Johannes 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1En de derde dag werd er een bruiloft gevierd te Kana van Galilea. De moeder van Jesus was er tegenwoordig,
1А третього дня було весїллє в Канї Галилейській; і була мати Ісусова там;
2en ook Jesus met zijn leerlingen waren ter bruiloft genodigd.
2запрошено ж і Ісуса, й учеників Його на весїллє.
3En toen er gebrek kwam aan wijn, sprak de moeder van Jesus tot Hem: Ze hebben geen wijn meer.
3І, як не ставало вина, каже мати Ісусова до Него: Вина не мають.
4Maar Jesus zeide haar: Vrouw, wat is er tussen Mij en u? Nog is mijn uur niet gekomen.
4Рече їй Ісус: Що менї й тобі, жено? ще не прийшла година моя.
5Zijn moeder sprak tot de bedienden: Doet wat Hij u zeggen zal.
5Каже Його мати слугам: Що вам скаже, робіть.
6Daar waren nu zes stenen kruiken, elk van twee of drie maten inhoud, die er voor de joodse reiniging waren geplaatst.
6Стояло ж там шість камяних водників про очищеннє Жидівське, що містили відер по два або по три.
7Jesus zei hun: Vult de kruiken met water. Ze vulden ze tot boven toe.
7Рече їм Ісус: Поналивайте водники водою. І поналивали їх аж по верх.
8Toen sprak Hij tot hen: Schept er nu uit, en brengt het naar den hofmeester. Ze brachten het.
8І рече їм: Черпайте тепер, та й несїть до старости. І понесли.
9Zodra nu de hofmeester van het water geproefd had, dat wijn was geworden, (hij wist niet, waar die vandaan kwam; maar de bedienden, die het water hadden geschept, wisten het wel), riep de hofmeester den bruidegom,
9Як же покоштував староста води, що сталась вином (а не знав, звідкіля, слуги ж знали, що черпали воду), кличе жениха староста,
10en zeide tot hem: Iedereen schenkt eerst de goede wijn, en als men goed gedronken heeft, dan de mindere soort; maar gij hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.
10і каже йому: Кожен чоловік перш добре вино ставить, а як підопють, тодї гірше; ти ж додержав добре вино аж досї.
11Zo deed Jesus zijn eerste wonder te Kana van Galilea, en openbaarde Hij zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden in Hem.
11Сей почин ознак зробив Ісус у Канї Галилейській, і показав славу свою; і вірували в Него ученики Його.
12Daarna vertrok Hij naar Kafárnaum; Hij zelf met zijn moeder en broeders en zijn leerlingen; en zij bleven daar enkele dagen.
12Після сього пійшов у Капернаум, Він і мати Його, й брати Його, й ученики Його; і там пробували небагато днїв.
13Toen het paasfeest der Joden nabij was, trok Jesus naar Jerusalem op.
13А була близько пасха у Жидів, і пійшов у Єрусалим Ісус,
14Hij zag in de tempel de verkopers van runderen, schapen en duiven; ook de geldwisselaars, die zich daar hadden neergezet.
14і знайшов у церкві продаючих воли, й вівцї, і голуби, й міняльників сидячих.
15En Hij maakte een zweep van koorden, dreef ze allen met schapen en runderen de tempel uit, en smeet het geld der wisselaars op de grond en de tafels omver.
15І, зробивши джгута з мотузків, повиганяв усїх із церкви, й вівцї й воли, а міняльникам порозсипав гроші, і столи поперевертав;
16En tot de duivenverkopers zeide Hij: Weg ermee; maakt het huis van mijn Vader niet tot een verkooplokaal.
16а тим, що голуби продавали, рече: Візьміть се звідсїля; не робіть дому Отця мого домом торговим.
17Toen herinnerden zich zijn leerlingen, dat er geschreven staat: “De ijver voor uw huis zal Mij verteren.”
17Згадали ж ученики Його, що написано: Ревність дому твого зʼїла мене.
18Maar nu namen de Joden het woord, en zeiden tot Hem: Wat teken laat Gij ons zien, om zo te mogen optreden?
18Озвались тодї Жиди, й казали Йому: Що за знак покажеш нам, що се робиш?
19Jesus gaf hun ten antwoord: Breekt deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem opbouwen.
19Озвавсь Ісус і рече їм: Зруйнуйте сю церкву, й я за три днї підніму вам її.
20De Joden zeiden: Zes en veertig jaar heeft men aan deze tempel gewerkt, en zult Gij hem in drie dagen opbouwen?
20Казали тодї Жиди: Сорок і шість років будовано церкву сю, а Ти в три днї піднімеш її?
21Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam.
21Він же глаголав про церкву тїла свого.
22Toen Hij dan van de doden verrezen was, herinnerden zich zijn leerlingen, dat Hij dit had gezegd; en ze geloofden in de Schrift, en in het woord, dat Jesus gesproken had.
22Як же встав з мертвих, згадали ученики Його, що Він се глаголав їм; і вірували писанню і слову, що глаголав Ісус.
23Terwijl Hij nu gedurende het paasfeest te Jerusalem was, geloofden er velen in zijn naam bij het zien van de tekenen, die Hij verrichtte.
23Як же був у Єрусалимі у пасху на сьвята, многі увірували в імя Його, побачивши чудеса Його, що робив.
24Maar Jesus zelf had geen vertrouwen in hen, omdat Hij allen kende,
24Сам же Ісус не звіряв ся їм, тим що знав усїх:
25en omdat Hij niet nodig had, dat men Hem over iemand inlichtingen gaf. Want zelf wist Hij heel goed, wat er omging in den mens.
25бо не треба було Йому, щоб хто сьвідкував про чоловіка, бо Він знав, що було в чоловіку.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.