingen gingen heen, en deden wat Jesus hun bevolen had.
6Пійшовши ж ученики, вчинили, як звелїв їм Ісус,
7Ze brachten de ezelin met het veulen mee, legden er hun mantels op, en Hij zette Zich daarop neer.
7і привели ослицю і осля, й положили на них одежу свою, та й посадили Його верх неї.
8Nu spreidde het talrijke volk zijn mantels uit over de weg; anderen sneden takken van de bomen, en strooiden ze op de weg.
8Пребагато ж народу простилали одежу свою по дорозї; инші ж різали віттє з дерева і встилали дорогу.
9En de scharen, die voorop gingen en volgden, riepen uit: Hosanna den Zoon van David; Gezegend die komt in de naam des Heren; Hosanna in den hogen!
9Народ же, що йшов попереду й позаду, покликував, говорячи: Осанна сину Давидовому: Благословен грядущий в імя Господнє; Осанна на вишинах.
10En toen Hij Jerusalem was binnengereden, kwam de hele stad in beroering, en men zeide: Wie is dat?
10А як увійшов Він у Єрусалим, здвигнувсь увесь город, говорячи: Хто се такий?
11De scharen antwoordden: Dat is Jesus, de profeet van Názaret in Galilea.
11Народ же казав: Се Ісус, пророк із Назарета Галилейського.
12Jesus trad de tempel binnen, dreef er allen uit, die in de tempel verkochten en kochten, en smeet de tafels van de wisselaars en de stoelen der duivenverkopers omver.
12І прийшов Ісус у церкву Божу, й повиганяв усїх, що продавали да торгували в церкві, й поперевертав столи в міняльників, і ослони в тих, що продавали голуби;
13Hij sprak tot hen: Er staat geschreven: “Mijn huis zal heten een huis van gebed; maar gij hebt er een rovershol van gemaakt”.
13і рече до них: Писано: Дом мій дом молитви звати меть ся; ви ж його зробили вертепом розбійників.
14En er kwamen blinden en kreupelen in de tempel naar Hem toe, en Hij genas ze.
14І приходили до Него в церкві слїпі й криві, і сцїляв їх.
15Toen de opperpriesters en schriftgeleerden de wonderen zagen die Hij verrichtte, en de knapen die in de tempel riepen: “Hosanna den Zoon van David”, werden ze verontwaardigd.
15Бачивши ж архиєреї та письменники чудеса, що Він робив, і хлопят, що покликували в церкві, й казали: Осанна сину Давидовому, розлютувались,
16Ze zeiden tot Hem: Hoort Gij niet, wat ze roepen? Jesus antwoordde hun: Zeker; hebt gij nooit gelezen: “Uit de mond van kind en zuigeling stemt Gij U een loflied aan?”
16і казали до Него: Чи чуєш, що оцї кажуть? Ісус же рече їм: Так. Хиба ви нїколи не читали: Що з уст немовляток і ссущих вирядив єси хвалу?
17Hij liet hen staan, ging de stad uit naar Betánië, en overnachtte daar.
17І, покинувши їх, вийшов осторонь із города в Витанию, й пробував там.
18Toen Hij de volgende morgen naar de stad terugkeerde, kreeg Hij honger.
18Уранцї ж, вертаючись у город, зголоднїв.
19Hij zag een vijgeboom langs de weg, en ging er heen; maar hij vond er niets dan bladeren aan. Hij sprak: Nooit in der eeuwigheid komen er nog vruchten aan u. Terstond verdorde de vijgeboom.
19І, побачивши одну смоківницю на дорозї, прийшов до неї, і нїчого не знайшов на нїй, тільки саме листє, і рече до неї: Щоб нїколи з тебе овощу не було до віку. І зараз усохла смоківниця.
20De leerlingen, die dit zagen, waren verwonderd, en zeiden: Hoe is de vijgeboom zo eensklaps verdord?
20І бачивши ученики Його, здивувались, кажучи: Як зараз усохла смоківниця!
21Jesus antwoordde hun: Voorwaar. Ik zeg u: Zo gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij dit niet alleen met de vijgeboom doen, maar zelfs als gij tot deze berg zult zeggen: “Hef u op en werp u in zee”, dan zal het gebeuren.
21Ісус же, озвавшись, рече до них: Істино глаголю вам: Коли б ви мали віру й не сумнились, ви б не тільки се смоківницї зробили, а коли б і сїй горі сказали: Двигнись і кинь ся в море; станеть ся;
22En al wat gij in uw gebed met geloof zult vragen, zult gij verkrijgen.
22і все, чого ви просити мете в молитві, віруючи, одержите.
23Toen Hij daarna in de tempel gekomen was, en daar leerde, traden de oversten der priesters en de oudsten van het volk op Hem toe, en zeiden: Met welk recht doet Gij dit alles; en wie heeft U dit recht gegeven?
23А як прийшов Він у церкву, поприходили до Него, навчаючого, архиєреї та старші людські, кажучи: Якою властю робиш се? й хто дав тобі сю власть?
24Jesus antwoordde hun: Ook Ik zal u een vraag stellen; zo gij er Mij op antwoordt, zal ook Ik u zeggen, met welk recht Ik dit alles doe.
24Ісус же, озвавшись, рече їм: Поспитаю вас і я про одну річ, про котру як скажете менї, то й я скажу вам, якою властю се роблю.
25Waar was het doopsel van Johannes vandaan; van de hemel of van de mensen? Ze overlegden bij zichzelf:
25Хрещеннє Йоанове звідкіля було: з неба, чи від людей? Вони ж міркували собі, говорячи: Коли скажемо: З неба, то скаже нам: Чом же ви не вірували йому?
26Als we zeggen: “van de hemel”, dan zal Hij ons toevoegen: “Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?” Zeggen we: “van de mensen”, dan hebben we het volk te vrezen: want allen houden Johannes voor een profeet.
26коли ж скажемо: Від людей, то боїмо ся народу; всї бо мають Йоана за пророка.
27Ze gaven dus Jesus ten antwoord: We weten het niet. Nu sprak Hij tot hen eveneens: Dan zeg Ik u evenmin, met welk recht Ik dit alles doe.
27І, озвавшись, сказали Ісусові: Не знаємо. Рече їм і Він: То й я не скажу вам, якою властю се роблю.
28Wat dunkt u? Iemand had twee zonen. Hij ging naar den eerste en sprak: Mijn zoon, ga vandaag in mijn wijngaard werken.
28Ви ж як думаєте? Чоловік мав двоє дїтей; і, прийшовши до одного, рече: Дитино, йди сьогоднї роби в винограднику моїм.
29Deze antwoordde: Ik ga, heer; maar hij ging niet.
29Він же, озвавшись, сказав: Не хочу; опісля ж, одумавшись, пійшов.
30Hij kwam bij den ander, en zei hetzelfde. Deze antwoordde: Ik wil niet; maar later kwam hij tot inkeer en ging.
30І, прийшовши до другого, рече так само. Він же, озвавшись, сказав: Ійду, Господи; та й не пійшов.
31Wie van de twee heeft de wil van zijn vader volbracht? Ze zeiden: De laatste. Jesus sprak tot hen: Voorwaar, Ik zeg u: De tollenaars en zondaressen zullen eerder in het rijk Gods binnengaan dan gij.
31Которий з двох уволив волю отця? Кажуть вони до Него: Первий. Рече їм Ісус: Істино глаголю вам: Що митники та блудницї попередять вас у царство Боже.
32Want Johannes kwam tot u langs de weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en zondaressen hebben hem wel geloofd. En zelfs toen gij dit hebt gezien, zijt gij nog niet tot inkeer gekomen, en in hem gaan geloven.
32Прийшов бо Йоан до вас дорогою правди, й не вірували йому; митники ж та блудницї вірували йому; ви ж, бачивши, не одумались навпослї, щоб вірувати йому.
33Luistert naar een andere gelijkenis: Er was een huisvader, die een wijngaard plantte; hij omringde hem met een muur, groef er een wijnpers in, en bouwde er een toren op. Daarna verpachtte hij hem aan landbouwers, en vertrok naar het buitenland.
33Иншої приповістї послухайте: Був один чоловік господар, що насадив виноградник, і обгородив його тином, і викопав у йому винотоку, й збудував башту, й вїддав його виноградарям, та й відїхав.
34Toen nu de tijd van de oogst was gekomen, zond hij zijn dienaars naar de landbouwers, om de hem verschuldigde vruchten in ontvangst te nemen.
34Як же наближила ся пора овощу, післав він слуги свої до виноградарів узяти овощі його.
35Maar de landbouwers grepen zijn dienaars vast; den een sloegen ze, een ander doodden, een derde stenigden ze.
35І, взявши виноградарі слуг його, одного побили, другого вбили, иншого ж укаменували.
36Weer zond hij andere dienaars, talrijker nog dan de vorige; en ze behandelden hen op dezelfde wijze.
36Знов післав він инші слуги, більш нїж перше, й зробили їм так само.
37Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen; want hij sprak: Voor mijn zoon zullen ze wel ontzag hebben.
37На останок же післав до них сина свого, кажучи: Посоромлять ся сина мого.
38Maar toen de landbouwers den zoon zagen komen, zeiden ze onder elkaar: Dat is de erfgenaam; komt, laten we hem doden; dan zullen wij zijn erfenis krijgen.
38Виноградарі ж, побачивши сина, казали між собою: Се наслїдник: ходїмо вбємо його, та й заберемо наслїддє його.
39Ze grepen hem vast, wierpen hem buiten de wijngaard, en doodden hem.
39І, взявши його, вивели геть з виноградника, та й убили.
40Wanneer nu de heer van de wijngaard terugkomt, wat zal hij dan met die landbouwers doen?
40Як же прийде пан виноградника, то що зробить він виноградарям тим?
41Ze zeiden: Hij zal de booswichten een schrikkelijke dood doen sterven, en zijn wijngaard aan andere landbouwers verpachten, die hem te rechter tijd de vruchten brengen.
41Кажуть вони до Него: Лютих люто погубить їх, а виноградник оддасть иншим виноградарям, що віддавати муть йому овощ пори своєї.
42Jesus sprak tot hen: Hebt gij niet in de Schriften gelezen: “De steen, die de bouwlieden hebben verworpen, Is de hoeksteen geworden; De Heer heeft het gedaan: Een wonder is het in onze ogen.”
42Рече до них Ісус: Хиба нїколи не читали в писаннях: Камінь, що відкинули будівничі, сей став ся головою угла. Від Господа стало ся се, й дивне воно в очах наших?
43Daarom zeg Ik u: Het rijk Gods zal u ontnomen worden, en aan een volk worden gegeven, dat er de vruchten van opbrengt.
43Тим я глаголю вам: Що віднїметь ся од вас царство Боже, й дасть ся народові, що робити ме овощі його.
44En wie valt op deze steen, zal worden verbrijzeld; en op wien hij valt, dien zal hij verpletteren.
44І хто впаде на сей камінь, розібєть ся; на кого ж він упаде, роздавить того.
45Toen de opperpriesters en de farizeën zijn gelijkenissen hoorden, begrepen ze, dat Hij hèn had bedoeld.
45І вислухавши архиєреї та Фарисеї приповісти його, догадались, що про них говорить.
46Ze zochten zich van Hem meester te maken, maar waren bang voor het volk; want men hield Hem voor een profeet.
46І, шукаючи вхопити Його, опасували ся народу; бо мав Його за пророка.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.