Matteus 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1Nu sprak Jesus tot het volk en tot zijn leerlingen:
1Ege Iesu detager gaire le lakub, pako abara kaimeg giz,
2Op de zetel van Moses zitten de schriftgeleerden en farizeën.
2Kega, Aotale giz pako Faresaio giz bakiri Mose ra bas.
3Onderhoudt en doet dus alles, wat ze u zeggen; maar handelt niet naar hun werken. Want ze zeggen het wel, maar ze doen het niet.
3Peike uaba mamor asarare a uaba ikerare lu uridili uiaba daratagerare, mamor asarare: epe uaba nole ereuerem uiaba tonar giz; abelelam uiaba no mer detaut, a umer kak ikerare abkoreb.
4Ze binden zware en ondragelijke lasten bijeen, en leggen die op de schouders der mensen; maar zelf willen ze die met hun vinger niet aanraken.
4Abelelam uiaba didbare au lu beber uiaba dikemerik le giz uiaba tabo ge; ege uiaba umer kak uiaba kebi kei etadmir.
5Al hun werken verrichten ze om door de mensen opgemerkt te worden; ze maken hun gebedsriemen breed, en hun mantelkwasten groot.
5Gaire uiaba dorge uridili ikerare, iaueakai le giz uiabi darasmerare: uiaba ikerare au filakteri, pako ko au sisero uiaba am uali,
6Ze zijn op de eerste plaatsen bij feestmalen belust, op de eerste zetels in de synagogen,
6Uiaba au sererege eidi abele aule ra uteb leuer ero, pako aule ra bao sunago ge,
7en op de begroetingen op de markt, en willen door de mensen rabbi worden genoemd.
7Pako gaire le uiabi nasege segur uteb ge, a gaire le giz uiaba nei natkerauem, Rabi ae, Rabi ae.
8Neen, laat u geen rabbi noemen; want één is uw Meester, en allen zijt ge broeders.
8Ege uaba nole nei atker Rabi; abelelam netate uaba Ereuer le, abele Keriso idali, a uaba uridili keimer giz.
9Noemt ook niemand op aarde uw vader; want één is uw Vader, die in de hemelen is.
9Uaba nole nerute le geseb ge nei atker uaba aba; abelelam netate uaba Baba, penoka dali kotor ge.
10Laat u ook niet leraars noemen; want één is uw Leraar, de Christus.
10Uaba nole nei atker ereuer le, abelelam netate uaba Ereuer le, Keriso idali.
11De grootste onder u moet uw dienaar zijn.
11Epe abele le aule uabim, E uabim memeg le.
12Maar wie zich verheft, zal worden vernederd; wie zich vernedert, zal worden verheven.
12Ese nerute le tababu babei E aule, E ekekeli; Ese nerute le E tababu gebgeb, E bataili uiabim tumge uridili.
13Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het rijk der hemelen sluit voor de mensen. Want gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan.
13Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! abelelam uaba dimi abele kotor baselaia lelam; abelelam uaba umer kak barot, a uaba ko daraisumdarare uader le barota.
14Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het goed der weduwen verslindt onder het vertoon van lange gebeden. Daarom zult gij zo streng worden geoordeeld.
14Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! abelelam uaba ais eseamulu mai kosker uiaba meta, a uaba esorerapare au pereper ikerare ispilu; abele lulam Ade ra urker aule uabi tumge.
15Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die land en zee doorkruist, om één enkelen bekeerling te maken; maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel, tweemaal erger dan gijzelf.
15Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! abelelam uaba deraueili gur ge pako sep ge iaueakai uaba nagri nerute le uaba esorerapare; ese uaba erpei, a uaba ikerare Gena ra le E au adud uabielam.
16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan is het niets; maar die zweert bij het goud van de tempel, is gebonden.
16Uaiai uaba datkimuar sadamer le, a uaba mer, Ese le iskosi abele zogo meta nolea kar, epe le iskosi abele zogo meta ra golo, niaiem peike!
17Dwazen en verblinden! Wat toch is meer, het goud of de tempel, waardoor het goud wordt geheiligd?
17Le giz paim ae, pako sadamer; abelelam nade aule, nako abele golo, pako abele zogo meta zogoem abele golo?
18En: zweert men bij het altaar, dan is het niets; maar zweert men bij de offergave, die er op ligt, dan is men gebonden.
18A nerute, Ese le iskosi abele zegu lu bao, nolea kar; epe abele iskosi abele zegu lu abi tumge, niaiem peike.
19Verblinden! Wat toch is meer: de offergave of het altaar, waardoor de offergave wordt geheiligd?
19Le giz paim ae, pako sadamer; abelelam nade lu aule, nako zegu lu, nako bao ge zogoem abele zegu lu?
20Wie dus zweert bij het altaar, zweert bij dit en bij al wat er op ligt.
20Dasmer, abele le iskosi abele bao zegu lu, E iskosi gaire lu uridili abi tumge.
21En wie zweert bij de tempel, zweert bij deze en bij Hem, die er in woont.
21Abele le iskosi abele zogo meta, E abi iskosi, pako le emeri muige abele zogo meta.
22En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon, en bij Hem, die erop is gezeten.
22Abele le iskosi abele kotor ge, E iskosi Ade ra bao, pako le abi dog egimulu.
23Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die tienden betaalt van muntkruid, anijs en komijn; maar die nalatig zijt in het voornaamste deel van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en goede trouw. Dit moet men doen, en het andere niet laten.
23Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! uaba ikuar kebi lu abele mili pako abele aneto pako abele kumina, a gaire au lu uaba ispilu abele gelarlam, abele barkak tonar, pako abele omare, pako abele oituli: abkoreb ikelare lu ike, a nole dikaer lu peike.
24Blinde leidslieden, die de mug uitzeeft, maar de kameel doorslokt.
24Uaba datkimuar sadamer le, uaba dirimid abele lag, a mamor irusere kemerkemer abele kamela.
25Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die de beker en de schotel van buiten reinigt, terwijl ze van binnen vol schraapzucht en onmatigheid zijn.
25Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! uaba dirup abele tanelu ge ra sor pako abele kumeti, epe muige mitkar lu itike pako abele adud tonar giz.
26Blinde farizeën; reinigt eerst de beker en de schotel van binnen, opdat ook de buitenkant rein moge worden.
26Mama le Faresaio sadamer, mama kekiam dirup muige abele tanelu ge pako abele kumeti, iaueakai ogo kak kemerkemer abele sor ge.
27Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars. Want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi zijn, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei vuil.
27Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! abelelam uaba mokakalam ao giz, adige au kakekake, debele le dasmer, epe muige mitkar eud le la lid, pako gaire adud lu uridili.
28Zo schijnt ook gij van buiten rechtvaardig voor het oog van de mensen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.
28Mokakalam uaba, adige mokakalam barkak tonar le ise gaire le ra opem, epe muige uaba au mitkar abele bes mer pako abele tonar barbar.
29Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die grafsteden bouwt voor de profeten, de gedenktekens der rechtvaardigen versiert,
29Uaiai uaba aotale pako Faresaio, bes le giz! abelelam uaba emoare gaire perofeta uiaba ao, a ko deiriem uiaba ao le barkak tonar giz,
30en zegt: Zo wij hadden geleefd in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel hebben gehad aan de moord der profeten.
30A uaba mer kega, Ese keriba abi dog emri abele kerker keriba aba giz emeret, umer kak keriba okakis uiaba narsare perofeta giz.
31Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
31Peike abele mer uabu etomeret uabim, uaba omasker gaire le giz narsare gaire perofeta giz.
32Welnu dan, maakt de maat uwer vaderen maar vol.
32A uaba ko mitkar abele tonar lu uaba aba giz lam.
33Slangen, adderenbroed, hoe zult gij de helse verdoemenis ontkomen?
33Ege uaba tabo, tabo areg ra omasker giz, nako uaba derar abele urker Genaim?
34Ziet, daarom zend Ik tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen geselen in uw synagogen, en van stad tot stad achtervolgen,
34Dasmer abele lu, kaka uabi namarida perofeta giz, pako pardali le giz, pako aotale le giz; uader le uaba narsare, pako satauroem; a uader le uaba damarika uaba sunago, pako deraimerare nerute uteb a nerute uteb;
35opdat al het onschuldige bloed, dat op aarde is vergoten, over u moge komen: van het bloed van den rechtvaardigen Abel af, tot het bloed van Zakarias, den zoon van Barakias, dien gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
35Iaueakai bakedida uabi dog gaire le giz barkak tonar uiaba mam uabielam emetu epaitered abele geseb ge, ditimedelu Abela ra mam, le barkak tonar, a bakedilu Zakaria ra mam, abele Barakaio ra uerem, uaba ipiti eumid abele kesi zogo meta pako zegu lu bao ge.
36Voorwaar, Ik zeg u: neerkomen zal dit alles op dit geslacht.
36Ageakar kaka uabi detager, Gaire lu uridili tabarki tumem abele nosik.
37Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt; maar gij hebt niet gewild.
37Ierusalema ae, Ierusalema ae, le ipitare gaire perofeta giz, pako baker erboro le giz emetu namarid marim! kaka au lagelag etami mara omasker giz, mokakalam faul akuadare abara omasker muige abara peo, epe uaba nole la kak!
38Zie, uw huis zal in puin blijven liggen.
38Dasmer, uaba meta dikaertare a ko pisoger nagri.
39En Ik zeg u: Van nu af zult gij Mij niet meer zien, totdat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
39Abelelam kaka uabi detager, Uaba umer kak kari dasmer, mena keubu uaba kari daratagerare, Uerkab le tabarki Opole ra nei.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.