Matteus 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Douay-Rheims Bible, American Edition (1899)
1Terzelfder tijd kwamen de leerlingen bij Jesus en zeiden: Wie is wel de grootste in het rijk der hemelen?
1At that hour the disciples came to Jesus, saying: Who thinkest thou is the greater in the kingdom of heaven?
2Jesus riep een kind naar Zich toe, plaatste het in hun midden.
2And Jesus calling unto him a little child, set him in the midst of them,
3en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.
3And said: Amen I say to you, unless you be converted, and become as little children, you shall not enter into the kingdom of heaven.
4Wie zich dus vernederen zal als dit kind, zal de grootste zijn in het rijk der hemelen.
4Whosoever therefore shall humble himself as this little child, he is the greater in the kingdom of heaven.
5En wie zulk een kind opneemt in mijn naam, neemt Mij op.
5And he that shall receive one such little child in my name, receiveth me.
6Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken.
6But he that shall scandalize one of these little ones that believe in me, it were better for him that a millstone should be hanged about his neck, and that he should be drowned in the depth of the sea.
7Wee de wereld om de ergernis. Zeker, het kan wel niet anders, of er moet ergernis komen; maar wee den mens, door wien de ergernis komt.
7Woe to the world because of scandals. For it must needs be that scandals come: but nevertheless woe to that man by whom the scandal cometh.
8Welnu, zo uw hand of voet u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want het is beter voor u, verminkt of kreupel het Leven binnen te gaan, dan met twee handen of twee voeten geworpen te worden in het eeuwige vuur.
8And if thy hand, or thy foot scandalize thee, cut it off, and cast it from thee. It is better for thee to go into life maimed or lame, than having two hands or two feet, to be cast into everlasting fire.
9En zo uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het weg; want het is beter voor u, met één oog het Leven binnen te gaan, dan met twee ogen geworpen te worden in het helse vuur.
9And if thy eye scandalize thee, pluck it out, and cast it from thee. It is better for thee having one eye to enter into life, than having two eyes to be cast into hell fire.
10Zorgt er voor, dat gij geen van deze kleine gering acht; want Ik zeg u: Hun engelen in de hemel zien altijd het aanschijn van mijn Vader, die in de hemel is.
10See that you despise not one of these little ones: for I say to you, that their angels in heaven always see the face of my Father who is in heaven.
11-
11For the Son of man is come to save that which was lost.
12Wat dunkt u? Zo iemand honderd schapen heeft, en een daarvan van is verdwaald, laat hij dan niet de negen en negentig in het gebergte achter, om het éne te gaan zoeken, dat verdwaald is?
12What think you? If a man have an hundred sheep, and one of them should go astray: doth he not leave the ninety-nine in the mountains, and go to seek that which is gone astray?
13En zo hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u: Hij verheugt zich over dat éne meer, dan over de negen en negentig, die niet zijn verdwaald.
13And if it so be that he find it: Amen I say to you, he rejoiceth more for that, than for the ninety-nine that went not astray.
14Zó is het ook de wil van uw Vader, die in de hemel is, dat géén van deze kleinen verloren gaat.
14Even so it is not the will of your Father, who is in heaven, that one of these little ones should perish.
15Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben.
15But if thy brother shall offend against thee, go, and rebuke him between thee and him alone. If he shall hear thee, thou shalt gain thy brother.
16Luistert hij niet naar u, neem dan nog één of twee personen mee, opdat door de mond van twee of drie getuigen de zaak haar beslag krijgt.
16And if he will not hear thee, take with thee one or two more: that in the mouth of two or three witnesses every word may stand.
17Luistert hij ook niet naar hen, zeg het dan aan de Kerk; zo hij zelfs naar de Kerk niet luistert, dan zij hij u als een heiden en een tollenaar.
17And if he will not hear them: tell the church. And if he will not hear the church, let him be to thee as the heathen and publican.
18Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat gij zult binden op aarde, zal ook gebonden zijn in de hemel; en alles wat gij ontbinden zult op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.
18Amen I say to you, whatsoever you shall bind upon earth, shall be bound also in heaven; and whatsoever you shall loose upon earth, shall be loosed also in heaven.
19Nog zeg Ik u: Zo twee van u op aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, dan zullen ze het verkrijgen van mijn Vader, die in de hemel is.
19Again I say to you, that if two of you shall consent upon earth, concerning any thing whatsoever they shall ask, it shall be done to them by my Father who is in heaven.
20Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.
20For where there are two or three gathered together in my name, there am I in the midst of them.
21Nu kwam Petrus naar Hem toe, en sprak: Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven, die tegen mij misdoet? Tot zeven keer toe?
21Then came Peter unto him and said: Lord, how often shall my brother offend against me, and I forgive him? till seven times?
22Jesus zei hem: Niet tot zeven keer toe, zeg Ik u; maar tot zeventig maal zeven keer.
22Jesus saith to him: I say not to thee, till seven times; but till seventy times seven times.
23Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaars.
23Therefore is the kingdom of heaven likened to a king, who would take an account of his servants.
24Toen hij met de afrekening was begonnen, bracht men er een binnen, die hem tienduizend talenten schuldig was.
24And when he had begun to take the account, one was brought to him, that owed him ten thousand talents.
25Daar hij niets had om te betalen, beval zijn meester, hemzelf te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles, wat hij bezat, en zó de schuld te vereffenen.
25And as he had not wherewith to pay it, his lord commanded that he should be sold, and his wife and children and all that he had, and payment to be made.
26Maar de knecht viel hem smekend te voet, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.
26But that servant falling down, besought him, saying: Have patience with me, and I will pay thee all.
27De heer had medelijden met dien knecht, liet hem gaan, en schold hem de schuld kwijt.
27And the lord of that servant being moved with pity, let him go and forgave him the debt.
28Maar toen die knecht was heengegaan, ontmoette hij een zijner medeknechten, die hem honderd tienlingen schuldig was; hij greep hem tot worgens toe bij de keel, en zeide: Betaal me wat ge schuldig zijt.
28But when that servant was gone out, he found one of his fellow servants that owed him an hundred pence: and laying hold of him, throttled him, saying: Pay what thou owest.
29Zijn medeknecht viel hem smekend te voet, en sprak: Heb geduld met mij, en ik zal u betalen.
29And his fellow servant falling down, besought him, saying: Have patience with me, and I will pay thee all.
30De ander wilde dit niet, maar ging heen, en liet hem in de kerker werpen, totdat hij de schuld zou hebben betaald.
30And he would not: but went and cast him into prison, till he paid the debt.
31Toen nu zijn medeknechten zagen wat er gebeurd was, werden ze diep bedroefd, en gingen hun meester alles vertellen.
31Now his fellow servants seeing what was done, were very much grieved, and they came and told their lord all that was done.
32Nu liet zijn heer hem roepen, en zei tot hem: Boze knecht, die hele schuld schold ik u kwijt, omdat ge het mij hebt gevraagd;
32Then his lord called him; and said to him: Thou wicked servant, I forgave thee all the debt, because thou besoughtest me:
33moest ook gij u dan niet ontfermen over uw medeknecht, zoals ikzelf mij over u heb ontfermd.
33Shouldst not thou then have had compassion also on thy fellow servant, even as I had compassion on thee?
34En in zijn toorn leverde de heer hem aan de beulen over, totdat hij de hele schuld zou hebben voldaan.
34And his lord being angry, delivered him to the torturers until he paid all the debt.
35Zo zal ook mijn hemelse Vader met u handelen, als gij niet allen uw broeder van harte vergeeft.
35So also shall my heavenly Father do to you, if you forgive not every one his brother from your hearts.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.