Johannes 12
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Zes dagen voor Pasen kwam Jesus te Betánië, waar Lázarus woonde, dien Jesus uit de doden had opgewekt.
1Então, seis dias antes da Páscoa, Jesus foi a Betânia, onde estava Lázaro, que estivera morto, a quem ele ressuscitou dos mortos.
2Men richtte daar een maaltijd voor Hem aan; Marta bediende, en Lázarus was één van zijn disgenoten.
2Então, prepararam-lhe ali uma ceia. Marta servia, mas Lázaro era um dos que estavam à mesa com ele.
3Toen nam Maria een pond onvervalste, kostbare nardusbalsem, zalfde de voeten van Jesus, en droogde ze met de haren af. En het huis was vol van de balsemgeur.
3Portanto, Maria pegou uma libra de perfume de nardo puro, muito precioso, e ungiu os pés de Jesus e enxugou os pés dele com os seus cabelos. A casa encheu-se com a fragrância do perfume.
4Toen zei Judas Iskáriot, een van zijn leerlingen, die Hem verraden zou:
4Então Judas Iscariotes, filho de Simão, um dos seus discípulos, aquele que o haveria de trair, disse:
5Waarom die balsem niet voor driehonderd tienlingen verkocht, en ze aan de armen gegeven?
5“Por que este perfume não foi vendido por trezentos denários e dado aos pobres?”
6Dit zei hij niet, omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was; daar hij de beurs droeg, stal hij weg, wat daarin kwam.
6Ora, ele disse isso não porque se importasse com os pobres, mas porque era ladrão e, como ficava com a bolsa de dinheiro, costumava roubar o que era colocado nela.
7Maar Jesus sprak: Laat haar begaan; ze heeft hem moeten bewaren voor de dag mijner begrafenis.
7Mas Jesus disse: “Deixe-a em paz. Ela guardou isto para o dia do meu sepultamento.
8Want de armen behoudt gij altijd; Mij niet.
8Pois os pobres vocês sempre têm consigo, mas a mim vocês nem sempre têm.”
9Toen men vernam, dat Hij Zich dáár bevond, kwam een talrijke menigte Joden daarheen, niet enkel om Jesus, maar ook om Lázarus te zien, dien Hij uit de doden had opgewekt.
9Portanto, uma grande multidão de judeus soube que ele estava ali; e eles vieram, não somente por causa de Jesus, mas também para que pudessem ver Lázaro, a quem ele havia ressuscitado dos mortos.
10Maar de opperpriesters besloten ook Lázarus te doden,
10Mas os principais sacerdotes conspiraram para matar Lázaro também,
11omdat veel Joden om hem afvielen en in Jesus geloofden.
11porque, por causa dele, muitos dos judeus se afastavam e criam em Jesus.
12Toen daags daarna de grote menigte, die naar het feest was gekomen, vernam, dat Jesus op weg naar Jerusalem was,
12No dia seguinte, uma grande multidão que tinha vindo à festa, ao ouvir que Jesus estava chegando a Jerusalém,
13namen ze palmtakken, trokken Hem tegemoet, en riepen: Hosanna, Gezegend, die komt in de naam des Heren, De Koning van Israël!
13pegou ramos de palmeiras e saiu ao seu encontro, e clamava: “Hosana! Bendito é o que vem em nome do Senhor, o Rei de Israel!”
14Jesus, die een jongen ezel gevonden had, ging er op zitten, zoals er geschreven staat:
14Jesus encontrou um jumentinho e montou nele. Como está escrito:
15“Vrees niet, dochter van Sion; Zie, uw Koning komt, Gezeten op een ezelsveulen.”
15“Não tenha medo, filha de Sião. Eis que o seu Rei vem, montado na cria de uma jumenta.”
16(Niet aanstonds begrepen zijn leerlingen dit; maar toen Jesus verheerlijkt was, herinnerden ze zich, dat dit van Hem geschreven stond, en dat men dit aan Hem had vervuld.)
16Seus discípulos não entenderam essas coisas a princípio, mas quando Jesus foi glorificado, então eles se lembraram de que essas coisas estavam escritas a respeito dele, e de que lhe haviam feito essas coisas.
17Want de schare, die bij Hem was, toen Hij Lázarus uit het graf had geroepen en uit de doden had opgewekt, was daarvan blijven getuigen.
17Portanto, a multidão que estava com ele quando chamou Lázaro do túmulo e o ressuscitou dos mortos dava testemunho disso.
18En daarom juist kwam de menigte Hem tegemoet, omdat ze hadden vernomen, dat Hij dit teken verricht had.
18Por isso a multidão também foi ao seu encontro, porque ouviram que ele tinha feito este sinal.
19Maar de farizeën zeiden tot elkander: Gij ziet, dat gij niets verder komt. Zie, de hele wereld loopt achter Hem aan.
19Os fariseus, portanto, disseram entre si: “Vejam! Vocês não estão conseguindo nada. Eis que o mundo foi atrás dele.”
20Onder hen, die bij gelegenheid van dit feest ter aanbidding waren opgegaan, bevonden zich ook enige heidenen.
20Ora, havia certos gregos entre os que subiram para adorar na festa.
21Ze kwamen bij Filippus, die uit Betsáida van Galilea was, en richtten tot hem het verzoek: Heer, we wensen Jesus te spreken.
21Portanto, estes se aproximaram de Filipe, que era de Betsaida da Galileia, e lhe pediram, dizendo: “Senhor, nós queremos ver Jesus.”
22Filippus ging het aan Andreas zeggen; en Andreas en Filippus zeiden het Jesus.
22Filipe foi contar a André; então André e Filipe foram contar a Jesus.
23Jesus antwoordde hun, en sprak: Het uur is gekomen, dat de Mensenzoon verheerlijkt wordt.
23Jesus lhes respondeu: “Chegou a hora de o Filho do Homem ser glorificado.
24Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo de graankorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft ze alleen; maar zo ze sterft, brengt ze rijke vruchten voort.
24Em verdade, em verdade lhes digo: se um grão de trigo não cair na terra e não morrer, ele permanecerá só. Mas se morrer, produzirá muito fruto.
25Wie zijn leven liefheeft, zal het verliezen; maar wie in deze wereld zijn leven haat, zal het behouden ten eeuwigen leven.
25Aquele que ama a sua vida a perderá. Aquele que odeia a sua vida neste mundo a conservará para a vida eterna.
26Zo iemand mijn dienaar wil zijn, hij volge Mij na; en waar Ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Zo iemand Mij dient, dan zal de Vader hem eren.
26Se alguém me serve, siga-me. Onde eu estiver, ali também estará o meu servo. Se alguém me servir, o Pai o honrará.
27Nu is mijn ziel ontsteld, en wat zal Ik zeggen? Vader, red Mij uit deze stonde? Neen, want daarom juist ben Ik tot deze stonde gekomen!
27“Agora a minha alma está angustiada. E o que direi? 'Pai, salva-me desta hora'? Mas foi precisamente para esta hora que eu vim.
28Vader, verheerlijk uw Naam! Toen kwam er een stem uit de hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem opnieuw verheerlijken.
28Pai, glorifica o teu nome!” Então veio uma voz do céu, dizendo: “Eu já o glorifiquei e o glorificarei novamente.”
29De menigte, die daar stond en het hoorde, meende, dat het gedonderd had. Maar anderen zeiden: Een engel heeft Hem toegesproken.
29Portanto, a multidão que estava ali e a ouviu disse que havia trovejado. Outros disseram: “Um anjo falou com ele.”
30Jesus antwoordde: Niet om Mij heeft die stem geklonken, maar om u.
30Jesus respondeu: “Esta voz não veio por minha causa, mas por causa de vocês.
31Nu wordt het oordeel over deze wereld voltrokken; nu zal de vorst dezer wereld worden buitengeworpen.
31Agora é o juízo deste mundo. Agora o príncipe deste mundo será expulso.
32En wanneer Ik van de aarde omhoog ben geheven, zal Ik allen tot Mij trekken.
32E eu, se for levantado da terra, atrairei todos a mim.”
33Dit zeide Hij, om te kennen te geven, wat voor dood Hij zou sterven.
33Mas ele disse isso, significando de que tipo de morte haveria de morrer.
34De menigte antwoordde Hem: We hebben uit de Wet vernomen, dat de Christus in eeuwigheid blijft; en hoe zegt Gij dan, dat de Mensenzoon omhoog geheven moet worden? Wie is die Mensenzoon?
34A multidão lhe respondeu: “Nós ouvimos da lei que o Cristo permanece para sempre. Como você diz: 'O Filho do Homem deve ser levantado' ? Quem é esse Filho do Homem?”
35Jesus sprak tot hen: Nog een korte tijd is het licht in uw midden. Wandelt, zolang gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet verrast; wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat.
35Jesus, portanto, lhes disse: “A luz ainda está com vocês por um pouco de tempo. Andem enquanto vocês têm a luz, para que as trevas não os alcancem. Aquele que anda nas trevas não sabe para onde vai.
36Zolang gij het licht hebt, gelooft in het licht, om kinderen des lichts te worden. Zo sprak Jesus; toen ging Hij heen, en verborg Zich voor hen.
36Enquanto vocês têm a luz, creiam na luz, para que se tornem filhos da luz.” Depois de dizer essas coisas, Jesus retirou-se e se escondeu deles.
37Ofschoon Hij nu voor hun ogen zoveel tekenen had gewrocht, geloofden ze toch niet in Hem;
37Mas, embora ele tivesse feito tantos sinais diante deles, ainda assim não criam nele,
38opdat het woord in vervulling zou gaan, dat de profeet Isaias gezegd heeft: “Heer, wie heeft onze prediking geloofd, En wien is de arm des Heren geopenbaard?”
38para que se cumprisse a palavra do profeta Isaías, que ele falou: “Senhor, quem creu em nossa mensagem? A quem foi revelado o braço do Senhor?”
39Daarom konden ze zelfs niet geloven; want nog heeft Isaias gezegd:
39Por isso eles não podiam crer, pois Isaías disse novamente:
40“Hij heeft hun ogen verblind, En hun harten versteend; Opdat ze niet zouden zien met hun ogen, En niet verstaan met hun hart; Opdat zij zich niet zouden bekeren, En Ik hen zou genezen.”
40“Ele cegou os seus olhos e endureceu o seu coração, para que não vejam com os olhos, e compreendam com o coração, e se convertam, e eu os cure.”
41Dit zei Isaias, toen hij zijn heerlijkheid had aanschouwd, en over Hem had gesproken.
41Isaías disse essas coisas quando viu a sua glória, e falou a respeito dele.
42Toch geloofden zelfs velen van de oversten in Hem, maar uit vrees voor de farizeën kwamen ze er niet voor uit, om niet uit de synagoge te worden gebannen.
42No entanto, até mesmo muitos dos líderes creram nele, mas por causa dos fariseus não o confessavam, para não serem expulsos da sinagoga,
43Want ze waren meer gehecht aan de eer van de mensen, dan aan de eer, die van God komt.
43pois amavam mais o louvor dos homens do que o louvor de Deus.
44Jesus nu heeft het luide verklaard: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem, die Mij heeft gezonden.
44Jesus clamou e disse: “Quem crê em mim, não crê em mim, mas naquele que me enviou.
45En wie Mij ziet, ziet Hem, die Mij heeft gezonden.
45Quem me vê, vê aquele que me enviou.
46Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat niemand, die in Mij gelooft, in duisternis blijft.
46Eu vim como luz ao mundo, para que todo aquele que crê em mim não permaneça nas trevas.
47Zo iemand mijn woorden hoort, maar ze niet onderhoudt, dan ben Ik het niet, die hem oordeel; want Ik ben niet gekomen, om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden.
47Se alguém ouve as minhas palavras e não crê, eu não o julgo. Pois eu não vim para julgar o mundo, mas para salvar o mundo.
48Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aanneemt, heeft er een, die hem oordeelt; het woord, dat Ik sprak, dat zal hem oordelen op de jongste dag.
48Quem me rejeita e não recebe as minhas palavras tem quem o julgue. A palavra que eu falei, essa o julgará no último dia.
49Want niet uit Mijzelf heb Ik gesproken, maar de Vader, die Mij gezonden heeft, Hijzelf heeft Mij geboden, wat Ik moest zeggen en spreken.
49Pois eu não falei por mim mesmo, mas o Pai, que me enviou, me deu um mandamento sobre o que eu deveria dizer e o que eu deveria falar.
50En Ik weet, dat zijn gebod het eeuwige leven is. Wat Ik dus spreek, spreek Ik zó, als de Vader het Mij heeft gezegd.
50Eu sei que o seu mandamento é a vida eterna. Portanto, falo exatamente como o Pai me disse.”
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.