Matteus 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Chamorro: Gospels, Acts and Psalms
1Nadat Jesus de lessen voor zijn twaalf leerlingen had geëindigd, ging Hij heen, om te leren en te preken in hun steden.
1YA anae munjayan jatago si Jesus y dose disipuluña, jumanao para ufamanagüe, yan usetmom gui siudañija.
2Toen Johannes in de gevangenis de werken van Christus vernam, liet hij Hem door zijn leerlingen vragen:
2Anae jajungog si Juan, gui guima presuña, y finatinas Jesucristo; jatago. dos gui disipuluña,
3Zijt Gij het, die komen moet, of moeten we een ander verwachten?
3Ya ilegña: Jago ayo y para ufato pat infanmannanggajam otro?
4Jesus antwoordde hun:Gaat en bericht aan Johannes, wat gij hoort en ziet.
4Ya manope si Jesus ilegña: Janao ya innatungo si Juan todo ni y liniimiyo yan y jiningogmiyo.
5Blinden zien en kreupelen gaan, melaatsen worden gereinigd en doven horen, doden verrijzen en aan armen wordt het evangelie verkondigd.
5Y bachet manmanlie, y mancojo manmamocat, y manategtog mangasgas, y mananga manmanjungog: y manmatae manafangajulo ya y mamoble manmasangane ni y evangelio.
6Zalig is hij, die zich niet ergert aan Mij.
6Ya dichoso y ti sumasoda lugat para umatompo guiya guajo.
7Toen ze waren heengegaan, begon Jesus tot de menigte over Johannes te spreken: Wat zijt gij in de woestijn gaan zien? Een riet, dat door de wind wordt bewogen?
7Anae manmapos sija, jatutujon si Jesus sumangan si Juan gui linajyan taotao. Jafa injanagüe jamyo para inlie gui desierto? un trongcon piao na ninamayeyengyong ni y manglo?
8Neen; wat zijt gij gaan zien? Een mens, in zachte kleren gedost? Zie, die in zachte kleren gedost gaan, zijn in de paleizen der koningen.
8Pat, jafa injanagüe jamyo para inlie? un taotao na minagagon fino na magago? Estagüe, sija y manminagagon fino na magago, mangaegue gui guima y ray sija.
9Waarom zijt ge dan uitgelopen? Om een profeet te zien? Ja, zeg Ik u, en meer dan een profeet.
9Lao pot jafa injanagüe jamyo? Para inlie un profeta? Junggan, jusangane jamyo, mas qui y profeta.
10Hij is het, van wien geschreven staat: “Zie, Ik zend mijn gezant voor U uit, Die U de weg zal bereiden.”
10Sa este yuje y munjayan matugue: Estagüe na junajanao y taotao y tinagojo gui menan matamo, para ufamauleg y chalanmo gui menamo.
11Voorwaar, Ik zeg u: Onder de kinderen der vrouwen is er geen opgestaan, die groter was dan Johannes de Doper; toch is de kleinste in het rijk der hemelen groter dan hij.
11Magajet jusangane jamyo, na ti ucajulo gui entalo y manmafañañago gui famalaoan, uno mas dangculo qui si Juan Bautista; lao y mas diquique gui raenon langet mas dangculo qui güiya.
12Van de dagen van Johannes den Doper tot heden toe wordt het rijk der hemelen met geweld bestormd, en de bestormers nemen het weg.
12Ya desde y jaanin Juan Bautista asta pago, y raenon langet gaeninasiña; ya y manmatatnga sija uamot.
13Alle profeten en de Wet, tot Johannes toe, hebben het voorzegd;
13Sa todo y profeta sija, yan y lay, japrofetisa asta si Juan.
14en zo gij het wilt verstaan: hijzelf is de Elias, die komen moet.
14An manmalago jamyo inresibe; güiya si Ilias ni y umamaela.
15Wie oren heeft om te horen, hij hore.
15Y gaetalanga para unfanjungog, güiya ujungog.
16Doch waarmee zal Ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk aan kinderen, die op de markt zitten, en hun makkers toeroepen:
16Lao jaye nae juacompara este na rasa? Manparejo yan y famaguon ni manmatatachong gui plasa ya jaagang y mangachongñija,
17We hebben voor u op de fluit gespeeld, En gij hebt niet gedanst; We hebben een treurlied gezongen, En gij hebt niet geschreid.
17Ya ilegñija: Indandane jamyo flauta, ya ti manbaela jamyo, manuugong jamyo lao ti manatanges jamyo.
18Want Johannes kwam; hij at noch dronk, en ze zeggen: Hij is van den duivel bezeten.
18Sa mato si Juan ya ti chumocho ni gunimen, ya ilegñija: Gaeanite güe.
19De Mensenzoon kwam; Hij at en dronk, en ze zeggen: Ziet wat een gulzigaard, wat een wijndrinker, wat een vriend van tollenaars en zondaars. Maar de wijsheid wordt door haar werken gerechtvaardigd.
19Ya mato y Lajin taotao ya chumocho yan gumimen, ya ilegñija: Estagüe un taotao na gachumocho, yan gagumimem, amigon y publicano sija yan y manisao; lao y tiningo manacabales ni y finatinasña.
20Toen begon Hij de steden, waarin de meeste zijner wonderen waren gebeurd, te verwijten, dat ze zich niet hadden bekeerd.
20Ayo nae jatutujon lumalalatde y siuda sija nae guinin jafatinas sumenmegae na namanman Sa ti manmanjonggue, ilegña:
21Wee u, Korazin, wee u, Betsáida; want zo in Tyrus en Sidon de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, dan zouden ze al lang in zak en as boete hebben gedaan.
21Ayjao, Corasin! Ayjao, Betsaida! sa yaguin iya Tiro yan Sidon nae mafatinas ayo y mannamanman ni y mafatinas guiya jamyo, esta jagas manmañotsot gui silisio yan apo.
22Maar Ik zeg u: Voor Tyrus en Sidon zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor u.
22Lao guajo sumangane jamyo, na mas songunon Tiro yan Sidon qui para jamyo gui jaanin y sentensia.
23En gij Kafárnaum, zult ge tot de hemel toe worden verheven? Tot in de hel zult ge zinken; want zo in Sódoma de wonderen waren gebeurd, die in u zijn geschied, het zou zijn blijven bestaan tot op de huidige dag.
23Ya jago, Capernaum, ni y jagas manataquito jao asta y langet; unmayute jao papa sasalaguan; sa yaguin iya Sodoma nae mojon mafatinas todo ayo y mannamanman ni jagas mafatinas guiya jago, mangagaegueja mojon asta pago na jaane.
24Maar Ik zeg u: Voor het land van Sódoma zal het dragelijker zijn op de oordeelsdag dan voor u.
24Lao guajo sumangane jamyo; na y mas songunon tano Sodoma, qui para jago gui jaanin y sentensia.
25In die tijd nam Jesus het woord, en sprak: Ik dank U, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en aan kleinen geopenbaard.
25Ayo na tiempo nae, manope si Jesus ilegña: Grasias junaejao, Tata, Señot y langet yan y tano, sa unnafanatog estesija gui manmalate yan manmejnalom, ya unfanue y famaguon.
26Ja, Vader, zo is uw welbehagen geweest.
26Taegüenaoja Tata: sa taegüenao y mauleg gui liniimo.
27Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. En niemand kent den Zoon, dan de Vader alleen; en niemand kent den Vader, dan de Zoon alleen, en hij, aan wien de Zoon het openbaren wil.
27Todo y güinaja jaentrega yo si Tata; ya taya tumungo y Lajiña na si Tataja: ni taya tumungo, si Tata na y lajiñaja, ya ayoja y lajiña malagoña unafanungo.
28Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u verkwikken.
28Maela guiya guajo todo y manyayas, yan y menoson, ya guajo junafandescansa.
29Neemt mijn juk op, en leert van Mij, omdat Ik zachtmoedig ben en nederig van harte; dan vindt gij rust voor uw zielen.
29Polo y yugojo gui jilomiyo, ya infaneyag guiya guajo, sa guajo manso yan umitde gui corasonjo; ya infanmañoda descanso para y antinmiyo.
30Want mijn juk is zacht, mijn last is licht.
30Sa y yugojo mañana, ya y catgaco ñajlalang.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.