Johannes 16
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Ik heb u dit alles gezegd, opdat het u niet aan het wankelen zou brengen.
1Се я глаголав вам, щоб ви не поблазнились.
2Men zal u uit de synagogen bannen; ja het uur komt, dat allen die u het leven benemen, zullen menen, een godsdienstige daad te verrichten.
2Вилучати муть вас із шкіл; ба прийде час, що всякий, хто вбиває вас, думати ме, що службу приносить Богу.
3En ze zullen dit doen, omdat ze noch den Vader kennen noch Mij.
3І се робити муть вам, бо не знали нї Отця, нї мене.
4Maar Ik heb u dit gezegd, opdat als het uur is gekomen, gij u herinneren zult, dat Ik het u heb gezegd. Niet van de aanvang af heb Ik het u gezegd, omdat Ik toen nog bij u was.
4Та се сказав я вам, щоб, як прийде час, згадали про се, що я глаголав вам; бо з вами був.
5Nu ga Ik tot Hem, die Mij gezonden heeft; en toch stelt niemand van u Mij de vraag: Waar gaat Gij heen?
5Тепер же йду до Пославшого мене; й нїхто з вас не питає мене: Куди йдеш?
6Maar omdat Ik dit tot u heb gezegd, is uw hart van droefheid vervuld.
6Та що се сказав я вам, смуток сповнив ваше серце.
7Toch zeg Ik u de waarheid: het is goed voor u, dat Ik heenga. Want zo Ik niet heenga, zal de Helper niet tot u komen; maar zo Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden.
7Тільки ж я правду глаголю вам: лучче вам, щоб я пійшов; як бо не пійду, Утішитель не прийде до вас; як же пійду, пришлю Його до вас.
8En wanneer Hij komt, zal Hij de wereld tot inzicht brengen van zonde, gerechtigheid, en vonnis:
8А Той прийшовши, докорить сьвітові за гріх, і за правду, і за суд:
9van zonde, omdat men in Mij niet gelooft;
9за гріх бо не вірують у мене;
10van gerechtigheid, omdat Ik naar den Vader ga, en gij Mij niet meer zult zien;
10за правду ж, бо я до Отця мого йду, й більш не побачите мене;
11van vonnis, omdat de vorst dezer wereld geoordeeld is. —
11за суд, бо князь сьвіта сього осуджений.
12Nog veel meer heb Ik u te zeggen, doch gij kunt het thans nog niet dragen.
12Ще багато маю глаголати вам, та ви не можете носити нинї.
13Maar wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, dan zal Hij u tot de volle waarheid geleiden; want Hij zal niet spreken uit Zichzelf, maar spreken al wat Hij hoort, en u de toekomstige dingen verkondigen.
13Як же прийде той Дух правди, то проведе вас до всякої правди; бо глаголати ме не від себе, а все, що чути ме, буде глаголати, й що настане, звістить вам.
14Hij zal Mij verheerlijken; want van het mijne zal Hij ontvangen, en het verkondigen aan u.
14Той мене прославить: бо з мого прийме і звістить вам.
15Alles wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zei Ik, dat Hij van het mijne ontvangt, en het u zal verkondigen.
15Усе, що має Отець, — моє: тим я сказав, що з мого Він прийме, і звістить вам.
16Een weinig tijds en gij ziet Mij niet meer; en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij terug zien.
16Трохи, і не будете видїти мене; а знов трохи, і побачите мене; бо я йду до Отця.
17Sommigen zijner leerlingen zeiden tot elkander: Wat betekent toch, wat Hij ons zegt: Een weinig tijds en gij ziet Mij niet meer, en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij terugzien; en: Ik ga heen naar den Vader?
17Казали тодї деякі з учеників Його між собою: Що се, що каже нам: Трохи, і не будете видїти мене, а знов трохи, і побачите мене, і: Бо я йду до Отця ?
18Ze zeiden dus: Wat bedoelt Hij toch met: een weinig tijds? We weten niet, waarover Hij spreekt. —
18Казали ж: Що се, що каже: Трохи ? Не знаємо, що Він каже.
19Jesus begreep, dat ze Hem wilden ondervragen; en Hij sprak tot hen: Vraagt gij u onder elkander af, wat Ik zeide: Een weinig tijds en gij ziet Mij niet meer, en weer een weinig tijds, dan zult gij Mij terugzien?
19Знав же Ісус, що хотїли Його спитати, й рече їм: Про се розпитуєтесь між собою, що я сказав: Трохи, і не будете видїти мене, а знов: трохи, і побачите мене?
20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Gij zult wenen en jammeren, maar de wereld zal zich verheugen; gij zult overstelpt zijn van droefheid, maar uw droefheid zal in vreugde verkeren.
20Істино, істино глаголю вам: Що плакати й ридати будете ви, сьвіт же веселитись; ви ж смуткувати мете, та смуток ваш на радощі обернеть ся.
21De vrouw in barensnood heeft smart, omdat haar uur is gekomen; maar wanneer ze het kind heeft gebaard, dan denkt ze niet meer aan haar weeën, van blijdschap dat er een mens is geboren.
21Жінка як роджає, смуток має, бо прийшла година її; скоро ж уродить дитину, вже не памятає муки з радощів, що народив ся чоловік на сьвіт.
22Ook gij zijt nu wel bedroefd, maar Ik zal u weerzien; en dan zal uw hart zich verblijden, en niemand zal u deze vreugde ontnemen
22І ви оце тепер смуток маєте; знов же побачу вас, і звеселить ся серце ваше, і радощів ваших нїхто не візьме од вас.
23En op die dag zult gij Mij ook over niets ondervragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wat gij den Vader moogt vragen, Hij zal het u geven in mijn naam.
23І того дня в мене не питати мете. Істино, істино глаголю вам: Що чого нї попросите в Отця імям моїм, дасть вам.
24Tot nu toe hebt gij niets in mijn naam gevraagd; vraagt en gij zult verkrijgen, en dan zal uw vreugde volkomen zijn.
24Досі не просили ви нїчого в імя моє. Просїть, то й приймете, щоб радість ваша була повна.
25Ik heb u in gelijkenissen over deze dingen gesproken; het uur komt, waarop Ik niet meer in gelijkenissen tot u zal spreken, maar onbewimpeld u den Vader verkondigen zal.
25Оце приповістями глаголав вам; та прийде час, що більше вже приповістями не глаголати му вам, а явно про Отця звіщу вам.
26Op die dag zult gij bidden in mijn naam; en Ik zeg u niet, dat Ik den Vader voor u zal vragen.
26Того дня просити мете в імя моє, і не глаголю вам, що я просити му Отця за вас.
27Want de Vader zelf heeft u lief, omdat gij Mij hebt liefgehad, en omdat gij geloofd hebt, dat Ik van God ben uitgegaan.
27Сам бо Отець любить вас; бо ви мене полюбили, й увірували, що я від Бога вийшов.
28Ik ben van den Vader uitgegaan en in de wereld gekomen; weer verlaat Ik de wereld, en ga naar den Vader.
28Я вийшов од Отця, і прийшов на сьвіт. Знов оставляю сьвіт і йду до Отця.
29Zijn leerlingen zeiden tot Hem: Zie, nu spreekt Gij onbewimpeld, en zegt geen gelijkenis meer.
29Кажуть Йому ученики Його: Оттепер явно глаголеш, і приповісти нїякої не кажеш.
30Nu zien we, dat Gij alles weet, en dat het niet nodig is, dat iemand u ondervraagt; daarom geloven we, dat Gij van God zijt uitgegaan.
30Тепер знаємо, що знаєш усе, і не треба, щоб хто питав Тебе. По сьому віруємо, що від Бога вийшов єси.
31Jesus antwoordde hun: Gelooft gij nu inderdaad?
31Відказав їм Ісус: Тепер віруєте?
32Zie, het uur komt, en het is reeds gekomen, dat gij verstrooid wordt, ieder zijns weegs, en Mij alleen laat staan. Maar Ik ben niet alleen, want met Mij is de Vader. —
32Ось прийде час, і нинї прийшов, щоб ви розсипались кожен у свій бік, а мене самого зоставили; та я не сам, бо Отець зо мною.
33Dit alles heb Ik u gezegd, opdat gij vrede moogt hebben in Mij. In de wereld hebt gij verdrukking te lijden; maar schept moed: Ik heb de wereld overwonnen.
33Се глаголав я вам, щоб у менї впокій мали. У сьвітї горе мати мете, тільки ж бодріть ся: я побідив сьвіт.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.