Matteus 26
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Nadat Jesus al deze toespraken geëindigd had, zeide Hij tot zijn leerlingen:
1І сталось, як скінчив Ісус, усї цї слова, рече до учеників своїх:
2Gij weet, dat het over twee dagen Pasen is; dan wordt de Mensenzoon overgeleverd, om gekruisigd te worden.
2Ви знаєте, що через два днї буде пасха, й Сина чоловічого видадуть на розпяттє.
3Toen vergaderden de opperpriesters en de oudsten van het volk in het paleis van den hogepriester, die Káifas heette.
3Тодї зібрались архиєреї, та письменники, та старші людські у двір до архиєрея, на прізвище Каяфи,
4Ze beraadslaagden, om Jesus met list gevangen te nemen en Hem te doden.
4і радились, щоб узяти Ісуса підступом і вбити.
5Maar ze zeiden: Niet op het feest; er mocht eens oproer komen onder het volk.
5Та казали: Тільки не в сьвято, щоб не було бучі між народом.
6Terwijl Jesus nu te Betánië was in het huis van Simon den melaatse,
6Як же був Ісус у Витанїї в господї в Симона прокаженого,
7kwam er een vrouw naar Hem toe, die een albasten kruik vol kostbare balsem droeg; ze goot die uit over zijn hoofd, terwijl Hij aanlag aan tafel.
7приступила до Него жінка, маючи посудинку предорогого мира, та й злила на голову Йому, як сидїв за столом.
8Toen de leerlingen dit zagen, werden ze verontwaardigd en zeiden: Waarom die verkwisting?
8Побачивши ж ученики Його, сердились, кажучи: На що така втрата?
9Men had dat toch duur kunnen verkopen, en het goed aan de armen kunnen geven.
9Можна бо було се миро продати дорого та дати вбогим.
10Jesus merkte het, en sprak: Waarom valt gij de vrouw lastig? Ze heeft immers een goed werk aan Mij gedaan.
10Зрозумівши ж Ісус, рече до них: Що ви смутите жінку? дїло бо добре вчинила на менї.
11Want de armen hebt gij altijd bij u; Mij niet.
11Всякого бо часу маєте вбогих із собою, мене ж не всякого часу маєте.
12Toen ze die balsem uitgoot over mijn lichaam, deed ze dat voor mijn begrafenis.
12Зливши бо вона миро се на тїло моє, на погребеннє моє зробила.
13Voorwaar, Ik zeg u: overal in heel de wereld, waar dit Evangelie wordt gepreekt, zal ook tot hare gedachtenis worden vermeld, wat ze gedaan heeft.
13Істино глаголю вам: Де б нї проповідувалась євангелия ся по всьому сьвіту, казати меть ся й те, що зробила оця, на спомин її.
14Toen ging één van de twaalf, Judas Iskáriot genaamd, naar de opperpriesters,
14Тодї, пійшовши один з дванайцятьох, на ймя Юда Іскариоцький, до архиєреїв,
15en sprak: Wat wilt gij me geven, als ik Hem aan u overlever? Ze beloofden hem dertig zilverlingen.
15каже: Що хочете дати менї, а я вам видам Його? Вони ж поставили йому трийцять срібняків.
16Van toen af zocht hij naar een gelegenheid, om Hem te verraden.
16І з того часу шукав нагоди, щоб Його видати.
17Op de eerste dag der ongedesemde broden kwamen de leerlingen bij Jesus, en zeiden: Waar wilt Gij, dat we U de toebereidselen maken, om het paasmaal te eten?
17У первий же день опрісночний приступили ученики до Ісуса, кажучи Йому: Де хочеш, щоб приготовили Тобі їсти пасху?
18Hij sprak: Gaat in de stad naar zeker iemand, en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij; bij u houd Ik met mijn leerlingen het paasmaal.
18Він же рече: Йдїть у город до оттакого, та скажіть йому: Учитель рече: Час мій близько; у тебе зроблю пасху з учениками моїми.
19En de leerlingen deden zoals Jesus hun had gelast, en maakten het paasmaal gereed.
19І зробили ученики, як повелїв їм Ісус; і приготовили пасху.
20Toen nu de avond was gevallen, lag Hij met zijn twaalf leerlingen aan tafel aan.
20Як же настав вечір, сїв Він за столом із дванайцятьма.
21En terwijl zij aten. zeide Hij: Voorwaar, Ik zeg u, één van u zal Mij verraden.
21І, як вони їли, рече: Істино глаголю вам, що один з вас зрадить мене.
22Nu werden ze diep bedroefd en vroegen Hem de een na den ander: Ben ik het, Heer?
22І, засумівши тяжко, почали говорити до Него кожен з них: Аже ж не я, Господи?
23Hij antwoordde: Wie de hand met Mij in de schotel steekt, die zal Mij verraden.
23Він же, озвавшись, рече: Хто вмочає зо мною руку в миску, той зрадить мене.
24De Mensenzoon gaat wel heen, zoals van Hem geschreven staat; maar wee den mens, door wien de Mensenzoon zal worden verraden! Het zou beter voor hem zijn, zo hij niet was geboren, die mens!
24Син чоловічий іде, як писано про Него; горе ж чоловікові тому, що Сина чоловічого зрадить! Добре було б йому, коли б не родив ся чоловік той.
25Toen nam Judas, die Hem verried, het woord en sprak: Ben ik het, Rabbi? Hij zei hem: Ge hebt het gezegd.
25Озвав ся ж Юда, зрадник Його, й каже: Аже ж не я, учителю? Рече до него: Ти сказав єси.
26Terwijl zij nu aten nam Jesus het brood, zegende het, brak het, gaf het zijn leerlingen en sprak: Neemt en eet, dit is mijn lichaam.
26Як же вони їли, взявши Ісус хлїб і поблагословивши, ламав, і давав ученикам, і рече: Прийміть, їжте: се єсть тїло моє.
27Daarna nam Hij de kelk, sprak een dankgebed uit, gaf hun de kelk, en zeide: Drinkt allen hieruit;
27І, взявши чашу, й оддавши хвалу, подав їм, глаголючи: Пийте з неї всї;
28want dit is mijn bloed van het Nieuwe Verbond, dat wordt vergoten voor velen tot vergiffenis der zonden.
28се бо єсть кров моя нового завіту, що за многих проливаєть ся на оставленнє гріхів.
29En Ik zeg u: Van nu af aan zal Ik deze vrucht van de wijnstok niet meer drinken, tot op de dag, waarop Ik ze hernieuwd met u zal drinken in het rijk van mijn Vader.
29Глаголю ж вам: Що не пити му від нинї з сього плоду винограднього аж до дня того, коли його пити му з вами новим у царстві Отця мого.
30En nadat zij de lofzang hadden gezongen, gingen zij naar de Olijfberg.
30І засьпівавши вони, вийшли на гору Оливну.
31Toen sprak Jesus tot hen: Deze nacht zult gij allen aan Mij worden geërgerd. Want er staat geschreven: “Ik zal den herder slaan, en de schapen der kudde zullen worden verstrooid.”
31Тодї рече до них Ісус: Всї ви поблазнитесь мною сієї ночи. Писано бо: Поражу пастиря, і розсиплють ся вівцї стада.
32Maar wanneer Ik verrezen zal zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.
32По воскресенню ж моїм попереджу вас у Галилею.
33Petrus antwoordde: Al werden ook allen aan U geërgerd. ik nooit!
33Озвав ся ж Петр і каже до Него: Хоч усї поблазнять ся Тобою, я нїколи не зблазнюсь.
34Jesus sprak tot hem: Voorwaar, Ik zeg u: Nog deze nacht, eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij driemaal verloochenen.
34Рече до него Ісус: Істино глаголю тобі: Що сієї ночі, перше нїж півень запіє, тричі відречеш ся мене.
35Petrus zeide Hem: Al moest ik zelfs met U sterven, verloochenen zal Ik U niet. Zo spraken ook de andere leerlingen.
35Каже Йому Петр: Хоч би менї з Тобою і вмерти, не відречусь Тебе. Так і всї ученики казали.
36Toen kwam Jesus met hen bij een landgoed, Getsémani genaamd. Nu zei Hij tot de leerlingen: Zet u hier neer, terwijl Ik ginds ga bidden.
36Тодї приходить з ними Ісус на врочище Гетсиман, і рече до учеників: Сидїть тут, поки, пійшовши, помолюсь оттам.
37Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeüs met zich mee, en begon bedroefd en angstig te worden.
37І взяв із собою Петра та двох синів Зеведєвих, і почав скорбіти та вдаватись у тугу.
38En Hij sprak tot hen: Mijn ziel is dodelijk bedroefd; blijft hier met Mij waken.
38Тодї рече до них: Тяжко сумна душа моя аж до смертї. Підождїть тут, і не спїте зо мною.
39Hij ging nog een weinig verder, viel biddend op zijn aangezicht neer, en sprak: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze kelk Mij voorbijgaan; maar niet zoals Ik wil, maar zoals Gij het wilt.
39І пройшовши трохи далїй, припав лицем своїм, молячись і глаголючи: Отче мій, коли можна, нехай мимо йде від мене чаша ся; тільки ж не як я хочу, а як Ти.
40Nu ging Hij naar zijn leerlingen terug, en vond ze in slaap. En Hij sprak tot Petrus: Kunt gij dan niet één uur met Mij waken?
40І приходить до учеників, і знаходить їх сплячих, і рече до Петра: Так не змогли ви однієї години попильнувати зо мною?
41Waakt en bidt, dat gij niet in bekoring komt. De geest is gewillig, maar het vlees is zwak.
41Пильнуйте та молїть ся, щоб не ввійшли в спокусу. Дух то охочий, тїло ж немошне.
42Opnieuw ging Hij heen, en bad: Mijn Vader, zo hij niet kan voorbijgaan, zonder dat Ik hem drink, dan geschiede Uw wil.
42Знов, удруге відійшовши, молив ся, глаголючи: Отче мій, як не може ся чаша мимо йти від мене, коли не пити му її, нехай станеть ся воля твоя.
43En weer kwam Hij terug, en vond ze in slaap; want hun ogen vielen toe.
43І, прийшовши, знаходить їх знов сплячих, були бо очі в них важкі.
44Nogmaals verliet Hij hen en ging heen, en bad voor de derde maal met dezelfde woorden.
44І, зоставивши їх, пійшов ізнов, і моливсь утретє, промовляючи те ж саме слово.
45Toen kwam Hij bij zijn leerlingen terug, en sprak tot hen: Slaapt nu voort, en rust uit; ziet, het uur is genaderd, waarop de Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der zondaars.
45Тодї приходить до учеників своїх, і рече їм: Спіть уже й спочивайте, ось настиг час, і Син чоловічий буде виданий у руки грішникам.
46Staat op, laat ons gaan; ziet, hij die Mij verraadt, is nabij.
46Уставайте, ходїмо: ось наближуєть ся зрадник мій.
47Terwijl Hij nog sprak, zie, daar kwam Judas, één van de twaalf, vergezeld van een grote bende, met zwaarden en stokken, uitgezonden door de opperpriesters en de oudsten van het volk.
47Ще він говорив, коли се Юда, один з дванайцяти, приходить, а з ним багато народу з мечами й дручєм, од архиєреїв та старших людських.
48De verrader had hun een teken gegeven en gezegd: Dien ik zal kussen. Hij is het; grijpt Hem vast.
48Зрадник же Його дав знак їм, кажучи: Кого я поцїлую, той і єсть він: беріть його.
49Haastig liep hij op Jesus toe, en sprak: Wees gegroet, Rabbi. En hij kuste Hem.
49І, зараз приступивши до Ісуса, каже: Радуй ся, учителю; та й поцїлував Його.
50Maar Jesus zeide hem: Vriend, waartoe zijt ge gekomen? Nu kwamen ze toegelopen, sloegen de hand aan Jesus, en grepen Hem vast.
50Ісус же рече йому: Друже, чого прийшов єси? Тодї, приступивши, наложили руки на Ісуса, та й узяли Його.
51En zie, een van Jesus’ gezellen strekte de hand uit, trok zijn zwaard, trof den knecht van den hogepriester, en sloeg hem het oor af.
51І ось один з тих, що з Ісусом, простягши руку, вихопив меча свого, й, вдаривши слугу архиєрейського, відтяв йому вухо.
52Jesus sprak tot hem: Steek uw zwaard op zijn plaats; want allen, die het zwaard trekken, zullen omkomen door het zwaard.
52Тодї рече до него Ісус: Верни меч твій в місце його: всї бо, що візьмуть ся за меч, од меча погинуть.
53Of meent ge, dat mijn Vader Mij niet aanstonds meer dan twaalf legioenen engelen zou zenden, als Ik Hem daarom bad.
53Або думаєш, що не міг би нинї вблагати Отця мого, й приставив би менї більш дванайцяти легионів ангелів?
54Maar hoe zullen dan de Schriften worden vervuld, die zeggen, dat het zó moet geschieden?
54Як же тодї справдились би писання, що так мусить статись?
55Nu sprak Jesus tot de bende: Gij zijt uitgetrokken als tegen een rover, met zwaarden en stokken, om Mij gevangen te nemen; dag aan dag zat Ik in de tempel te leren, en gij hebt Mij niet gegrepen.
55Тієї ж години рече Ісус до народу: Чи се як на розбійника вийшли ви з мечами та киями, брати мене? Щодня сидїв я в вас, навчаючи в церкві, і не брали мене.
56Maar dit alles is geschied, opdat de Schriften der profeten zouden worden vervuld. Toen verlieten Hem al zijn leerlingen, en namen de vlucht.
56Се ж усе стало ся, щоб справдились писання пророчі. Тодї всї ученики, покинувши Його, повтїкали.
57Zij, die Jesus hadden gegrepen, voerden Hem weg naar Káifas den hogepriester, waar de schriftgeleerden en oudsten waren vergaderd.
57Вони ж, узявши Ісуса, повели Його до Каяфи архиєрея, де письменники та старші зібрались.
58Petrus volgde Hem van verre, tot in de voorhof van den hogepriester; hij trad er binnen, en zette zich bij de dienaars neer, om de afloop te zien.
58Петр же йшов слїдом за Ним оддалеки до двору архиєрейського, і, ввійшовши в двір, сїв із слугами, щоб бачити конець.
59De opperpriesters en heel de Hoge Raad zochten naar een valse aanklacht tegen Jesus, om Hem ter dood te brengen.
59Архиєреї ж, і старші, і вся рада шукали кривого сьвідчення на Ісуса, щоб Його вбити,
60Maar ze vonden niets, ofschoon er veel valse getuigen waren gekomen. Eindelijk traden er twee naar voren,
60і не знайшли. І коли багато лжесьвідків поприходило, не знайшли. Опісля ж, приступивши два лжесьвідки,
61die zeiden: Hij heeft gezegd: Ik kan Gods tempel afbreken, en binnen drie dagen weer opbouwen.
61говорили: Сей казав: Я можу зруйнувати церкву Божу, й за три днї збудувати її.
62Toen stond de hogepriester op, en zeide: Antwoordt Gij niets op wat ze tegen U getuigen?
62І, вставши архиєрей, каже до Него: Нїчого не відказуєш, що сї проти Тебе сьвідкують?
63Maar Jesus zweeg. Nu sprak de hogepriester tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij de Christus zijt, de Zoon van God.
63Ісус же мовчав. І, озвавшись архиєрей, каже до Него: Заклинаю Тебе Богом живим, щоб сказав нам, чи Ти єси Христос, Син Божий?
64Jesus zeide hem: Ge hebt het gezegd. Maar Ik zeg ú: Van nu af aan zult gij den Mensenzoon gezeten zien aan de rechterhand van de Kracht, en Hem zien komen op de wolken des hemels.
64Рече йому Ісус: Ти сказав єси. Тільки ж глаголю вам: Від нинї побачите Сина чоловічого, по правицї сили, й грядущого на хмарах небесних.
65Toen scheurde de hogepriester zijn klederen, en zeide: Hij heeft God gelasterd; wat hebben we nog getuigen nodig? Ziet, nu hebt gij de godslastering gehoord.
65Тодї архиєрей роздер одежу свою, кажучи: Ось сказав хулу; на що нам іще сьвідків? Ось тепер чули хулу Його;
66Wat dunkt u? En ze antwoordden: Hij is des doods schuldig.
66як вам здаєть ся? Вони ж, озвавшись, сказали: Винен єсть смерти.
67Toen spuwden ze Hem in het gelaat, en gaven Hem vuistslagen; anderen sloegen Hem in het aangezicht,
67Тодї плювали в лице Йому, й били по щоках Його, і знущались із Него,
68en zeiden: Profeteer ons Christus: wie heeft U geslagen?
68кажучи: Проречи нам, Христе, хто се вдарив Тебе?
69Petrus dan zat buiten in de voorhof. Een dienstmeisje kwam naar hem toe, en zeide: Ook gij waart met Jesus, den Galileër.
69Петр же знадвору сидїв у дворі. І приступила до него одна дївчина, кажучи: І ти був з Ісусом Галилейським.
70Doch hij loochende het ten aanhoren van allen, en sprak: Ik begrijp niet wat ge zegt.
70Він же відрік ся перед усїма, кажучи: Не знаю, що говориш.
71Maar toen hij wegging naar de poort, zag hem een ander dienstmeisje, en ze sprak tot de aanwezigen: Ook deze was bij Jesus, den Nazarener.
71Як же вийшов він до воріт, побачила його друга, та й каже до тих, що там були: І сей був з Ісусом Назарейським.
72Nog eens loochende hij het met een eed: Ik ken den mens niet.
72І знов одрік ся він, кленучись: Що не знаю чоловіка.
73Kort daarna kwamen de omstanders naar Petrus toe, en zeiden hem: Zeker, ook gij zijt er een van; zelfs uw spraak doet u herkennen.
73Трохи ж згодом, приступивши ті, що стояли, кажуть Петрові: Справдї й ти єси з них, бо й твоя говірка виявляє тебе.
74Nu begon hij te vloeken en te zweren: Ik ken den mens niet. En aanstonds kraaide een haan.
74Тодї почав він проклинатись та клястись: Що не знаю чоловіка. І зараз півень запіяв.
75Toen dacht Petrus aan het woord, dat Jesus had gesproken: Eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij drie maal verloochenen. En hij ging naar buiten, en weende bitter.
75І згадав Петр слово Ісуса, промовлене до него: Що перше нїж півень запіє, тричі відречеш ся мене. І, вийшовши геть, плакав гірко.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.