Matteus 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Die dag verliet Jesus het huis, en zette Zich neer aan het meer.
1Тогож дня вийшов Ісус із господи, та й сїв край моря.
2En een talrijke menigte verzamelde zich om Hem heen, zodat Hij in een boot ging zitten, terwijl heel de menigte op de oever bleef staan.
2І зібралось до Него багато народу, так що Він увійшов у човен, та й сїв; а ввесь народ стояв на березї.
3En Hij sprak hun in gelijkenissen over vele dingen. Hij zeide: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
3І промовляв до него багато приповістями, глаголючи: Ото вийшов сїяч сїяти;
4En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; en de vogels uit de lucht kwamen, en pikten het op.
4і як він сїяв, инше впало край шляху, й прилетїло птаство, та й повизбирувало його.
5Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had. Aanstonds kwam het op, omdat het geen diepe aarde had;
5Инше ж упало на каменистому, де не мало землї багато, й зараз посходило, бо не мало глибокої землї;
6maar toen de zon was opgegaan, werd het verschroeid en verdorde, daar het geen wortel geschoten had.
6як же зійшло сонце, то й повяло воно, а, не мавши кореня, посохло.
7Een ander gedeelte viel tussen de doornen; de doornen schoten op, en verstikten het.
7А инше попадало між тернину, й тернина, розвившись, поглушила його.
8Een ander gedeelte viel op de goede aarde; en het droeg vrucht: honderd- zestig- dertigvoud.
8Инше ж упало на добру землю, і дало овощ, одно в сотеро, друге в шісьдесятеро, инше ж у трийцятеро.
9Wie oren heeft om te horen, hij hore.
9Хто має уші слухати, нехай слухає.
10Nu kwamen de leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
10І, приступивши ученики, казали до Него: На що ти глаголеш до них приповістями?
11Hij antwoordde hun: U is het gegeven, de geheimen van het rijk der hemelen te kennen; hun echter niet.
11Він же, озвавшись, рече до них: Вам дано знати тайни царства небесного, їм же не дано.
12Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook ontnomen worden, wat hij bezit.
12Хто бо має, тому дасть ся, й надто мати ме; а хто не має, в того візьметь ся й те, що має.
13Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen; omdat ze ziende zijn en toch niet zien, horende en toch niet horen noch verstaan.
13Тим я глаголю до них приповістями: бо, дивлячись, не бачять, і слухаючи, не чують, анї розуміють.
14In hen wordt de voorzegging van Isaias vervuld: Met de oren zult gij horen, en niet verstaan, En scherp zult gij zien, en niet inzien.
14І справджуєть ся на них пророцтво Ісаїї, що глаголе: Слухом слухати мете, та й не зрозумієте, й, дивлячись, бачити мете, та й не постережете.
15Want verstokt is het hart van dit volk, Hun oren zijn hardhorig, En hun ogen gesloten; Opdat ze niet zouden zien met de ogen, En horen met de oren, En verstaan met het hart; Opdat zij zich niet zouden bekeren, En Ik hen zou genezen.
15Затвердїло бо серце народу сього, й ушима тяжко чують, й очі свої вони заплющили, щоб инколи не побачити очима, й не почути ушима, й не зрозуміти серцем, і не навернутись, щоб сцїлив я їх.
16Maar gelukkig zijn uw ogen, omdat ze zien; en uw oren, omdat ze horen.
16Ваші ж очі блаженні, бо бачять, і уші ваші, бо чують.
17Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
17Істино бо глаголю вам: Що многі пророки й праведники бажали бачити, що ви бачите, та й не бачили; й чути, що ви чуєте, та й не чули.
18Hoort gij dus, wat de gelijkenis van den zaaier betekent:
18Оце ж послухайте приповістї про сїяча.
19Als iemand het woord over het koninkrijk hoort en het niet wil verstaan, dan komt de boze en rooft weg, wat in zijn hart is gezaaid; dat is wat langs de weg is gezaaid.
19Коли хто чує слово царства, й не зрозуміє, приходить лукавий, та й хапає, що посїяно у него в серцї. Се — засїяний край шляху.
20En wat op de steengrond gezaaid werd is hij, die het woord verneemt en het terstond met vreugde aanvaardt;
20А засїяний на каменистому, се той, що чує слово, й зараз приймає його з радостю:
21hij heeft echter geen wortel geschoten, maar is onstandvastig; en als er verdrukking of vervolging ontstaat om wille van het woord, is hij aanstonds geërgerd.
21тільки же не має він кореня в собі, він до часу; як настане горе або гоненнє за слово, зараз блазнить ся.
22Wat in de doornen gezaaid werd, is hij, die wel luistert naar het woord; maar de beslommering van de wereld en het bedriegelijke van de rijkdom verstikken het woord. en het blijft zonder vrucht.
22А засїяний в тернинї, се той, що чує слово, та журба віку сього і омана богацтва глушить слово, й робить ся безʼовочним.
23Maar wat op de goede aarde gezaaid werd, is hij, die het woord verneemt en begrijpt, en die ook vruchten draagt; bij den een geeft het een honderd-, bij een ander een zestig-, bij een derde een dertigvoud.
23Засїяний же на добрій землї, се той, що чує слово й розуміє, й дає овощ; і родить одно в сотеро, друге в шістьдесятеро, инше ж у трийцятеро.
24Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en Hij sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een man, die goed zaad op zijn akker zaaide.
24Ще иншу приповість подав їм, глаголючи: Уподобилось царство небесне чоловікові, що сїє добре насїннє на ниві своїй;
25Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid onder de tarwe, en ging heen.
25як же люде спали, прийшов ворог його, й насїяв куколю між пшеницю, та й пійшов.
26Toen nu het graan was opgeschoten en vrucht had gezet, vertoonde zich ook het onkruid.
26Як же зійшов засїв, та принїс овощ, показавсь тодї й кукіль.
27Nu kwamen de dienaars van den heer des huizes, en zeiden: Heer, hebt ge geen goed zaad op uw akker gezaaid; waar komt dan het onkruid vandaan?
27І прийшли слуги господаря того, та й кажуть йому: Пане, хиба ти не добре насїннє сїяв на твоїй ниві? Звідкіля ж узяв ся кукіль?
28Hij zei hun: Een vijandig mens heeft dit gedaan. De dienaars zeiden tot hem: Wilt ge dus, dat we het gaan uitwieden?
28Він же рече їм: Се зробив чоловік ворог. Слуги ж сказали йому: Чи хочеш, щоб ми пійшли та випололи його?
29Maar hij antwoordde: Neen; want bij het uitwieden van het onkruid, zoudt gij ook de tarwe kunnen uittrekken.
29Він же рече: Нї, щоб виполюючи кукіль, разом з ним і пшеницї не повиривали.
30Laat beide opgroeien tot de oogst; in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bussels, om het te verbranden, maar brengt de tarwe in mijn schuur. —
30Нехай ростуть обоє до жнив, а в жнива я скажу женцям: Зберіть перш кукіль та повяжіть у снопи, щоб спалити, а пшеницю зложіть у клунї в мене.
31Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide.
31Иншу приповість подав їм, глаголючи: Царство небесне подібне зерну горчицї, що, взявши чоловік, посїяв на ниві своїй.
32Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het is opgewassen is het groter dan het tuingewas, en wordt het een boom, zodat de vogels in de lucht in zijn takken komen nestelen. —
32Найдрібнїще воно між усяким насїннєм; як же виросте, то стане найбуйнїщим між яриною, і зробить ся деревом, так що птаство небесне прилїтає кублитись між гіллєм його.
33Nog een andere gelijkenis sprak Hij tot hen: Het rijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw onder drie maten meel mengde, totdat het meel geheel was gegist.
33Иншу приповість сказав їм, глаголючи: Царство небесне подібне квасу, що жінка візьме та й рощинить ним три мірки борошна (муки), поки все вкисне.
34Dit alles zeide Jesus tot de menigte in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij hun niet toe;
34Все це говорив Ісус людям приповістями, а без приповістей не говорив їм:
35opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorzegd: “Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, en openbaren, wat verborgen was van de grondvesting der wereld af.”
35щоб справдилось, що сказав пророк, глаголючи: Одкрию в приповістях уста мої, промовлю втаєне від настання сьвіта.
36Toen Hij de menigte had laten gaan, keerde Hij naar huis terug. Nu kwamen zijn leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.
36Тодї одіслав Ісус людей та й пійшов до дому; і приступили до Него ученики Його, говорячи: Виясни нам приповість про кукіль на ниві.
37Hij antwoordde hun: Die het goede zaad uitzaait, is de Mensenzoon;
37Він же, озвавшись, рече їм: Сїючий добре насїннє, се Син чоловічий;
38de akker is de wereld; het goede zaad zijn de kinderen van het rijk; het onkruid zijn de kinderen van den boze;
38а нива, се сьвіт; добре ж насїнне, се сини царства; а кукіль, се сини лукавого;
39de vijand, die het zaaide, is de duivel; de oogst is het einde der wereld; de maaiers zijn de engelen.
39ворог, що всїяв його, се диявол; жнива, се конець сьвіта; а женцї, се ангели.
40Zoals dus het onkruid verzameld en in het vuur wordt verbrand, zo zal het ook geschieden aan het einde der wereld.
40Оце ж, як той кукіль збираєть ся та палить ся огнем, так буде при кінцї сьвіта сього:
41De Mensenzoon zal zijn engelen zenden. Ze zullen uit zijn rijk alle ergernisgevers verzamelen, en hen die ongerechtigheid plegen,
41Пошле Син чоловічий ангели свої, й позбирають вони з царства Його все, що блазнить, і всїх, що роблять беззаконнє,
42en ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
42та й повкидають їх ув огняну піч: там буде плач і скреготаннє зубів.
43Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in het rijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, hij hore.
43Тодї праведні сияти муть, як сонце в царстві Отця свого. Хто має уші слухати, нехай слухає.
44Het rijk der hemelen is gelijk aan een schat, die in de akker begraven is. De man, die hem vindt, verbergt hem; en vol vreugde daarover gaat hij alles verkopen, wat hij bezit, en koopt die akker.
44Знов, царство небесне подібне скарбу, закопаному на ниві: що, знайшовши його чоловік, приховав, і, радїючи, йде та й продає все, що має, та й купує ту ниву.
45Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone paarlen zocht.
45Знов, царство небесне подібне чоловікові купцеві, що шукає добрих перел;
46Toen hij een kostbare parel had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat, en kocht haar.
46і знайшовши він одну перлу дорогоцїнну, пійшов та й продав усе, що мав, та й купив її.
47Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een net, dat in de zee wordt uitgeworpen, en waarmee allerlei soort van vis wordt gevangen.
47Знов, царство небесне подібне неводові, що закинуто в море, й що зайняв усячини;
48Toen het vol was, trok men het op het strand, zette zich neer, en zocht de goede vissen uit om ze in vaten te doen, maar de slechte gooide men weg.
48як же став повен, то витягли його на беріг, і посїдавши, вибрали, що добре, у посуд, а що погане, те геть повикидали.
49Zo zal het ook gaan aan het einde der wereld. De engelen zullen uitgaan, en de bozen van de rechtvaardigen scheiden.
49Так буде й при кінцї сьвіту: вийдуть ангели, та й повідлучають лихих зміж праведних,
50En zij zullen ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
50та й повкидають їх ув огняну піч: там буде плач і скреготаннє зубів.
51Hebt gij dit alles begrepen? Ze zeiden Hem: Ja. En Hij zei hun:
51І рече Ісус до них: Чи зрозуміли це все? Кажуть вони Йому: Так, Господи.
52Zo is iedere schriftgeleerde, die onderwezen is in het rijk der hemelen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn brengt.
52Він же рече їм: Тим же то кожен письменник, навчений про царство небесне, подібен чоловікові господареві, що виносить із свого скарбу нове й старе.
53Toen Jesus met deze gelijkenissen ten einde was, ging Hij heen.
53І сталось, як скінчив Ісус оцї приповістї, пійшов ізвідтіля.
54Nadat Hij in zijn vaderstad was gekomen, onderrichtte Hij hen in hun synagoge. zodat ze verbaasd waren en zeiden: Waar heeft Hij die wijsheid en wonderkracht vandaan?
54І, прийшовши у свою країну, навчав їх у школї їх, так що вони дивувались і казали: Звідкіля в Сього така премудрість і сила?
55Is Hij niet de zoon van den timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers niet Jakobus, Josef, Simon en Judas?
55Хиба Він не син теслї? хиба не Його мати зветь ся Мария? а брати Його Яков, та Йосій, та Симон, та Юда?
56En leven zijn zusters niet allen onder ons? Waar heeft Hij dan dit alles vandaan?
56хиба не Його сестри між нами? Звідкіля ж се все в Него?
57En ze ergerden zich aan Hem. Maar Jesus zeide hun: Een profeet wordt enkel in zijn geboortestad en in zijn eigen familie miskend.
57І поблазнились Ним. Ісус же рече до них: Не є пророк без чести, хиба що в своїй отчинї та в своїй домівцї.
58En om hun ongeloof deed Hij er maar weinig wonderen.
58І не зробив там многих чудес через недовірство їх.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.