Johannes 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Zes dagen voor Pasen kwam Jesus te Betánië, waar Lázarus woonde, dien Jesus uit de doden had opgewekt.
1Тодї Ісус, шестого дня перед пасхою, прийшов у Витанию, де був Лазар, що був умер, котрого воскресив із мертвих.
2Men richtte daar een maaltijd voor Hem aan; Marta bediende, en Lázarus was één van zijn disgenoten.
2Зробили тодї Йому вечерю там, і Марта послугувала, Лазар же був один із тих, що сидїли за столом.
3Toen nam Maria een pond onvervalste, kostbare nardusbalsem, zalfde de voeten van Jesus, en droogde ze met de haren af. En het huis was vol van de balsemgeur.
3Мария ж, узявши литру мира нардового, правдивого, предорогого, намастила ноги Ісусу, та й обтерла волоссєм своїм ноги Його; господа ж повна була духу від мира.
4Toen zei Judas Iskáriot, een van zijn leerlingen, die Hem verraden zou:
4Каже тодї один з учеників Його, Юда Симонів Іскариоцький, що мав Його зрадити.
5Waarom die balsem niet voor driehonderd tienlingen verkocht, en ze aan de armen gegeven?
5Чому мира сього не продано за триста денариїв та не роздано вбогим?
6Dit zei hij niet, omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was; daar hij de beurs droeg, stal hij weg, wat daarin kwam.
6Сказав же се не того, що про вбогих дбав, а що злодїй був, і скриньку мав, і, що вкидано, носив.
7Maar Jesus sprak: Laat haar begaan; ze heeft hem moeten bewaren voor de dag mijner begrafenis.
7Рече тодї Ісус: Остав її; на день похорону мого приховала се.
8Want de armen behoudt gij altijd; Mij niet.
8Вбогих бо маєте всякого часу з собою, мене ж не всякого часу маєте.
9Toen men vernam, dat Hij Zich dáár bevond, kwam een talrijke menigte Joden daarheen, niet enkel om Jesus, maar ook om Lázarus te zien, dien Hij uit de doden had opgewekt.
9Довідалось же багато народу з Жидів, що Він там, і поприходили не задля Ісуса одного, а щоб і Лазаря побачити, котрого воскресив із мертвих.
10Maar de opperpriesters besloten ook Lázarus te doden,
10Нарадили ся ж архиєреї, щоб і Лазаря вбити;
11omdat veel Joden om hem afvielen en in Jesus geloofden.
11бо многі через него приходили від Жидів, та й увірували в Ісуса.
12Toen daags daarna de grote menigte, die naar het feest was gekomen, vernam, dat Jesus op weg naar Jerusalem was,
12Назавтра багато народу, поприходивши на сьвято, почувши, що Ісус ійде в Єрусалим,
13namen ze palmtakken, trokken Hem tegemoet, en riepen: Hosanna, Gezegend, die komt in de naam des Heren, De Koning van Israël!
13побрали віттє пальмове, та й вийшли назустріч Йому, покликуючи: Осанна! благословен грядущий в імя Господнє, Цар Ізраїлїв!
14Jesus, die een jongen ezel gevonden had, ging er op zitten, zoals er geschreven staat:
14Знайшовши ж Ісус осля, сїв на него, як написано:
15“Vrees niet, dochter van Sion; Zie, uw Koning komt, Gezeten op een ezelsveulen.”
15Не лякайсь, дочко Сионська! ось твій Цар іде, сидячи на молодому ослї.
16(Niet aanstonds begrepen zijn leerlingen dit; maar toen Jesus verheerlijkt was, herinnerden ze zich, dat dit van Hem geschreven stond, en dat men dit aan Hem had vervuld.)
16Сього ж не зрозуміли ученики Його спершу; тільки, як прославивсь Ісус, тодї згадали, що се про Него писано, й що се зробили Йому.
17Want de schare, die bij Hem was, toen Hij Lázarus uit het graf had geroepen en uit de doden had opgewekt, was daarvan blijven getuigen.
17Сьвідкував же народ, що був із Ним, як Лазаря викликав із гробу й воскресив Його з мертвих.
18En daarom juist kwam de menigte Hem tegemoet, omdat ze hadden vernomen, dat Hij dit teken verricht had.
18Тим і зустрів Його народ, бо чув, що Він зробив сю ознаку.
19Maar de farizeën zeiden tot elkander: Gij ziet, dat gij niets verder komt. Zie, de hele wereld loopt achter Hem aan.
19Фарисеї ж казали між собою: Бачите, що не вдїєте нїчого? ось увесь сьвіт за Ним пійшов!
20Onder hen, die bij gelegenheid van dit feest ter aanbidding waren opgegaan, bevonden zich ook enige heidenen.
20Були ж деякі Геленяне між тими, що поприходили, щоб поклонитись у сьвято.
21Ze kwamen bij Filippus, die uit Betsáida van Galilea was, en richtten tot hem het verzoek: Heer, we wensen Jesus te spreken.
21Сї ж приступили до Филипа, що був з Витсаїди Галилейської, кажучи: Добродїю, хочемо Ісуса видїти.
22Filippus ging het aan Andreas zeggen; en Andreas en Filippus zeiden het Jesus.
22Приходить Филип і каже Андреєві, а знов Андрей та Филип кажуть Ісусові.
23Jesus antwoordde hun, en sprak: Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.
23Ісус же відказав їм, говорячи: Прийшла година, щоб прославив ся Син чоловічий.
24Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort.
24Істино, істино глаголю вам: Коли зерно пшеничне, впавши на землю, не вмре, то одно зостаєть ся; коли ж умре, то багато овощу приносить.
25Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen; maar wie in deze wereld zijn leven haat, zal het behouden ten eeuwigen leven.
25Хто любить душу свою, погубить її; а хто ненавидить душу свою в сьвітї сьому, на вічнє життє збереже її.
26Zo iemand mijn dienaar wil zijn, hij volge Mij na; en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Zo iemand Mij dient, dan zal de Vader hem eren.
26Коли менї служить хто, нехай іде слїдом за мною; і де я, там і слуга мій буде. І коли хто менї служить, пошанує його Отець.
27Nu is mijn ziel ontsteld, en wat zal Ik zeggen? Vader, red Mij uit deze stonde? Neen, want daarom juist ben Ik tot deze stonde gekomen!
27Тепер же душа моя стрівожилась, і що менї казати? Отче, спаси мене від години сієї; тільки ж для сього прийшов я на годину сю.
28Vader, verheerlijk uw Naam! Toen kwam er een stem uit de hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem opnieuw verheerlijken.
28Отче, прослав імя Твоє! Зійшов тодї голос із неба: І прославив, і знов прославлю.
29De menigte, die daar stond en het hoorde, meende, dat het gedonderd had. Maar anderen zeiden: Een engel heeft Hem toegesproken.
29Народ же, що стояв і чув, казав, що грім загремів. Инші казали: Ангел Йому говорив.
30Jesus antwoordde: Niet om Mij heeft die stem geklonken, maar om u.
30Озвавсь Ісус і рече: Сей голос роздавсь не ради мене, а ради вас.
31Nu wordt het oordeel over deze wereld voltrokken; nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen.
31Тепер суд сьвіту сьому: тепер князь сьвіту сього проженеть ся геть.
32En wanneer Ik van de aarde omhoog ben geheven, zal Ik allen tot Mij trekken.
32І я, як буду піднятий від землї, всїх притягну до себе.
33Dit zeide Hij, om te kennen te geven, wat voor dood Hij zou sterven.
33Се ж глаголав, означуючи, якою смертю має вмерти.
34De menigte antwoordde Hem: We hebben uit de Wet vernomen, dat de Christus in eeuwigheid blijft; en hoe zegt Gij dan, dat de Mensenzoon omhoog geheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?
34Озвавсь до Него народ: Ми чули з закону, що Христос пробуває по вік; як же Ти кажеш, що треба угору піднятись Синові чоловічому ? Хто се Син чоловічий?
35Jesus sprak tot hen: Nog een korte tijd is het licht in uw midden. Wandelt, zolang gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet verrast; wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
35Рече ж їм Ісус: Ще малий час сьвітло з вами. Ходїть, доки сьвітло маєте, щоб темрява вас не захопила; а хто ходить у темряві, не знає, куди йде.
36Zolang gij het licht hebt, gelooft in het licht, om kinderen des lichts te worden. Zo sprak Jesus; toen ging Hij heen, en verborg Zich voor hen.
36Доки сьвітло маєте, віруйте в сьвітло, щоб синами сьвітла стали ся. Се промовив Ісус, і пійшовши, заховавсь од них.
37Ofschoon Hij nu voor hun ogen zoveel tekenen had gewrocht, geloofden ze toch niet in Hem;
37Хоч стільки ознак зробив перед ними, не увірували в Него,
38opdat het woord in vervulling zou gaan, dat de profeet Isaias gezegd heeft: “Heer, wie heeft onze prediking geloofd, En wien is de arm des Heren geopenbaard?”
38щоб слово Ісаїї пророка справдилось, котрий промовив: Господи, хто вірував тому, що чув од нас? і рамя Господнє кому відкрилось?
39Daarom konden ze zelfs niet geloven; want nog heeft Isaias gezegd:
39Тим не змогли вірувати, що знов глаголе Ісаїя:
40“Hij heeft hun ogen verblind, En hun harten versteend; Opdat ze niet zouden zien met hun ogen, En niet verstaan met hun hart; Opdat zij zich niet zouden bekeren, En Ik hen zou genezen.”
40Заслїпив очі їх і закаменив серце їх, щоб не бачили очима, нї розуміли серцем, і не обернулись, і я не сцїлив їх.
41Dit zei Isaias, toen hij zijn heerlijkheid had aanschouwd, en over Hem had gesproken.
41Се промовив Ісаїя, як видїв славу Його й глаголав про Него.
42Toch geloofden zelfs velen van de oversten in Hem, maar uit vrees voor de farizeën kwamen ze er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen.
42Однако ж з князїв многі увірували в Него, та задля Фарисеїв не визнавали, щоб не вилучено їх із школи.
43Want ze waren meer gehecht aan de eer van de mensen, dan aan de eer, die van God komt.
43Любили бо славу чоловічу більш, нїж славу Божу.
44Jesus nu heeft het luide verklaard: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij heeft gezonden.
44Ісус же покликнув, і рече: Хто вірує в мене, не в мене вірує, а в Пославшого мене.
45En wie Mij ziet, ziet Hem, die Mij heeft gezonden.
45І хто видить мене, видить Пославшого мене.
46Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat niemand, die in Mij gelooft, in duisternis blijft.
46Я сьвітлом у сьвіт прийшов, щоб усякий, хто вірує в мене, в темряві не пробував.
47Zo iemand mijn woorden hoort, maar ze niet onderhoudt, dan ben Ik het niet, die hem oordeel; want Ik ben niet gekomen, om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden.
47І коли хто слухає слова мої, та й не вірує, я не суджу його; бо я прийшов, не щоб судити сьвіт, а щоб спасти сьвіт.
48Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft er een, die hem oordeelt; het woord, dat Ik sprak, dat zal hem oordelen op de jongste dag.
48Хто цураєть ся мене, й не приймає словес моїх, має собі суддю: слово, що я глаголав, воно судити ме його останнього дня.
49Want niet uit Mijzelf heb Ik gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, Hijzelf heeft Mij geboden, wat Ik moest zeggen en spreken.
49Бо я не від себе глаголав, а пославший мене Отець, Він менї заповідь дав, що промовляти і що глаголати.
50En Ik weet, dat zijn gebod het eeuwige leven is. Wat Ik dus spreek, spreek Ik zó, als de Vader het Mij heeft gezegd.
50І я знаю, що Його заповідь життє вічнє. Що ж промовляю я, яко ж глаголав менї Отець, так промовляю.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.