Johannes 1
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1In het begin was het Woord; En het Woord was bij God, En het Woord was God;
1Abele Logo degraret, Ade dog abele Logo, a Ade Logo,
2Het was bij God in het begin.
2E ko Ade dog degraret.
3Alles is door Hem ontstaan; En zonder Hem is niets ontstaan.
3E ge gaire lu detagem eseamulu; a nole nerute lu, E nole atagem kak.
4In wat bestond, was Hij het leven, En het Leven was het licht der mensen;
4Eded abi dog; a eded gaire le daratkeda.
5Het Licht schijnt in de duisternis, Maar de duisternis nam het niet aan.
5Abele be de daratkeda muige kupkupi ge; a kupkup nole arpeir kak.
6Er kwam een mens, van God gezonden; Johannes was zijn naam.
6Ege nerute le tabaruk, Ade de temariklu, nei atker Ioane.
7Hij kwam tot getuigenis, om van het Licht te getuigen, Opdat allen door hem zouden geloven.
7E dali tabaruk ageakarem, abele lugem ko datki ageakarem, epe gaire le uridili odaratare abielam.
8Hijzelf was niet het Licht, Maar hij moest getuigen van het Licht.
8E dali nole abele datki, E tabaruk ko ageakarem datki penoka ekas.
9Het waarachtige Licht, Dat alle mensen verlicht, Kwam in de wereld.
9Abele datki kar, ko daratkeare gaire le uridili, sepem tabarkare.
10Hij was in de wereld, En ofschoon de wereld door Hem was ontstaan, Erkende de wereld Hem niet.
10E geseb ge, a geseb abi atagemlam, a geseb nole abi ardar kak.
11Hij kwam in zijn eigen bezit; Ook de zijnen ontvingen Hem niet.
11E abara boai tabaruk, a abara boai nole abi agaret kak.
12Maar aan allen, die Hem ontvingen, Gaf Hij de macht, Gods kinderen te worden: Aan allen, die in zijn Naam geloven,
12Ui uridili abi egardare, a odaratarare abi nei de, E uiabim adigir nakuarare ko Ade ra omasker:
13Die niet uit bloed, Noch uit de wil van vlees of man, Maar die uit God zijn geboren.
13Uiaba nole mamlam aosos, a nole gem ra lag, a nole le ra lag, epe Adelam.
14Het Woord is vlees geworden, En heeft onder ons gewoond! En wij hebben zijn glorie aanschouwd: Een glorie als van den Eengeborene uit den Vader, Vol van genade en waarheid.
14Logo depeger le gem ise, a E meribi dog emrilu, (a keriba abara zorom dasmerare, zorom mokakalam Aba ra Uerem netat,) mitkar omare, a ageakar.
15Johannes getuigde van Hem en riep uit: Van Hem was het, dat ik sprak: Die na mij komt, is mij voorafgegaan; Want Hij bestond eerder dan ik.
15Ioane abi ageakarem, a ereretikri, kega, Idali kaka detautili, kega, Nerute le kari sorge ikas au kale kari tumge; abelegelam E kekiam, ka keubu.
16Waarachtig, uit zijn volheid ontvingen wij allen De éne genade na de andere;
16Meriba uridili nagri no omare tumem no omare abi mitkarlam.
17Zeker, de Wet is door Moses gegeven, Maar de genade en waarheid zijn door Jesus Christus gekomen.
17Abele gelar Mose de dekuarare, abele omare a ageakar tonar, Iesu Kerisolam.
18Niemand heeft ooit God gezien; God zelf, de eengeboren Zoon, Die in de schoot des Vaders is, Heeft Hem verkondigd.
18Nole le Ade asmer kak; epe abara Uerem tepteb taba Aba ra marmot, E etomeret.
19En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jerusalem priesters en levieten tot hem zonden, om hem te vragen: Wie zijt gij?
19Ge Ioane de ageakarem peik, uiabi Iudaia giz gaire zogo le a gaire Leui namarida Ierusalemlam, ko abi itmerare, kega, Ma nete?
20Hij erkende het openlijk: Niet ik ben de Christus.
20E natomertare, a nole agem kak; a mamoro natomertare, kega, Kaka nole Keriso.
21Ze vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elias? Hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? Hij antwoordde: Neen.
21Uiaba abi itmerare, kega, Ma nete? Ma Elia ao? E etkalu, kega, Kaka nolea. Ma perofeta ao? E etkalu, Nolea.
22Ze zeiden hem dan: Wie zijt ge; opdat we antwoord brengen aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt ge van uzelf?
22Uiaba abi detagerare, kega, Ma nete? Ma natkar keribi uiabim tedautare keribi pe tedemarida. Nako mara mer marielam?
23Hij sprak: Ik ben de “stem van een roepende in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren”, zoals de profeet Isaias heeft gezegd.
23E detaut, kega, Kaka kodo ereretikrili soge purge, kega, Barditugili Iehoua ra gab, mokakalam Isaia perofeta detauter.
24De afgevaardigden nu behoorden tot de farizeën;
24Uader Faresaio taramarkare.
25ze ondervroegen hem, en zeiden: Waarom doopt ge dan, zo ge de Christus niet zijt, noch Elias, noch de profeet?
25Uiaba abi itmerare, a abi detagerare, kega, Nalugem ma bapataiso, ese ma nole Keriso, a nole Elia, a nole nerute perofeta?
26Johannes gaf hun ten antwoord: Ik doop met water; maar midden onder u staat Hij, dien gij niet kent.
26Ioane uiabim etkalu, kega, Kaka bapataiso ni de; nerute uabi eipu ekuei uaba asmer kak,
27Hij is het, die na mij komt; ik ben niet waardig, zijn schoenriem los te maken.
27E dali kari sorge ikas au kale kari tumem, kaka nole abkoreb ko detue abara teter gab mukub.
28Dit gebeurde te Betánië, aan de overkant van de Jordaan, waar Johannes toen doopte.
28Abele gaire lu Bethabara ge ikerare, Ioridano ge sager pek, ge abele uteb ge Ioane de bapataiso.
29Daags daarna zag hij Jesus tot zich komen; en hij zeide: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
29Iuoakaer, Ioane de Iesu dasmer abim tabakeam, a E detager, kega, A ma dasmer Ade ra Arenio, ko adem dikri gaire geseb uit!
30Deze is het, van wien ik sprak: Na mij komt een Man, die mij is voorafgegaan; want Hij bestond eerder dan ik.
30E dali kari atautelam, kega, Nerute le kari sorge ikas au kale kari tumge; abelelam E kekiam, ka keubu.
31Ook ik kende Hem niet; maar juist daarom kwam ik dopen met water, om Hem aan Israël bekend te maken.
31Kaka nole abi ardar kak; debele abi etomer Isaraela ibim, abelelam kaka tabaruk ko bapataiso ni de.
32Nog getuigde Johannes: Ik heb den Geest als een duif uit de hemel zien dalen, en op Hem rusten.
32Ioane de ageakarem, a detager, kega, Kaka Lamar Zogo dasmer kotorlam tepelu dibadiba ise, a abi kerem ge egimulu.
33Ook ik kende Hem niet; maar Hij die mij zond, om met water te dopen, Hij sprak tot mij: Op wien ge den Geest ziet nederdalen en rusten, Hij is het, die doopt met den Heiligen Geest.
33Kaka nole abi ardar kak: epe E dali kari taramarida ko bapataiso ni de, E kari natager, kega, Abele le ma dasmer Lamar Zogo ueeperoa abi kerem ge ueegimurua, E dali bapataiso Lamar Zogo de.
34Ik heb het gezien, en ik heb getuigd: Hij is de Zoon van God.
34Kaka dasmer, a kaka ageakarem, kega, Ade ra Uerem pedali.
35Daags daarna stond Johannes daar weer met twee zijner leerlingen.
35Iako iuaokaer, Ioane ekueilu, a neis abara kaimeg giz;
36En met de blik op Jesus, die voorbijging, zeide hij: Zie het Lam Gods.
36E Iesu dasmer, ekasereder, E daratager, kega, Ua dasmeram Ade ra Arenio!
37De twee leerlingen hoorden hem dit zeggen, en gingen Jesus achterna.
37Abele neis kaimeg abara mer aserei, ui darali Iesu irmilei.
38Jesus keerde Zich om, zag dat ze Hem volgden, en sprak tot hen: Wat zoekt gij? Ze zeiden Hem: Rabbi (dat betekent: Meester), waar houdt Gij verblijf?
38Iesu egreemalu, a darasmer ui darali abi irmili, a ui darali detagerei, kega, Nalu ua deraimerei? Ui natkalei abim, kega, Rabi (tonar, Ereuer le), ma nade emri?
39Hij zei hun: Komt het zien. Ze kwamen dan zien, waar Hij verblijf hield, en bleven die dag bij Hem. Het was omtrent het tiende uur.
39E ui darali detagerei, kega, Ua tabarkam, a dasmeram. Ui darali bakeamulei a dasmerei abara uteb, a abi kemem emrilei abele gerger ge: abelelam maike kige.
40Andreas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee, die dit van Johannes hadden gehoord, en Hem waren gevolgd.
40Nerute le uiabielam Ioane aserei, a abi irmilei, pe Anederea, Simona Peteru ra keimer.
41Hij ontmoette zijn broer Simon het eerst, en zeide tot hem: We hebben den Messias (dat betekent: Christus) gevonden.
41E kekiam erdalu abara keimer Simona, a abi detager, kega, Ki Mesaia erdali, (tonar abele nei, Keriso.)
42En hij leidde hem tot Jesus. Jesus zag hem aan, en sprak: Gij zijt Simon, de zoon van Jona; gij zult Kefas heten (dat betekent: Petrus).
42E Iesuim egaredelu. Iesu abi dasmer, a detager, kega, Ma Simona Iona ra uerem; mari nei natkeri Kefa, (tonar abele nei, Peteru.)
43Daags daarna wilde Hij naar Galilea vertrekken; toen ontmoette Hij Filippus. En Jesus zeide tot hem: Volg Mij.
43Iuaokaer, Iesu laglag Galalaiem bakeam, E Filipo erdalu, a abi detager, Kari narmili.
44Filippus was van Betsáida, de stad van Andreas en Petrus.
44Filipo Bethesaidalam, uteb Anederea a Peteru.
45Filippus ontmoette Natánaël, en sprak tot hem: Van wien Moses in de Wet en ook de profeten hebben geschreven, dien hebben we gevonden: Jesus, den zoon van Josef, uit Názaret.
45Filipo de Nathaniela erdalu, a abi detager, kega, Keriba abi erdali Mose de abielam gelar ge, a gaire perofeta detar, Iesu Nazaretalam, Iosefa ra uerem.
46Natánaël zei hem: Kan er iets goeds komen uit Názaret? Filippus zei hem: Kom het zien.
46Nathaniela de abi detager, kega, Nako, umelo nerute debe lu ua tabakeamur Nazaretalam? Filipo abi detager, Ma tabakeam dasmer.
47Jesus zag Natánaël naar Zich toe komen, en zeide van hem: Ziedaar een waar Israëliet, in wien geen bedrog is.
47Iesu Nathaniela dasmer abim tabakeam, a abi detager, kega, Dasmer, Isaraela kar, nole bes kak abi dog!
48Natánaël zeide Hem: Hoe kent Gij mij? Jesus gaf hem ten antwoord: Voordat Filippus u riep, zag Ik u onder de vijgeboom.
48Nathaniela abi detager, kega, Nade ma kari nasmer? Iesu etkalu, a abi detager, kega, Kaka mari nasmeli suke mudge, a Filipo nole mari abger kak.
49Natánaël antwoordde Hem: Rabbi, Gij zijt de Zoon van God; Gij zijt de Koning van Israël.
49Nathaniela abim etkalu, kega, Rabi, ma Ade ra Uerem, a Isaraela ra Opole.
50Jesus antwoordde hem: Gelooft ge, omdat Ik u zeide: Ik zag u onder de vijgeboom? Grotere dingen zult ge zien.
50Iesu etkalu, a abi detager, kega Ma oituli abelelam kaka mari natageri, kega, Kaka mari nasmili suke mudge? mena ma keubu dasmer gaire au lu tumem abele.
51En Hij sprak tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult de hemel geopend zien, en de engelen Gods zien opstijgen en nederdalen over den Mensenzoon.
51Iesu abi detager, kega, Ageakar, ageakar kaka uabi detagereda, kega, Uarem uaba ko dasmerare kotor uanakesmur, a gaire Ade ra angela uatabatuer iako uabog tumem Le la Uerem.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.