Matteus 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Terzelfder tijd kwamen de leerlingen bij Jesus en zeiden: Wie is wel de grootste in het rijk der hemelen?
1AYO na tiempo, manmato y disipulo sija gui as Jesus, ya ilegñija: Jaye mas dangculo gui raenon langet?
2Jesus riep een kind naar Zich toe, plaatste het in hun midden.
2Ya jaagang si Jesus un patgon, ya japolo gui entaloñija,
3en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.
3Ya ilegña: Magajet jusangane jamyo, yaguin ti inbira jamyo, ya ti infanjuyong calang, y diquique na famaguon, sen ti infanjalom gui raenon langet.
4Wie zich dus vernederen zal als dit kind, zal de grootste zijn in het rijk der hemelen.
4Ya jayeja y umumitde calang este na patgon, este uguefdangculo gui raenon langet.
5En wie zulk een kind opneemt in mijn naam, neemt Mij op.
5Ya jayeja y rumesibe un patgon, parejo yan este, pot y naanjo, jaresibeja yo locue.
6Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken.
6Lao jayeja y munamatompo uno güine gui estesija mandiquique ni y jumonggue yo, mas mauleg umagode gui agagaña y dangculo na molinon acho, ya umayute gui anae tadodong y tase.
7Wee de wereld om de ergernis. Zeker, het kan wel niet anders, of er moet ergernis komen; maar wee den mens, door wien de ergernis komt.
7Ayay y tano pot y tinempo sija! sa nesesita na ufato y tinempo sija, lao, ayay ayo na taotao, y uminafato y tinempo.
8Welnu, zo uw hand of voet u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want het is beter voor u, verminkt of kreupel het Leven binnen te gaan, dan met twee handen of twee voeten geworpen te worden in het eeuwige vuur.
8Enao mina yaguin y canaemo, pat y adengmo, unninaquepodongjao, utut ya unnajanao guiya jago: sa maulegña na unqueyaojao, pat mangcojao, ya unjalom gui linâlâmo, qui uguaja dos canaemo, yan dos adengmo, ya unmapolo gui taejinecog na guafe.
9En zo uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het weg; want het is beter voor u, met één oog het Leven binnen te gaan, dan met twee ogen geworpen te worden in het helse vuur.
9Yaguin y atadogmo unninaquepodongjao, chule ya unnajanao guiya jago; sa maulegña na unjalom gui linâlâmo yan un atadog, qui uguaja dos atadogmo, ya unmapolo gui guafen sasalaguan.
10Zorgt er voor, dat gij geen van deze kleine gering acht; want Ik zeg u: Hun engelen in de hemel zien altijd het aanschijn van mijn Vader, die in de hemel is.
10Atan ya chamiyo dumesprenesia uno güine gui estesija y mandiquique; sa guajo sumangane jamyo, na y angjetñija gui langet, siesiempreja jaliliija y matan y Tatajo ni y gaegue gui langet.
11-
11(Sa y Lajin taotao mato para usatba y manmalingo.)
12Wat dunkt u? Zo iemand honderd schapen heeft, en een daarvan van is verdwaald, laat hij dan niet de negen en negentig in het gebergte achter, om het éne te gaan zoeken, dat verdwaald is?
12Jafa jinasonmimiyo? Yaguin guaja un taotao na gaega siento na quinilo, ya finalingaeguan uno: Ada ti upolo y noventa y nueve gui jalomtano, ya ujanao ya ujaligao ayo y malingo?
13En zo hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u: Hij verheugt zich over dat éne meer, dan over de negen en negentig, die niet zijn verdwaald.
13Yanguin jasoda, magajet jusangane jamyo, na magofña ni ayo, qui y noventa y nueve ni y ti manmalingo.
14Zó is het ook de wil van uw Vader, die in de hemel is, dat géén van deze kleinen verloren gaat.
14Taegüineja, ti minalago Tatanmiyo ni y gaegue gui langet, na uguaja malingo uno güine gui estesija y mandiquique.
15Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben.
15Yaguin y chelumo inisagüejao, janao, ya unsangane ni y linachiña, jamyoja na dos; yanguin inecungogjao, ungana y chelumo.
16Luistert hij niet naar u, neem dan nog één of twee personen mee, opdat door de mond van twee of drie getuigen de zaak haar beslag krijgt.
16Lao, yaguin ti jaecungogjao, fangone gachongmo uno, pat dos, sa para y pachot dos pat tres na testigo, ucabales todo y sinangan.
17Luistert hij ook niet naar hen, zeg het dan aan de Kerk; zo hij zelfs naar de Kerk niet luistert, dan zij hij u als een heiden en een tollenaar.
17Yanguin ti jaecungog sija, sangane y inetnon mangilisyano; lao yaguin ti malago jaecungog y inetnon mangilisyano, güiya para jago parejo yan un taotaojuyong pat publicano.
18Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat gij zult binden op aarde, zal ook gebonden zijn in de hemel; en alles wat gij ontbinden zult op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.
18Magajet jusangane jamyo, na todo y inguede gui tano, ufanmagode locue gui langet: ya todo y inpila gui tano, ufanmapula locue gui langet.
19Nog zeg Ik u: Zo twee van u op aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, dan zullen ze het verkrijgen van mijn Vader, die in de hemel is.
19Jusangane jamyo talo, na yaguin dos guiya jamyo inguaja un corason gui jilo tano, pot jafa na güinaja ni ingagao; umafatinas para sija, pot y Tatajo na gaegue gui langet.
20Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.
20Sa manoja nae guaja dos pat tres, na mandadaña pot y naanjo, gaegue yo güije gui entaloñija.
21Nu kwam Petrus naar Hem toe, en sprak: Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven, die tegen mij misdoet? Tot zeven keer toe?
21Ayo nae si Pedro mato guiya güiya ya ilegña: Señot, cuanto biaje juasie y chelujo yaguin jaisagüeyo? asta siete biaje?
22Jesus zei hem: Niet tot zeven keer toe, zeg Ik u; maar tot zeventig maal zeven keer.
22Si Jesus ilegña nu güiya: Ti jualog sieteja na biaje, lao, asta setenta na siete.
23Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaars.
23Enao mina y raenon langet, parejoja yan un ray, na malago na ufatinas cuentas yan y tentagoña sija.
24Toen hij met de afrekening was begonnen, bracht men er een binnen, die hem tienduizend talenten schuldig was.
24Ya anae jatutujon fumatinas y cuentas sija, maconiegüe guato, uno na mandidibe dies mit talento.
25Daar hij niets had om te betalen, beval zijn meester, hemzelf te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles, wat hij bezat, en zó de schuld te vereffenen.
25Lao anae güiya ti siña jaapase, y amuña manago na umabende güe, yan y asaguaña, yan y famaguonña, yan todo y güinajaña, ya umaapasegüe.
26Maar de knecht viel hem smekend te voet, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.
26Ayo na tentago, dumimo papa ya tinayuyutgüe, ilegña: Señot, gaesiningon nu guajo, ya juapasejao todo.
27De heer had medelijden met dien knecht, liet hem gaan, en schold hem de schuld kwijt.
27Y amon ayo na tentago, ninagosmaase, ya pinelogüe, ya inasie ni y dibiña.
28Maar toen die knecht was heengegaan, ontmoette hij een zijner medeknechten, die hem honderd tienlingen schuldig was; hij greep hem tot worgens toe bij de keel, en zeide: Betaal me wat ge schuldig zijt.
28Ya jumanao ayo na tentago, ya umasoda yan uno gui mangachongña na dinidibegüe cien pesetas; ya jamantiene güe ya jañucut, ya ilegña: Apaseyo todo ni dibimo.
29Zijn medeknecht viel hem smekend te voet, en sprak: Heb geduld met mij, en ik zal u betalen.
29Ayo nae y gachongña dumimo papa, ya tinayuyutgüe ilegña: Gaesiningon nu guajo, ya juapasejao.
30De ander wilde dit niet, maar ging heen, en liet hem in de kerker werpen, totdat hij de schuld zou hebben betaald.
30Lao güiya ti malago, ya mapos ya pinelo gui catset asta qui uinapase ni y dibiña.
31Toen nu zijn medeknechten zagen wat er gebeurd was, werden ze diep bedroefd, en gingen hun meester alles vertellen.
31Ya anae malie ni y mangachongña, jafa y susede, ninafangostriste, ya manmato, ya masangane y amuñija y susede.
32Nu liet zijn heer hem roepen, en zei tot hem: Boze knecht, die hele schuld schold ik u kwijt, omdat ge het mij hebt gevraagd;
32Ayo nae y amuña inagang güe, ya ilegña: Taelayejao na tentago. Juasiijao todo ni y dibimo, sa untayuyutyo:
33moest ook gij u dan niet ontfermen over uw medeknecht, zoals ikzelf mij over u heb ontfermd.
33Ada locue ti ninamaase jao ni y gachongmo, calang y maasejo nu jago?
34En in zijn toorn leverde de heer hem aan de beulen over, totdat hij de hele schuld zou hebben voldaan.
34Ayo nae y amuña ninalalalo, ya inentrega güe gui mansasapet, asta qui uapase todo y dinidibegüe.
35Zo zal ook mijn hemelse Vader met u handelen, als gij niet allen uw broeder van harte vergeeft.
35Taegüenaoja locue ufatinas nu jamyo y Tatajo ni gaegue gui langet, yaguin ti inasie gui corasonmiyo cada uno gui chelonmiyo nu y dibiña.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.