Matteus 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Die dag verliet Jesus het huis, en zette Zich neer aan het meer.
1The same day Jesus going out of the house, sat by the sea side.
2En een talrijke menigte verzamelde zich om Hem heen, zodat Hij in een boot ging zitten, terwijl heel de menigte op de oever bleef staan.
2And great multitudes were gathered unto him, so that he went up into a boat and sat: and all the multitude stood on the shore.
3En Hij sprak hun in gelijkenissen over vele dingen. Hij zeide: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
3And he spoke to them many things in parables, saying: Behold the sower went forth to sow.
4En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; en de vogels uit de lucht kwamen, en pikten het op.
4And whilst he soweth some fell by the way side, and the birds of the air came and ate them up.
5Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had. Aanstonds kwam het op, omdat het geen diepe aarde had;
5And other some fell upon stony ground, where they had not much earth: and they sprung up immediately, because they had no deepness of earth.
6maar toen de zon was opgegaan, werd het verschroeid en verdorde, daar het geen wortel geschoten had.
6And when the sun was up they were scorched: and because they had not root, they withered away.
7Een ander gedeelte viel tussen de doornen; de doornen schoten op, en verstikten het.
7And others fell among thorns: and the thorns grew up and choked them.
8Een ander gedeelte viel op de goede aarde; en het droeg vrucht: honderd- zestig- dertigvoud.
8And others fell upon good ground: and they brought forth fruit, some an hundredfold, some sixtyfold, and some thirtyfold.
9Wie oren heeft om te horen, hij hore.
9He that hath ears to hear, let him hear.
10Nu kwamen de leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
10And his disciples came and said to him: Why speakest thou to them in parables?
11Hij antwoordde hun: U is het gegeven, de geheimen van het rijk der hemelen te kennen; hun echter niet.
11Who answered and said to them: Because to you it is given to know the mysteries of the kingdom of heaven: but to them it is not given.
12Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook ontnomen worden, wat hij bezit.
12For he that hath, to him shall be given, and he shall abound: but he that hath not, from him shall be taken away that also which he hath.
13Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen; omdat ze ziende zijn en toch niet zien, horende en toch niet horen noch verstaan.
13Therefore do I speak to them in parables: because seeing they see not, and hearing they hear not, neither do they understand.
14In hen wordt de voorzegging van Isaias vervuld: Met de oren zult gij horen, en niet verstaan, En scherp zult gij zien, en niet inzien.
14And the prophecy of Isaias is fulfilled in them, who saith: By hearing you shall hear, and shall not understand: and seeing you shall see, and shall not perceive.
15Want verstokt is het hart van dit volk, Hun oren zijn hardhorig, En hun ogen gesloten; Opdat ze niet zouden zien met de ogen, En horen met de oren, En verstaan met het hart; Opdat zij zich niet zouden bekeren, En Ik hen zou genezen.
15For the heart of this people is grown gross, and with their ears they have been dull of hearing, and their eyes they have shut: lest at any time they should see with their eyes, and hear with their ears, and understand with their heart, and be converted, and I should heal them.
16Maar gelukkig zijn uw ogen, omdat ze zien; en uw oren, omdat ze horen.
16But blessed are your eyes, because they see, and your ears, because they hear.
17Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
17For, amen, I say to you, many prophets and just men have desired to see the things that you see, and have not seen them, and to hear the things that you hear and have not heard them.
18Hoort gij dus, wat de gelijkenis van den zaaier betekent:
18Hear you therefore the parable of the sower.
19Als iemand het woord over het koninkrijk hoort en het niet wil verstaan, dan komt de boze en rooft weg, wat in zijn hart is gezaaid; dat is wat langs de weg is gezaaid.
19When any one heareth the word of the kingdom, and understandeth it not, there cometh the wicked one, and catcheth away that which was sown in his heart: this is he that received the seed by the way side.
20En wat op de steengrond gezaaid werd is hij, die het woord verneemt en het terstond met vreugde aanvaardt;
20And he that received the seed upon stony ground, is he that heareth the word, and immediately receiveth it with joy.
21hij heeft echter geen wortel geschoten, maar is onstandvastig; en als er verdrukking of vervolging ontstaat om wille van het woord, is hij aanstonds geërgerd.
21Yet hath he not root in himself, but is only for a time: and when there ariseth tribulation and persecution because of the word, he is presently scandalized.
22Wat in de doornen gezaaid werd, is hij, die wel luistert naar het woord; maar de beslommering van de wereld en het bedriegelijke van de rijkdom verstikken het woord. en het blijft zonder vrucht.
22And he that received the seed among thorns, is he that heareth the word, and the care of this world and the deceitfulness of riches choketh up the word, and he becometh fruitless.
23Maar wat op de goede aarde gezaaid werd, is hij, die het woord verneemt en begrijpt, en die ook vruchten draagt; bij den een geeft het een honderd-, bij een ander een zestig-, bij een derde een dertigvoud.
23But he that received the seed upon good ground, is he that heareth the word, and understandeth, and beareth fruit, and yieldeth the one an hundredfold, and another sixty, and another thirty.
24Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en Hij sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een man, die goed zaad op zijn akker zaaide.
24Another parable he proposed to them, saying: The kingdom of heaven is likened to a man that sowed good seeds in his field.
25Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid onder de tarwe, en ging heen.
25But while men were asleep, his enemy came and oversowed cockle among the wheat and went his way.
26Toen nu het graan was opgeschoten en vrucht had gezet, vertoonde zich ook het onkruid.
26And when the blade was sprung up, and had brought forth fruit, then appeared also the cockle.
27Nu kwamen de dienaars van den heer des huizes, en zeiden: Heer, hebt ge geen goed zaad op uw akker gezaaid; waar komt dan het onkruid vandaan?
27And the servants of the goodman of the house coming said to him: Sir, didst thou not sow good seed in thy field? whence then hath it cockle?
28Hij zei hun: Een vijandig mens heeft dit gedaan. De dienaars zeiden tot hem: Wilt ge dus, dat we het gaan uitwieden?
28And he said to them: An enemy hath done this. And the servants said to him: Wilt thou that we go and gather it up?
29Maar hij antwoordde: Neen; want bij het uitwieden van het onkruid, zoudt gij ook de tarwe kunnen uittrekken.
29And he said: No, lest perhaps gathering up the cockle, you root up the wheat also together with it.
30Laat beide opgroeien tot de oogst; in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bussels, om het te verbranden, maar brengt de tarwe in mijn schuur. —
30Suffer both to grow until the harvest, and in the time of the harvest I will say to the reapers: Gather up first the cockle, and bind it into bundles to burn, but the wheat gather ye into my barn.
31Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide.
31Another parable he proposed unto them, saying: The kingdom of heaven is like to a grain of mustard seed, which a man took and sowed in his field.
32Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het is opgewassen is het groter dan het tuingewas, en wordt het een boom, zodat de vogels in de lucht in zijn takken komen nestelen. —
32Which is the least indeed of all seeds; but when it is grown up, it is greater than all herbs, and becometh a tree, so that the birds of the air come, and dwell in the branches thereof.
33Nog een andere gelijkenis sprak Hij tot hen: Het rijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw onder drie maten meel mengde, totdat het meel geheel was gegist.
33Another parable he spoke to them: The kingdom of heaven is like to leaven, which a woman took and hid in three measures of meal, until the whole was leavened.
34Dit alles zeide Jesus tot de menigte in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij hun niet toe;
34All these things Jesus spoke in parables to the multitudes: and without parables he did not speak to them.
35opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorzegd: “Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, en openbaren, wat verborgen was van de grondvesting der wereld af.”
35That it might be fulfilled which was spoken by the prophet, saying: I will open my mouth in parables, I will utter things hidden from the foundation of the world.
36Toen Hij de menigte had laten gaan, keerde Hij naar huis terug. Nu kwamen zijn leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.
36Then having sent away the multitudes, he came into the house, and his disciples came to him, saying: Expound to us the parable of the cockle of the field.
37Hij antwoordde hun: Die het goede zaad uitzaait, is de Mensenzoon;
37Who made answer and said to them: He that soweth the good seed, is the Son of man.
38de akker is de wereld; het goede zaad zijn de kinderen van het rijk; het onkruid zijn de kinderen van den boze;
38And the field, is the world. And the good seed are the children of the kingdom. And the cockle, are the children of the wicked one.
39de vijand, die het zaaide, is de duivel; de oogst is het einde der wereld; de maaiers zijn de engelen.
39And the enemy that sowed them, is the devil. But the harvest is the end of the world. And the reapers are the angels.
40Zoals dus het onkruid verzameld en in het vuur wordt verbrand, zo zal het ook geschieden aan het einde der wereld.
40Even as cockle therefore is gathered up, and burnt with fire: so shall it be at the end of the world.
41De Mensenzoon zal zijn engelen zenden. Ze zullen uit zijn rijk alle ergernisgevers verzamelen, en hen die ongerechtigheid plegen,
41The Son of man shall send his angels, and they shall gather out of his kingdom all scandals, and them that work iniquity.
42en ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
42And shall cast them into the furnace of fire: there shall be weeping and gnashing of teeth.
43Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in het rijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, hij hore.
43Then shall the just shine as the sun, in the kingdom of their Father. He that hath ears to hear, let him hear.
44Het rijk der hemelen is gelijk aan een schat, die in de akker begraven is. De man, die hem vindt, verbergt hem; en vol vreugde daarover gaat hij alles verkopen, wat hij bezit, en koopt die akker.
44The kingdom of heaven is like unto a treasure hidden in a field. Which a man having found, hid it, and for joy thereof goeth, and selleth all that he hath, and buyeth that field.
45Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone paarlen zocht.
45Again the kingdom of heaven is like to a merchant seeking good pearls.
46Toen hij een kostbare parel had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat, en kocht haar.
46Who when he had found one pearl of great price, went his way, and sold all that he had, and bought it.
47Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een net, dat in de zee wordt uitgeworpen, en waarmee allerlei soort van vis wordt gevangen.
47Again the kingdom of heaven is like to a net cast into the sea, and gathering together of all kind of fishes.
48Toen het vol was, trok men het op het strand, zette zich neer, en zocht de goede vissen uit om ze in vaten te doen, maar de slechte gooide men weg.
48Which, when it was filled, they drew out, and sitting by the shore, they chose out the good into vessels, but the bad they cast forth.
49Zo zal het ook gaan aan het einde der wereld. De engelen zullen uitgaan, en de bozen van de rechtvaardigen scheiden.
49So shall it be at the end of the world. The angels shall go out, and shall separate the wicked from among the just.
50En zij zullen ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
50And shall cast them into the furnace of fire: there shall be weeping and gnashing of teeth.
51Hebt gij dit alles begrepen? Ze zeiden Hem: Ja. En Hij zei hun:
51Have ye understood all these things? They say to him: Yes.
52Zo is iedere schriftgeleerde, die onderwezen is in het rijk der hemelen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn brengt.
52He said unto them: Therefore every scribe instructed in the kingdom of heaven, is like to a man that is a householder, who bringeth forth out of his treasure new things and old.
53Toen Jesus met deze gelijkenissen ten einde was, ging Hij heen.
53And it came to pass: when Jesus had finished these parables, he passed from thence.
54Nadat Hij in zijn vaderstad was gekomen, onderrichtte Hij hen in hun synagoge. zodat ze verbaasd waren en zeiden: Waar heeft Hij die wijsheid en wonderkracht vandaan?
54And coming into his own country, he taught them in their synagogues, so that they wondered and said: How came this man by this wisdom and miracles?
55Is Hij niet de zoon van den timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers niet Jakobus, Josef, Simon en Judas?
55Is not this the carpenter’s son? Is not his mother called Mary, and his brethren James, and Joseph, and Simon, and Jude:
56En leven zijn zusters niet allen onder ons? Waar heeft Hij dan dit alles vandaan?
56And his sisters, are they not all with us? Whence therefore hath he all these things?
57En ze ergerden zich aan Hem. Maar Jesus zeide hun: Een profeet wordt enkel in zijn geboortestad en in zijn eigen familie miskend.
57And they were scandalized in his regard. But Jesus said to them: A prophet is not without honour, save in his own country, and in his own house.
58En om hun ongeloof deed Hij er maar weinig wonderen.
58And he wrought not many miracles there, because of their unbelief.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.