Matteus 6
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Zorgt er voor, dat gij uw gerechtigheid niet beoefent voor het oog van de mensen, om door hen gezien te worden; anders zult gij geen loon ontvangen bij uw Vader, die in de hemel is.
1ADAJE ya chamiyo fumatitinas y limosnanmiyo gui menan y taotao sija, para infanlinie; sa yaguin ti taegüenao, taya premionmiyo gui tatanmiyo ni gaegue gui langet.
2Wanneer ge dus een aalmoes geeft, laat het dan niet voor u uitbazuinen, zoals de huichelaars dit doen in de synagogen en op de straten, om geëerd te worden door de mensen; voorwaar, Ik zeg u: Ze hebben hun loon reeds ontvangen.
2Yaguin unfatitinas y limosnamo, chamo na catitiye trompeta gui menamo taegüije y jafatitinas y hipocrita sija gui sinagoga, yan y plasa para uguaja minalagñija nu y taotao sija. Magajet jusangane jamyo na esta guaja premioñija.
3Maar als gij een aalmoes geeft, laat dan uw linkerhand niet weten wat uw rechterhand doet,
3Lao jago, yaguin unfatitinas y limosnamo, chamo natutungo y canaemo acagüe jafa checho y canaemo agapa.
4opdat uw aalmoes verborgen blijft; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.
4Para ugaegue y limosnamo gui secreto, sa y tatamo ni jalilie gui secreto, güiya umapase jao gui publico.
5En als gij bidt, doet dan niet als de schijnheiligen, die er van houden, in de synagogen en op de hoeken der straten te staan bidden, om door de mensen gezien te worden; voorwaar, Ik zeg u: Ze hebben hun loon ontvangen.
5Ya yaguin manaetaejao, munga taegüije y hipocrita, sa sija yanñija manmanaetae gui sinagoga yan y esquinan chalan manotojgue para ufanmalie nu y taotao sija. Magajet na esta guaja premioñija.
6Maar als gij bidt, ga dan uw binnenkamer in, sluit de deur, en bid uw Vader in het verborgen; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.
6Lao jago, yaguin manaetaejao, jalom gui aposentomo, ya juchum y pettamo, ya taetaye y tatamo ni y gaegue gui secreto; sa y tatamo ni y jalilie gui secreto, güiya umapase jao gui publico.
7Als gij bidt, gebruikt dan geen stortvloed van woorden, zoals de heidenen dit doen; want ze menen, dat ze om hun vele woorden worden verhoord.
7Yan manaetaejao chamo sumasangan un sinangan megae na biaje na taebale, taegüije y Gentiles; jinasoñija na ufanmajungog pot y megae sinanganñija.
8Doet niet zoals zij; want uw Vader weet, wat gij nodig hebt, vóórdat gij er Hem om vraagt.
8Chamiyo fumatitinas taegüije iya sija; sa y tatanmiyo jatungoja jafa innesesita antes qui ingagao güe.
9Zó zult gij dus bidden: Onze Vader, die in de hemel zijt: Uw naam worde geheiligd.
9Lao an manmanaetae jamyo taegüine: Tatanmame na gaegue jao gui langet: umatuna y naanmo.
10Uw rijk kome. Uw wil geschiede op aarde, zoals in de hemel.
10Umamaela y raenomo, umafatinas y minalagomo jaftaemano gui langet taegüijija gui tano;
11Geef ons heden ons dagelijks brood.
11Naejam pago nu y cada jaane na agonmame;
12En vergeef ons onze schuld, zoals ook wij aan anderen hun schuld vergeven.
12Ya asiijam nu y dibenmame, taegüije yan inasisie y dumidibejam sija;
13En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van het kwade.
13Ya chamojam pumópolo na infanbasnag gui tentasion, lao nafanlibrejam nu y taelaye; sa iyomo y raeno, yan y ninasiña, yan y minalag para taejinecog na jaane; Amen.
14Want zo gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven.
14Sa yaguin inasie y umisagüe jamyo: maninasiija locue jamyo as tatanmiyo ni gaegue gui langet.
15Maar vergeeft gij aan de mensen niet, dan zal uw Vader ook uw fouten niet vergeven.
15Lao yaguin ti unasie ayo sija y umisagüe jamyo, ti infaninasie locue ni tatanmiyo nu y isaomiyo.
16Wanneer gij vast, trekt dan geen somber gezicht zoals de huichelaars; want ze verwringen hun gelaat, opdat de mensen hun vasten zouden zien. Voorwaar, Ik zeg u: Ze hebben hun loon al ontvangen.
16Yaguin umayuyunatjao, munga taegüije y hipocrita nu y triste na mata, jaago y matañija, para ufanmatungo ni taotao sija na manayunat. Magajet jusangane jamyo, na esta guaja premioñija.
17Maar als gij vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht,
17Lao jago, yaguin umayunat jao, palalae y ilumo, ya unfagase y matamo;
18opdat de mensen uw vasten niet merken, maar uw Vader, die in het verborgen is; en uw Vader, die in het verborgen ziet, zal het u vergelden.
18Para munga malilie nu y taotao sija na umayuyunat jao, lao si tatamoja ni y gaegue gui secreto; ya si tatamo, ni jalilie gui secreto, güiya uninapase gui publico.
19Verzamelt u geen schatten op aarde, waar roest en worm ze verteren, en waar dieven ze opgraven en stelen.
19Chamiyo fannanaetnon güinaja para jamyo gui tano, mano nae y poliya yan y lamas uyinamag, yan y saque sija uyulang yan uchule;
20Maar verzamelt u schatten in de hemel, waar roest noch worm ze verteren, en waar geen dieven ze opgraven en stelen.
20Lao fannaetnon güinaja para jamyo gui langet, mano nae ni y poliya ni y lamas ti uyinamag, ya ni y saque sija ti uyulang yan ti uchule.
21Want waar uw schat is, daar is ook uw hart.
21Sa manoja nae gaegue y güinajanmiyo, ayoja nae gaegue locue y corasonmiyo.
22Het oog is de lamp van het lichaam. Als uw oog goed is, zal heel uw lichaam verlicht zijn.
22Y candet y tataotao y atadog; yaguin y gasgas atadogmo, todo y tataotaomo ubula y manana.
23Maar deugt uw oog niet, dan zal heel uw lichaam in het duister zijn. Zo dus het licht, dat in u is, duisternis wordt, hoe groot dan zal die duisternis zijn!
23Lao yaguin y taelaye na atadogmo, todo y tataotaomo jomjom, Sa yaguin y manana ni y gaegue guiya jago jomjom, jafa na gosdangculo na jinemjom!
24Niemand kan twee heren dienen; hij zal of den een haten en den ander beminnen, of den een aanhangen en den ander verachten. Gij kunt God niet dienen en de mammon.
24Taya ni uno siña sumetbe dos amo; sa jachatlie y uno, ya jaguflie y otro; pat jadalalag y uno ya jadespresia y otro. Ti siña jamyo insetbe si Yuus yan y güinaja.
25Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd voor uw leven, wat gij zult eten of drinken; noch voor uw lichaam, waarmee gij u zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam niet meer dan de kleding?
25Enao mina jusangane jamyo: Chamiyo fanmanjajaso pot y jaaninmiyo; jafa para incano, pat jafa para inguimen; ni pot para innaminagago y tataotaomiyo. Ada ti bale mas y linâlâmo qui y nengcano, yan y tataotaomo qui y magago?
26Ziet de vogels in de lucht; ze zaaien noch maaien, en verzamelen niet in schuren; en toch voedt ze uw hemelse Vader.
26Atanja y pajaro gui langet; ti manmanananon, ni ti manmangongoco, ni ti manmanrecocoje jalom gui camalin; sa si tatamoja gui langet munafañochocho. Ada ti mangaebalotña jamyo qui sija?
27Zijt gij niet meer waard dan zij? En wie van u kan door zijn tobben een el toevoegen aan zijn levensweg?
27Ya jaye guiya jamyo, yaguin manjaso, siña jataluye y linecaña un codo?
28En wat zijt gij over kleding bekommerd? Denkt aan de lelies op het veld, hoe ze groeien; ze werken niet, en spinnen niet.
28Ya jafa jamyo na manmanjajaso pot magago? Jasoja y lirio sija gui fangualuan, jaftaemano manlâlâñiñija; ti manmachochocho ya ti manmajijila.
29En toch zeg Ik u, dat zelfs Sálomon in al zijn heerlijkheid niet gekleed was als een van deze.
29Lao jusangane jamyo, na si Salomon yan todo y minalagña, ti minagago parejo yan uno güine sija.
30Als God nu het kruid op het veld, dat vandaag nog bestaat en morgen in de oven wordt geworpen, zó aankleedt, hoeveel te meer dan u, kleingelovigen?
30Yanguin si Yuus janaminagago y chaguan gui fangualuan; sa pago gaegue, ya agupa machule ya mapolo gui jetno, ada ti mas jamyo inninaminagago, taotao jamyo na didide jinengguenmiyo?
31Weest dus niet bezorgd, en zegt niet: wat zullen we eten, of wat zullen we drinken, of waarmee zullen we ons kleden?
31Enao mina, chamiyo jumajaso umalog: Jafajit tacano, pat jafajit taguimen, pat jafajit magaguta?
32Hiernaar toch vragen de heidenen; uw hemelse Vader weet, dat gij dit allemaal nodig hebt.
32Sa todo este sija na güinaja, jaaliligao y Gentiles; ya y tatanmiyo gui langet jatungoja na innesesita todo este sija na güinaja.
33Maar zoekt eerst het rijk Gods en zijn gerechtigheid, en dit alles zal u worden geschonken als toegift.
33Lao aligao fenena y raenon Yuus, yan y tininasña; ya despues todo este sija na güinaja infanmataluye.
34Weest dus niet bekommerd voor de dag van morgen. Want de dag van morgen zal bezorgd zijn voor zichzelf; iedere dag heeft genoeg aan zijn eigen leed.
34Chamiyo jumajaso y para agupa, sa y para agupa güiyaja güe ujaso. Basta para y cada y jaane y inalulaye.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.