Johannes 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Het was nu daags voor het paasfeest. Jesus wist, dat zijn uur was gekomen, om uit deze wereld naar den Vader te gaan. Had Hij de zijnen liefgehad, die in de wereld waren, thans had Hij hen lief ten einde toe.
1Перед сьвятом же пасхи, знаючи Ісус, що прийшла Його година, щоб зійти з сьвіту сього до Отця, — любивши своїх, що були в сьвітї, до кінця любив їх.
2Het avondmaal was begonnen; en reeds had de duivel Judas, zoon van Simon Iskáriot, het plan ingeblazen, om Hem te verraden.
2І по вечері, як диявол уже вкинув у серце Юди Симонового Іскариоцького, щоб Його зрадив,
3Hoewel Jesus wist, dat de Vader Hem alles in handen gesteld had, en dat Hij van God was uitgegaan en tot God zou wederkeren,
3знаючи Ісус, що все дав Йому Отець у руки, й що від Бога вийшов, і до Бога йде,
4stond Hij toch van tafel op, legde zijn klederen af, nam een linnen doek, en omgordde Zich daarmee.
4устає зза вечері і скидає одежу; і, взявши рушник, підперезавсь.
5Dan goot Hij water in het bekken, en begon de voeten der leerlingen te wassen en af te drogen met de linnen doek, waarmee Hij omgord was.
5Після того налив води в умивальницю, та й почав обмивати ноги ученикам та обтирати рушником, котрим був підперезаний.
6Zo kwam Hij ook bij Simon Petrus. Maar deze zeide tot Hem: Gij Heer; wast Gij mij de voeten?
6Приходить же до Симона Петра, й каже Йому той: Господи, Ти обмиваєш ноги мої?
7Jesus antwoordde hem: Wat Ik doe, begrijpt ge nu nog niet; maar later zult ge het inzien.
7Відказав Ісус, і рече Йому: Що я роблю, ти не знаєш тепер, зрозумієш же опісля.
8Petrus zeide Hem: Nooit in der eeuwigheid zult Gij me de voeten wassen. Jesus antwoordde hem: Zo Ik u niet was, hebt ge geen gemeenschap met Mij.
8Каже Йому Петр: Не мити меш ніг моїх до віку. Відказав йому Ісус: Як не обмию тебе, не мати меш части зо мною.
9Simon Petrus zei Hem: Heer, dan niet mijn voeten alleen, maar ook mijn handen en mijn hoofd.
9Каже Йому Симон Петр: Господи, не тільки ноги мої, та й руки й голову.
10Jesus sprak tot hem: Wie een bad heeft genomen, behoeft zich niet te wassen, maar hij is rein geheel en al. Ook gij zijt rein, maar niet allen.
10Рече йому Ісус: Обмитому не треба, як тільки ноги мити, а чистий увесь. І ви чисті, та не всї.
11Want Hij wist, wie Hem verraden zou; daarom sprak Hij: Niet allen zijt gij rein.
11Знав бо зрадника свого; тим і сказав: Не всї ви чисті.
12Toen Hij dan hun voeten had gewassen, en zijn klederen had aangetrokken, nam Hij weer aan tafel plaats, en sprak tot hen: Begrijpt gij, wat Ik aan u heb verricht?
12Як же пообмивав ноги їх і взяв одежу свою, сївши знов, рече їм: Чи знаєте, що зробив я вам?
13Gij noemt Mij Meester en Heer, en gij zegt het terecht; want dat ben Ik.
13Ви звете мене Учителем і Господом, і добре кажете, се бо я.
14Wanneer dus Ik, de Heer en Meester, u de voeten was, dan moet ook gij elkander de voeten wassen.
14Коли ж я помив вам ноги, Господь і Учитель, то й ви повинні один одному обмивати ноги.
15Want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook gij zoudt doen, zoals Ik ú heb gedaan.
15Приклад бо дав вам, і як я зробив вам, і ви робіть.
16Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Een dienaar is niet meer dan zijn heer; een gezant niet meer dan hij, die hem zond.
16Істино, істино глаголю вам: Не єсть слуга більший пана свого, анї посланець більший пославшого його.
17En wanneer gij dit alles begrijpt, dan zijt gij zalig, zo gij er ook naar handelt.
17Коли се знаєте, то блаженні ви, коли робити мете се.
18Ik zeg dit niet van u allen; Ik weet, wie Ik heb uitverkoren. Neen, de Schrift moet worden vervuld. “Die mijn brood eet, heft de hiel tegen mij op.”
18Не про всїх вас глаголю: я знаю кого вибрав; та щоб писаннє справдилось: Хто їсть зо мною хлїб, підняв на мене пяту свою.
19Reeds nu zeg Ik het u, eer het geschiedt; opdat, wanneer het gebeurd is, gij geloven moogt, dat Ik het ben.
19Від нинї глаголю вам, перше нїж стало ся, щоб, як станеть ся, увірували, що се я.
20Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie hem ontvangt, dien Ik zal zenden, ontvangt Mijzelf; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij heeft gezonden.
20Істино, істино глаголю вам: Хто приймає, коли я кого пішлю, мене приймає; а хто мене приймає, приймає Пославшого мене.
21Na deze woorden werd Jesus diep ontroerd. En Hij getuigde en sprak: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Eén van u zal Mij verraden.
21Се промовивши Ісус, зворушив ся духом, і сьвідкував і рече: Істино, істино глаголю вам, що один із вас ізрадить мене.
22De leerlingen zagen elkander aan, onzeker, wien Hij bedoelde.
22Ззирались тодї між собою ученики, сумнїваючись, про кого Він говорить.
23Eén zijner leerlingen, dien Jesus beminde, was aan Jesus boezem gelegen.
23Був же за столом один із учеників Його на лонї Ісусовім, котрого любив Ісус.
24Simon Petrus gaf een wenk, en beduidde hem: Zeg, wie is het, dien Hij bedoelt?
24Сьому кивнув Симон Петр, щоб спитав, хто б се був, про кого говорить.
25Nu vlijde hij zich aan Jesus’ borst, en sprak tot Hem: Heer, wie is het?
25Пригорнувшись той до грудей Ісусових, каже Йому: Господи, хто се?
26Jesus antwoordde: Hij is het, voor wien Ik het stuk brood zal indopen, en wien Ik het toereik. Toen nam Hij een stuk brood, doopte het in, en gaf het aan Judas, den zoon van Simon Iskáriot.
26Відказав Ісус: Той, кому я, умочивши кусок, подам. І, вмочивши кусок, дав Юдї Симонову Іскариоцькому.
27En met het stuk brood voer de satan in hem. Jesus zei hem: Wat ge doet, doe dat spoedig.
27А за куском увійшов тодї в него сатана. Рече ж йому Ісус: Що робиш, роби швидко.
28Maar niemand aan tafel begreep, met welke bedoeling Hij hem dit zeide.
28Сього не зрозумів нїхто, що сидїли за столом, проти чого сказав йому.
29Want omdat Judas de beurs had, meenden sommigen, dat Jesus hem zeide: Koop wat we nodig hebben voor de feestdag; of dat hij iets aan de armen moest geven.
29Деякі бо думали, — яко ж бо скриньку мав Юда, — що каже йому Ісус: купи, що треба нам про сьвято; або, щоб що дав убогим.
30Terstond nadat hij het stuk brood had gegeten, ging hij heen. Het was nacht.
30Узявши ж він кусок, зараз вийшов; була ж ніч.
31Toen hij was heengegaan, sprak Jesus: Nu is de Mensenzoon verheerlijkt, en God is verheerlijkt in Hem.
31Як же вийшов, рече Ісус: Тепер прославив ся Син чоловічий, й Бог прославив ся в Йому.
32En wanneer God in Hem is verheerlijkt, dan zal God ook Hem bij Zichzelf verheerlijken, en dan zal Hij Hem spoedig verheerlijken.
32Коли Бог прославив ся в Йому, то Бог прославить і Його в собі, і скоро прославить Його.
33Kindertjes, nog slechts een korte tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en zoals Ik tot de Joden gezegd heb, zo zeg Ik het thans ook tot u: Waarheen Ik ga, kunt gij niet komen.
33Дїтки! ще короткий час я з вами. Шукати мете мене, і яко ж казав я Жидам: Що, куди йду я, ви не можете йти, і вам глаголю тепер.
34Een nieuw gebod geef Ik u: Bemint elkander; zoals Ik u heb liefgehad, moet gij ook elkander beminnen.
34Заповідь нову даю вам: щоб любили один одного. Як я любив вас, щоб і ви любили один одного.
35Hieraan zullen allen erkennen, dat gij mijn leerlingen zijt, wanneer gij elkander liefhebt.
35По сьому знати муть усї, що ви мої ученики, коли любов мати мете один до одного.
36Simon Petrus sprak tot Hem: Heer, waar gaat Gij heen? Jesus antwoordde: Waar Ik heenga, kunt ge Mij thans nog niet volgen; maar later zult ge Mij volgen.
36Рече Йому Симон Петр: Господи, куди йдеш? Відказав йому Ісус: Куди йду, не можеш тепер за мною йти; опісля ж пійдеш за мною.
37Petrus zeide Hem: Heer, waarom kan ik U thans nog niet volgen? Mijn leven zal ik voor U geven.
37Каже Йому Петр: Господи, чому не можу за Тобою йти тепер? Душу мою за Тебе положу.
38Jesus antwoordde hem: Uw leven zult ge voor Mij geven? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: De haan zal niet kraaien, vóórdat ge Mij driemaal verloochend hebt.
38Відказав йому Ісус: Душу твою за мене положиш? Істино, істино глаголю тобі: не запіє півень, доки мене відречеш ся тричі.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.