Matteus
Chapter 18
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Meriam Mir Gospels

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1Terzelfder tijd kwamen de leerlingen bij Jesus en zeiden: Wie is wel de grootste in het rijk der hemelen?
1Abele baua ge Iesu ra kaimeg giz abim tabakeuare, kega, Nete aule kotor baselaia ge?
2Jesus riep een kind naar Zich toe, plaatste het in hun midden.
2Ege Iesu dabgiri abele kebi uerem, a abi ekueilu uiaba opem,
3en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.
3A uiaba kega, Ageakar kaka uabi detager, Ese uaba nole depegeli a ko mokakalam kebile ise, umer kak uaba bao abele kotor baselaia ge.
4Wie zich dus vernederen zal als dit kind, zal de grootste zijn in het rijk der hemelen.
4Dasmer, ese le tababu gebgeb mokakalam abele kebi uerem ike, E aule kotor baselaia ge.
5En wie zulk een kind opneemt in mijn naam, neemt Mij op.
5Ese nerute lo egaret abele kebile mokakalam kara nei ge, E kari nagaret.
6Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken.
6Ese nerute le dedkoli nerute uiabim kebi kale kari oituli, debele abele le didibari etatimir au baker abara pereg, a gurim batimed au muimui karem ge.
7Wee de wereld om de ergernis. Zeker, het kan wel niet anders, of er moet ergernis komen; maar wee den mens, door wien de ergernis komt.
7Uaiai abele gesep ge gaire lu dedkoli! abelelam mena tabarki gaire lu dedkoli; epe uaiai abim le dedkoli tonar!
8Welnu, zo uw hand of voet u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want het is beter voor u, verminkt of kreupel het Leven binnen te gaan, dan met twee handen of twee voeten geworpen te worden in het eeuwige vuur.
8Ese mara tag mari nadkoli pako mara teter, debele ma isimi adem batauered; debele ma bao abele eded mara tag kebikebi nako ibibi, au adud mari batauered abele ur asam kak neis tag a neis teter.
9En zo uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het weg; want het is beter voor u, met één oog het Leven binnen te gaan, dan met twee ogen geworpen te worden in het helse vuur.
9Ese mara pone mari nadkoli, ma dekeamur adem batauered; debele ma bao abele eded a netat pone, au adud mari batauered abele ur genaim a neis pone.
10Zorgt er voor, dat gij geen van deze kleine gering acht; want Ik zeg u: Hun engelen in de hemel zien altijd het aanschijn van mijn Vader, die in de hemel is.
10Uaba nole dedkoli nerute uiaba ike kebi kale; abelelam kaka uabi detager, Uiaba angela dali kotor ge ner kak uiaba dasmered kara Aba ra op dali kotor ge.
11-
11Abelelam Le la Uerem tabarki a uerkab abele le badimirid.
12Wat dunkt u? Zo iemand honderd schapen heeft, en een daarvan van is verdwaald, laat hij dan niet de negen en negentig in het gebergte achter, om het éne te gaan zoeken, dat verdwaald is?
12Nako uaba dikiapor? ese le nagri handed mamoe, ese netat mamoe badimirid, nako nole dikaer paser ge nainete naine mamoe, a E bakeam deraimer abele netat mamoe badimirid?
13En zo hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u: Hij verheugt zich over dat éne meer, dan over de negen en negentig, die niet zijn verdwaald.
13Ese E erdali, ageakar kaka uabi detager, E aukase sererege abele, a kebikebi abele nainete naine nole adimir kak.
14Zó is het ook de wil van uw Vader, die in de hemel is, dat géén van deze kleinen verloren gaat.
14Mokakalam uaba Aba dali kotor ge, nole lakak nerute uiaba ike kebi kale ko abi.
15Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben.
15Ese mara le mari nadkoli, ma bakeam a abi baraditug uaba neis le tepteb: ese E mari asoli, ma emetu erpei mabara le.
16Luistert hij niet naar u, neem dan nog één of twee personen mee, opdat door de mond van twee of drie getuigen de zaak haar beslag krijgt.
16Ese nole mari asoli, ma bakeam tais nerute le nako neis le, iaueakai ageakarem neis le la mer, pako neis netat le.
17Luistert hij ook niet naar hen, zeg het dan aan de Kerk; zo hij zelfs naar de Kerk niet luistert, dan zij hij u als een heiden en een tollenaar.
17Ese E nole asoli uiaba neis le, ma abi etomeret abele ekalesia: ese E nole asoli abele ekalesia, ma abi dikiapor mokakalam kupikupi le, pako telona le.
18Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat gij zult binden op aarde, zal ook gebonden zijn in de hemel; en alles wat gij ontbinden zult op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.
18Ageakar kaka uabi daratagerare, Gaire lu uridili uaba didibare abele geseb ge, a ko didibare abele kotor ge: a gaire lu uridili ua ko detue abele geseb ge, a ko detue abele kotor ge.
19Nog zeg Ik u: Zo twee van u op aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, dan zullen ze het verkrijgen van mijn Vader, die in de hemel is.
19Kaka uabi ko daratagerare, Ese uaba neis le abele geseb ge netate dikiapor nerute lu ko abi damsare kara Aba kotor ge, E ikeli abkoreb neis le la lag.
20Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.
20Abelelam abele uteb etami neis le pako neis netat le kara nei ge, kaka uiabi kemem.
21Nu kwam Petrus naar Hem toe, en sprak: Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven, die tegen mij misdoet? Tot zeven keer toe?
21Ege Peteru abim tabakeam, kega, Opole ae, naket kerker kara le kari nadkoli, a kaka mena abi omare? nako sefen kerker?
22Jesus zei hem: Niet tot zeven keer toe, zeg Ik u; maar tot zeventig maal zeven keer.
22Ege Iesu abi detager, kega, Kaka nole mari detager, Sefen kerker; epe Sefente sefen.
23Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaars.
23Abele tonar kotor baselaia abkoreb nerute opole, E dikiapor deraimer tabara lu gaire abara memeg le giz.
24Toen hij met de afrekening was begonnen, bracht men er een binnen, die hem tienduizend talenten schuldig was.
24E ditimed mer atager, E tegared nerute memeg le nagri abara talen ten thausan.
25Daar hij niets had om te betalen, beval zijn meester, hemzelf te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles, wat hij bezat, en zó de schuld te vereffenen.
25E umer kak erdali lu abi bodomalam abkoreb; abara opole uiabi detager, Ais bodomalam abele le, pako abara kosker, a gaire abara omasker giz, pako abara lu uridili, iaueakai nagri lu kari bodomalam.
26Maar de knecht viel hem smekend te voet, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.
26Ege abele memeg le abim etkobeilu a esorgilu, kega, Opole ae, ma mena kari omare, kaka keubu ko bodomalam mara lu uridili.
27De heer had medelijden met dien knecht, liet hem gaan, en schold hem de schuld kwijt.
27Ege abele Opole au nasenase tabara memeg le, E no namarid abara mani nole bodom kak.
28Maar toen die knecht was heengegaan, ontmoette hij een zijner medeknechten, die hem honderd tienlingen schuldig was; hij greep hem tot worgens toe bij de keel, en zeide: Betaal me wat ge schuldig zijt.
28Abele memeg le bakeam, E erdali nerute abara kaimeg memeg le E nagri abara handed denari; E abi erpei, a ko erpei abara pereg, a abim kega, Ma kari bodomalam kara lu mari dog.
29Zijn medeknecht viel hem smekend te voet, en sprak: Heb geduld met mij, en ik zal u betalen.
29Ege abele kaimeg memeg le abim etkobei abara teter ge, a abi damos, kega, Ma kari omare, kaka keubu ko bodomalam mara lu uridili.
30De ander wilde dit niet, maar ging heen, en liet hem in de kerker werpen, totdat hij de schuld zou hebben betaald.
30Epe E umer kak, a ko bakeam abi taisili audubare meta ge, mena bodomalam gaire lu eseamud.
31Toen nu zijn medeknechten zagen wat er gebeurd was, werden ze diep bedroefd, en gingen hun meester alles vertellen.
31Uader abara kaimeg memeg le giz erdali gaire lu E ikeli, uiaba an uekueku, uiaba bakeuare, a natomertare uiaba opole gaire lu uridili E ikeli.
32Nu liet zijn heer hem roepen, en zei tot hem: Boze knecht, die hele schuld schold ik u kwijt, omdat ge het mij hebt gevraagd;
32Abara opole abi dabgiri, a abim detager, kega, Abele adud memeg le ae, kaka mari omare, kaka no mari namarid nole bodom kak gaire kara lu mari dog:
33moest ook gij u dan niet ontfermen over uw medeknecht, zoals ikzelf mij over u heb ontfermd.
33Nako ma nole omare kak mabara kaimeg memeg le, mokakalam kaka mari omare?
34En in zijn toorn leverde de heer hem aan de beulen over, totdat hij de hele schuld zou hebben voldaan.
34Ege abara opole au uekueku, E abi namarid uader le abi dedkoed, mena eseamud bodomalam gaire lu uridili.
35Zo zal ook mijn hemelse Vader met u handelen, als gij niet allen uw broeder van harte vergeeft.
35Mokakalam kara Aba kotor ge E ikeli uabim abkoreb, ese uaba nole tababu omare uaba nerkep kemerkemer uaba le giz uabi dedkoeda.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.