Johannes 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1Ik heb u dit alles gezegd, opdat het u niet aan het wankelen zou brengen.
1Kaka emetu uabi detager abele gaire lu, ueakai uaba nole mar bamarida.
2Men zal u uit de synagogen bannen; ja het uur komt, dat allen die u het leven benemen, zullen menen, een godsdienstige daad te verrichten.
2Uiaba ko uabi dituaki sunagolam: kerker ko tabarki abele le uabi ipitare, E ko dikiapor E Ade ra dorge ikeli.
3En ze zullen dit doen, omdat ze noch den Vader kennen noch Mij.
3Uiaba ko ikeli abele gaire lu, abelelam uiaba nole umer kak Aba, a kaka.
4Maar Ik heb u dit gezegd, opdat als het uur is gekomen, gij u herinneren zult, dat Ik het u heb gezegd. Niet van de aanvang af heb Ik het u gezegd, omdat Ik toen nog bij u was.
4Kaka uabi detagereda abele gaire lu, ueakai kerker tabarki, uaba ko dikiaporauem kaka emetu uabi detaut. Kaka nole uabi detager abele gaire lu gizlam, abelelam kaka uabi dog emri.
5Nu ga Ik tot Hem, die Mij gezonden heeft; en toch stelt niemand van u Mij de vraag: Waar gaat Gij heen?
5Peirdi kai nabakeamulu abim kari namarida: nole nerute le uabielam kari eutumer, kega, Mai na gedim bakeam?
6Maar omdat Ik dit tot u heb gezegd, is uw hart van droefheid vervuld.
6Uaba nerkep au okasosok, abelelam kaka uabi detager abele gaire mer.
7Toch zeg Ik u de waarheid: het is goed voor u, dat Ik heenga. Want zo Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen; maar zo Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.
7Ege kaka uabi detager ageakar, kega, Debele uabim kaka bakeam: abelelam ese kaka nole bakeam, Upiatidar nole tabarki uabim: ese kaka bakeam, kaka ko abi emarida uabim.
8En wanneer Hij komt, zal Hij de wereld tot inzicht brengen van zonde, gerechtigheid, en vonnis:
8E emetu tabarki, E ko geseb ge akmerem tonar uit, a barkak, a mer barditug:
9van zonde, omdat men in Mij niet gelooft;
9Uitelam, abelelam uiaba nole karim oituli:
10van gerechtigheid, omdat Ik naar den Vader ga, en gij Mij niet meer zult zien;
10Barkaklam, abelelam kaka Babaim bakeam, uaba nole iako kari asmer kak:
11van vonnis, omdat de vorst dezer wereld geoordeeld is. —
11Mer bardituglam, abelelam emetu barditug geseb kole.
12Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het thans nog niet dragen.
12Kara no nagri dordor lu ko uabi detager, epe peirdi uaba nole umer kak egaret.
13Maar wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, dan zal Hij u tot de volle waarheid geleiden; want Hij zal niet spreken uit Zichzelf, maar spreken al wat Hij hoort, en u de toekomstige dingen verkondigen.
13Mamoro E tabarki, pe ageakar Lamar, E ko uabi eguatumur ageakar uridili: abelelam E nole tababu detaut: mamoro E ko detager abele gaire lu E asoli: uabi detomeret gaire lu ko tabarki.
14Hij zal Mij verheerlijken; want van het mijne zal Hij ontvangen, en het verkondigen aan u.
14E ko kari naospili: abelelam E ko tais karielam, a uabi detomertare.
15Alles wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zei Ik, dat Hij van het mijne ontvangt, en het u zal verkondigen.
15Abele gaire lu Babi dog kara lu; abelelam kaka detaut, kega, E ko karielam tais, a uabi detomertare.
16Een weinig tijds en gij ziet Mij niet meer; en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij terug zien.
16Menaba, uaba nole kari asmer kak: iako menaba, uaba ko kari nasmer, abelelam kai Abem nabakeamulu.
17Sommigen zijner leerlingen zeiden tot elkander: Wat betekent toch, wat Hij ons zegt: Een weinig tijds en gij ziet Mij niet meer, en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij terugzien; en: Ik ga heen naar den Vader?
17Uader abara kaimeg giz tababu mer atager, kega, Nalu E meribim detaut, kega, Menaba, uaba nole kari nasmer; iako menaba, uaba ko kari nasmer abelelem kai Abem nabakeamulu?
18Ze zeiden dus: Wat bedoelt Hij toch met: een weinig tijds? We weten niet, waarover Hij spreekt. —
18Uiaba detager, kega, Nalu E detaut, kega, Menaba? Meriba nole akmer kak abele mer E detaut.
19Jesus begreep, dat ze Hem wilden ondervragen; en Hij sprak tot hen: Vraagt gij u onder elkander af, wat Ik zeide: Een weinig tijds en gij ziet Mij niet meer, en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij terugzien?
19Iesu umele uiaba laglag abim bautumer, E uiabim detaut, kega, Nako uaba uabu deraimerare kara merlam detaut, kega, Menaba, uaba nole kari nasmer, iako menaba, uaba ko kari nasmer?
20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult wenen en jammeren, maar de wereld zal zich verheugen; gij zult overstelpt zijn van droefheid, maar uw droefheid zal in vreugde verkeren.
20Ageakar, ageakar, kaka uabi detagereda, kega, Ua ko ebazoli, a okabatagereda, a geseb ko sererge: uaba ko okasosok, abele uaba okasosok ko depegili ko sererge.
21De vrouw in barensnood heeft smart, omdat haar uur is gekomen; maar wanneer ze het kind heeft gebaard, dan denkt ze niet meer aan haar weeën, van blijdschap dat er een mens is geboren.
21Kosker maike esmelu E beber nerkep, abelelam abara kerker tabarki; emetu uerem esmelu, E nole iako dikiapor abele asiasi, abelelam E sererge nerute le geseb ge esmelu.
22Ook gij zijt nu wel bedroefd, maar Ik zal u weerzien; en dan zal uw hart zich verblijden, en niemand zal u deze vreugde ontnemen
22Peirdi, uaba nagri okasosok: kai iako uabi dasmer, ege uaba nerkep sererge, nole nerute le uabi sererge itker.
23En op die dag zult gij Mij ook over niets ondervragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wat gij den Vader moogt vragen, Hij zal het u geven in mijn naam.
23Abele gerger dali uaba nole nerute lu damos karielam. Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, kega, Abele gaire lu uaba damos Babalam muige kara nei ge, E ko uabi dekuarare.
24Tot nu toe hebt gij niets in mijn naam gevraagd; vraagt en gij zult verkrijgen, en dan zal uw vreugde volkomen zijn.
24Emeret a peirdi, uaba nole damos nerute lu muige kara nei ge: debele damsare, a uaba ko egaret, ueakai uaba sererge mitkar.
25Ik heb u in gelijkenissen over deze dingen gesproken; het uur komt, waarop Ik niet meer in gelijkenissen tot u zal spreken, maar onbewimpeld u den Vader verkondigen zal.
25Kaka emetu uabi detager abele gaire lu mer babisdarie: kerker ia uatabaruk, kaka nole uabi detager mer babisdarie, epe kaka ko uabim paret kak detaut Abem.
26Op die dag zult gij bidden in mijn naam; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u zal vragen.
26Abele gerger, uaba ko damos kara neilam: kaka nole uabi detager, kega, Kaka Abem damos uabim.
27Want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad, en omdat gij geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.
27Aba uabi omare, abelelam uaba kari lag, a egaret, kega, Kaka Babalam.
28Ik ben van den Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; weer verlaat Ik de wereld, en ga naar den Vader.
28Kaka nabue Babalam, a gesepem tabarki: kaka iako geseb dekaelu, a Abem bakeam.
29Zijn leerlingen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij onbewimpeld, en zegt geen gelijkenis meer.
29Abara kaimeg giz abi detager, kega, Dasmer, peirdi, mama paret kak detaut, a nole mer babisdarie detaut.
30Nu zien we, dat Gij alles weet, en dat het niet nodig is, dat iemand u ondervraagt; daarom geloven we, dat Gij van God zijt uitgegaan.
30Peirdi, keriba umele mama opasereret gaire lu uridili, nole lu kar marim nerute le ko marim eutumer: abelelam keriba dikiapor mama tarabu Adelam.
31Jesus antwoordde hun: Gelooft gij nu inderdaad?
31Iesu uiabi detaut, kega, Nako, peirdi, uaba dikiapor?
32Zie, het uur komt, en het is reeds gekomen, dat gij verstrooid wordt, ieder zijns weegs, en Mij alleen laat staan. Maar Ik ben niet alleen, want met Mij is de Vader. —
32Dasmer, kerker ko tabarki, ia ike, uaba ko kepu bamarida boaiem, a kaka tepteb: nolea kaka tepteb, abelelam Aba kari dog.
33Dit alles heb Ik u gezegd, opdat gij vrede moogt hebben in Mij. In de wereld hebt gij verdrukking te lijden; maar schept moed: Ik heb de wereld overwonnen.
33Kaka uabi detager abele gaire lu, ueakai uaba mapodan nagri karielam. Uaba asiasi nagri geseb ge: ua ko saserim, kaka emetu geseb degmori.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.