Johannes 14
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Uw hart worde niet ontsteld. Gij gelooft in God; gelooft ook in Mij.
1Нехай не трівожить ся серце ваше. Віруйте в Бога і в мене віруйте.
2In het huis van mijn Vader zijn vele woningen. Wanneer dit zo niet was, dan zou Ik het u hebben gezegd; want Ik ga er juist heen, om u een plaats te bereiden.
2В дому Отця мого осель багато. Коли б нї, сказав би вам: Ійду наготовити місце вам.
3En wanneer Ik zal zijn heengegaan en u een plaats zal hebben bereid, dan kom Ik terug, en zal u tot Mij nemen; opdat ook gij moogt zijn, waar Ikzelf ben.
3І, як пійду та наготовлю вам місце, знов прийду й прийму вас до себе, щоб де я, і ви були.
4Gij kent de weg naar de plaats, waar Ik heenga. —
4А куди я йду, знаєте, й дорогу знаєте.
5Tomas zei Hem: Heer, we weten niet eens, waar Gij heengaat; hoe zouden we dan de weg kennen?
5Каже Йому Тома: Господи, не знаємо, куди йдеш; і як можемо дорогу знати?
6Jesus sprak tot hem: Ik ben de weg, de waarheid en het leven; niemand komt tot den Vader, dan door Mij.
6Рече йому Ісус: Я дорога й правда, й життє: нїхто не приходить до Отця, як тільки мною.
7Daar gij nu Mij hebt gekend, zult gij ook den Vader kennen; van dit ogenblik af kent gij Hem, en hebt gij Hem gezien. —
7Коли б знали мене, й Отця мого знали б; і від нинї знаєте Його, й видїли Його.
8Filippus zei Hem: Heer, laat ons den Vader zien; dan zijn we tevreden.
8Каже Йому Филип: Господи, покажи нам Отця, то й буде з нас.
9Jesus sprak tot hem: Zo lange tijd ben Ik bij u, en kent ge Mij nog niet, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft den Vader gezien; hoe zegt ge dan: Laat ons den Vader zien?
9Рече йому Ісус: Стілький час я з вами, й не пізнав єси мене, Филипе? Хто видїв мене, видїв Отця; як же ти кажеш: Покажи нам Отця?
10Gelooft gij dan niet, dat Ik in den Vader ben, en de Vader in Mij? De woorden, die Ik u toespreek, zeg Ik niet uit Mijzelf; het is de Vader, die in Mij blijft, die zelf de werken verricht.
10Хиба не ймеш віри, що я в Отцї і Отець у менї? Слова, що я промовляю вам, від себе не промовляю; Отець же, що в менї пробуває, Той робить дїла.
11Gelooft het van Mij: Ik ben in den Vader, en de Vader is in Mij.
11Віруйте менї, що я в Отцї і Отець у менї; коли ж нї, задля дїл самих віруйте менї.
12Zo niet; gelooft het dan op grond van de werken. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie in Mij gelooft, ook hij zal de werken doen, die Ik zelf verricht; en zelfs grotere zal hij doen. Want Ik ga naar den Vader;
12Істино, істино глаголю вам: Хто вірує в мене, дїла, що я роблю, і він робити ме: й більше сього робити ме; бо я до Отця мого йду.
13en alles zal Ik doen, wat gij Hem zult vragen in mijn naam, opdat de Vader verheerlijkt wordt in den Zoon.
13І чого просити мете в імя моє, те зроблю, щоб прославивсь Отець у Синї.
14Wanneer gij ook Mij in mijn naam iets zult vragen, dan zal Ik het doen. —
14Коли чого просити мете в імя моє, я зроблю.
15Zo gij Mij liefhebt, onderhoudt dan mijn geboden.
15Коли любите мене, хоронїть заповідї мої.
16Dan zal Ik den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Helper geven, om bij u te blijven voor eeuwig.
16І я вблагаю Отця, і дасть вам иншого утїшителя, щоб пробував з вами по вік, —
17Het is de Geest der waarheid, dien de wereld niet kan ontvangen, omdat ze Hem ziet noch kent; gij echter kent Hem; want Hij blijft bij u, en is in u. —
17Духа правди, котрого сьвіт не може прийняти; бо не видить Його, анї знає Його; ви ж знаєте Його, бо з вами пробуває і в вас буде.
18Ik zal u niet als wezen achterlaten; Ik kom tot u terug.
18Не зоставлю вас сиротами: прийду до вас.
19Nog korte tijd en de wereld aanschouwt Mij niet meer; gij echter aanschouwt Mij. Want Ik leef, en ook gij zult leven.
19Ще трохи, й сьвіт мене більш не видїти ме; ви ж будете видїти мене, бо я живу, й ви жити мете.
20Op die dag zult gij erkennen, dat Ik in mijn Vader ben, en gij in Mij, en Ik in u. —
20Того дня знати мете, що я в Отцї моїм, і ви в менї, а я в вас.
21Wie mijn geboden heeft en ze onderhoudt, hij is het, die Mij liefheeft; maar wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden bemind, en ook Ikzelf zal hem beminnen en Mij aan hem openbaren.
21Хто має заповідї мої і хоронить їх, той любить мене; хто ж любить мене, буде люблений від Отця мого, і я любити му його, і обявлюсь йому.
22Judas, maar niet de Iskáriot, sprak tot Hem: Heer, hoe komt het, dat Gij U wel aan ons wilt openbaren, maar niet aan de wereld?
22Каже Йому Юда, не Іскариоцький: Господи, що воно єсть, що маєш нам обявитись, а не сьвітові?
23Jesus antwoordde hem: Zo iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; dan zal mijn Vader ook hem beminnen, en Wij zullen tot hem komen, en ons verblijf bij hem nemen.
23Відказав Ісус і рече йому: Коли хто любить мене, слово моє хоронити ме, і Отець мій любити ме його, і до него прийдемо, і оселю в него зробимо.
24Wie Mij niet liefheeft, onderhoudt mijn woorden niet; welnu het woord, dat gij hoort, is niet het mijne, maar dat van den Vader, die Mij heeft gezonden.
24Хто не любить мене, словес моїх не хоронить; а слово, що ви чуєте, не моє, а пославшого мене Отця.
25Dit alles heb Ik u gezegd, terwijl Ik nog bij u was.
25Се я глаголав вам, у вас пробуваючи.
26Maar de Helper, de Heilige Geest, dien de Vader zal zenden in mijn naam, Hij zal u alles leren en alles u in herinnering brengen, wat Ik u heb gezegd.
26Утїшитель же, Дух сьвятий, котрого пішле Отець в імя моє, Той научить вас усього, й пригадає вам усе, що я глаголав вам.
27Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart zij ontsteld, noch bevreesd. —
27Упокій оставляю вам, мій упокій даю вам; не, яко ж сьвіт дає, я даю вам. Нехай не трівожить ся серце ваше, анї лякаєть ся.
28Gij hebt gehoord, dat Ik u zeide: Ik ga heen, maar Ik kom tot u terug. Zo gij Mij liefhadt, zoudt gij u verheugen, dat Ik naar den Vader ga; want de Vader is groter dan Ik. —
28Ви чули, що я глаголав вам: Ійду, й прийду до вас. Коли б любили мене, зрадїли б, що я сказав: Ійду до Отця; бо Отець мій більший мене.
29En nu, eer het geschied is, heb Ik het u gezegd; opdat gij moogt geloven, wanneer het geschiedt.
29І оце глаголав вам, перш нїж тому стати ся, щоб, як станеть ся, увірували.
30Ik zal niet veel meer met u spreken; want de vorst van de wereld is op komst. Zeker, hij vermag niets tegen Mij;
30Вже більш не говорити му багато з вами, йде бо князь сьвіта сього, й у менї не має нїчого.
31maar de wereld moet weten, dat Ik den Vader bemin, en dat Ik volbreng, wat de Vader Mij bevolen heeft. Staat op; laten we heengaan.
31Та, щоб знав сьвіт, що я люблю Отця, і, яко ж заповідав менї Отець, так чиню. Уставайте, ходїмо з відсїля.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.