Johannes 7
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Daarna trok Jesus in Galilea rond; want Hij wilde niet in Judea vertoeven, omdat de Joden Hem zochten te doden.
1І ходив Ісус після сього по Галилеї; не хотїв бо по Юдеї ходити, що шукали Його Жиди вбити.
2Maar toen het loofhuttenfeest der Joden begon te naderen,
2Було ж близько Жидівське сьвято кучок.
3zeiden zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier en ga naar Judea, opdat ook uw leerlingen de werken zien, die Gij verricht.
3Казали ж до Него брати Його: Зійди звідсїля, та й іди в Юдею, щоб і ученики Твої видїли дїла Твої, що робиш.
4Want niemand handelt in het verborgen, als hij bekend wil worden. Nu Gij toch deze dingen doet, vertoon U dan ook aan de wereld.
4Нїхто бо тайно нїчого не робить, шукаючи сам знаним бути. Коли таке робиш, то покажи себе сьвітові.
5Want ook zijn broeders zelf geloofden niet in Hem.
5Бо й брати Його не вірували в Него.
6Jesus sprak dus tot hen: Mijn tijd is nog niet gekomen; maar uw tijd is er steeds.
6Рече тодї їм Ісус: Пора моя ще не прийшла; ваша ж пора всякого часу готова.
7U kan de wereld niet haten; maar Mij haat ze wel, omdat Ik getuig, dat haar werken boos zijn.
7Не може сьвіт ненавидїти вас, мене ж ненавидить; бо я сьвідкую про него, що дїла його лихі.
8Gaat zelf maar naar dit feest; Ik ga nog niet naar dit feest, omdat mijn tijd nog niet is gekomen.
8Ви йдїть на се сьвято; я ще не пійду на те сьвято, бо пора моя ще не сповнилась.
9Zo sprak Hij tot hen; en Hij bleef in Galilea.
9Се сказавши їм, зіставсь у Галилеї.
10Eerst toen zijn broeders waren vertrokken, vertrok Hij ook zelf naar het feest; niet publiek, maar in stilte.
10Як же пійшли брати Його, тодї й Він пійшов на сьвято, не явно, а якби потай.
11De Joden nu zochten Hem op het feest, en zeiden: Waar is Hij?
11Жиди ж шукали Його в сьвято, й казали: Де Він?
12En er werd veel over Hem onder de menigte gemompeld. Sommigen zeiden: Hij is goed; anderen weer: Neen, Hij misleidt het volk.
12І було багато говірки про Него в народї: инші казали, що Він добрий; инші ж казали: Нї, а зводить народ.
13Maar niemand sprak publiek over Hem, uit vrees voor de Joden.
13Та нїхто явно не говорив про Него задля страху перед Жидами.
14Toen het feest reeds half voorbij was, ging Jesus naar de tempel, en trad als leraar op.
14Як же було в половинї сьвята, ввійшов Ісус у церкву, та й навчав.
15De Joden stonden verwonderd, en zeiden: Hoe is Hij zo geleerd, ofschoon Hij niet onderwezen is?
15І дивувались Жиди, кажучи: Як Він писання знає, не вчившись?
16Jesus antwoordde hun en sprak: Mijn leer is niet van Mij, maar van Hem, die Mij gezonden heeft.
16Озвав ся до них Ісус і рече: Моя наука не єсть моя, а Пославшого мене.
17Zo iemand bereid is, zijn wil te volbrengen, dan zal hij weten, of die leer uit God is, of dat Ik spreek uit Mijzelf.
17Коли хто хоче волю Його чинити, знати ме про науку, чи від Бога вона, чи я від себе глаголю.
18Wie uit zichzelf spreekt, zoekt zijn eigen eer; maar wie de eer zoekt van Hem, die hem gezonden heeft, hij is waarachtig, en er is in hem geen bedrog.
18Хто від себе говорить, слави своєї шукає; хто ж шукає слави Пославшого Його, Той правдивий, і неправди нема в Йому.
19Heeft Moses u niet de Wet gegeven? En toch niemand van u onderhoudt de Wet.
19Хиба не Мойсей дав вам закон? а нїхто з вас не чинить закону. Чого шукаєте мене вбити?
20Waarom zoekt gij Mij te doden? De menigte antwoordde: Gij zijt van den duivel bezeten; wie zoekt U te doden?
20Озвавсь народ і каже: Біса маєш; хто шукає вбити Тебе?
21Jesus antwoordde hun, en sprak: Slechts één enkel werk heb Ik verricht, en toch staat gij allen daarover versteld.
21Відказав Ісус і рече їм: Одно дїло зробив я, і всї дивуєтесь.
22Moses heeft u de besnijdenis gegeven; niet dat ze van Moses afkomstig is, maar van de aartsvaders; en op sabbat dient gij iemand de besnijdenis toe.
22Мойсей дав вам обрізаннє (не, що від Мойсея воно, а від батьків); то й у суботу обрізуєте чоловіка.
23Zo iemand op sabbat de besnijdenis ontvangt, om niet de Wet van Moses te schenden, zijt gij dan verbitterd op Mij, omdat Ik een mens heel en al gezond heb gemaakt op de sabbat?
23Коли обрізаннє приймає чоловік у суботу, щоб не був зламаний закон Мойсеїв, чого на мене ремствуєте, що всього чоловіка уздоровив у суботу?
24Oordeelt niet naar de uiterlijke schijn, maar velt een rechtvaardig oordeel.
24Не судїть по виду, а праведний суд судїть.
25Sommigen van de Jerusalemmers zeiden: Is Hij het niet, dien men zoekt te doden?
25Казали тодї деякі з Єрусалимцїв: Чи не се Той, що шукають убити Його?
26En zie, Hij spreekt in het openbaar, en men zegt Hem niets. Zouden dan de overheden werkelijk hebben erkend, dat Hij de Christus is?
26І ось явно говорить, і нїчого Йому не кажуть. Чи справдї не взнали князї, що Він справдї Христос?
27Maar van Hem weten we, waar Hij vandaan is; als echter de Christus komt, weet niemand, waar Hij vandaan komt.
27Тільки ж ми Його знаємо, звідкіля Він; Христос же як прийде, нїхто не знати ме, звідкіля Він.
28Toen leerde Jesus met luider stem in de tempel, en sprak: Gij kent Mij, en gij weet ook, waar Ik vandaan ben? En toch ben Ik niet uit Mijzelf gekomen, maar Hij, die Mij gezonden heeft, is de Waarachtige; Dien kent gij niet.
28Покликне тодї в церкві Ісус, навчаючи й глаголючи: І мене знаєте, й знаєте, звідкіля я! а від себе не прийшов я, єсть же правдивий Пославший мене, котрого ви не знаєте.
29Ik ken Hem wel, omdat Ik van Hem ben uitgegaan, en omdat Hij Mij heeft gezonden.
29Я ж знаю Його, бо я від Него; й Той мене післав.
30Toen zocht men Hem gevangen te nemen; toch sloeg niemand de hand aan Hem, omdat zijn uur nog niet was gekomen.
30Шукали тодї, щоб схопити Його, та нїхто не зняв на Него руки, бо ще не прийшла година Його.
31Uit de menigte geloofden er velen in Hem. Ze zeiden: Zal de Christus, als Hij komt, meer tekenen doen dan Hij verricht?
31Многі ж з народу увірували в Него, й казали: Що, як прийде Христос, чи більші сих ознак робити ме, які Сей зробив?
32De farizeën hoorden de menigte aldus over Hem mompelen; daarom zonden de opperpriesters en farizeën dienaars uit, om Hem gevangen te nemen.
32Почули Фарисеї, що народ поговорював таке про Него, й післали Фарисеї та архиєреї слуги, щоб схопили Його.
33Nu sprak Jesus: Nog korte tijd ben Ik bij u; dan ga Ik terug naar Hem, die Mij heeft gezonden.
33Рече їм тодї Ісус: Ще малий час я з вами, й пійду до Пославшого мене.
34Gij zult Mij zoeken maar niet vinden; en waar Ik ben, kunt gij niet komen.
34Шукати мете мене, та й не знайдете; й де я, ви не зможете прийти.
35De Joden zeiden dan tot elkander: Waar wil Hij heen, dat we Hem niet zullen vinden? Wil Hij soms naar de verstrooiing der heidenen gaan, en de heidenen onderrichten?
35Казали тодї Жиди між собою: Куди Він хоче йти, що ми не знайдемо Його? Чи не між розсипаних Геленян хоче йти та навчати Геленян?
36Wat betekent dit woord, dat Hij sprak: Gij zult Mij zoeken, maar niet vinden; en: Waar Ik ben, kunt gij niet komen?
36Що се за слово, що каже: Шукати мете мене, та й не знайдете? і: Де я, ви не можете прийти?
37Op de laatste en grootste dag van het feest, stond Jesus daar, en riep met luider stem: Zo iemand dorst heeft, hij kome tot Mij; hij drinke,
37В останнїй же великий день сьвята став Ісус, та й покликнув, глаголючи: Коли хто жаждує, нехай прийде до мене, та й пє.
38wie in Mij gelooft. Zoals de Schrift heeft gezegd: “Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien”.
38Хто вірує в мене, як рече писаннє, ріки води живої з черева його потечуть.
39Dit zeide Hij van den Geest, dien zij zouden ontvangen, die in Hem zouden geloven. Want de Geest was er nog niet, daar Jesus nog niet verheerlijkt was.
39Се ж глаголав про Духа, що мають прийняти віруючі в Него; ще бо не був (на них) Дух сьвятий, бо Ісус ще не прославив ся.
40Bij het horen dezer woorden zeiden sommigen van het volk: Deze is zeker de profeet.
40Многі ж з народу, почувши се слово, сказали: Се справдї пророк,
41Anderen zeiden: Hij is de Christus. Weer anderen zeiden: Komt dan de Christus uit Galilea?
41инші казали: Чи з Галилеї ж Христу приходити?
42Heeft dan de Schrift niet gezegd, dat de Christus uit het geslacht van David komt, en uit Bétlehem, het dorp, waar David woonde?
42Чи не глаголе ж писаннє, що з насїння Давидового й з Витлеєма села, де був Давид, Христос прийде?
43Zo ontstond er verdeeldheid over Hem onder het volk.
43Тодї повстало роздїленнє в народї через Него.
44Sommigen van hen wilden Hem grijpen; maar niemand sloeg de hand aan Hem.
44Деякі ж з них хотїли схопити Його; тільки ж нїхто не зняв на Него рук.
45Nu kwamen ook de dienaars bij de opperpriesters en farizeën terug. Deze laatsten zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet meegebracht?
45Прийшли тодї слуги до архиєреїв та Фарисеїв, і казали їм вони: Чом не привели Його?
46De dienaars antwoordden: Nooit heeft iemand zó gesproken als deze man.
46Відказали слуги: Нїколи так не говорив чоловік, як Сей чоловік.
47De farizeën antwoordden hun: Hebt ook gij u laten misleiden?
47Відказали тодї їм Фарисеї: Чи й вас не зведено?
48Heeft soms iemand van de overheden of van de farizeën in Hem geloofd?
48Хиба хто з князїв увірував у Него, або з Фарисеїв?
49Ja, dat volk, dat de Wet niet kent: vervloekt zijn ze.
49А сей народ, що не знає закону, проклятий.
50Maar één van hen, Nikodemus, die vroeger Hem eens had bezocht, sprak tot hen:
50Каже Никодим до них, котрий приходив у ночі до Него, бувши один з них:
51Onze Wet veroordeelt niemand, zonder hem vooraf te hebben gehoord, en zonder te weten, wat hij doet.
51Чи закон наш судить чоловіка, коли не вислухає його перше й не знає, що робить?
52Ze gaven hem ten antwoord: Zijt gij soms uit Galilea? Onderzoek het maar; dan zult ge erkennen, dat er geen profeet uit Galilea opstaat.
52Озвались вони й казали йому: Чи й ти з Галилеї єси? Пошукай і подивись, що пророк з Галилеї не встає.
53Daarop gingen ze allen naar huis.
53І пійшов кожен до дому свого.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.