Johannes 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1En de derde dag werd er een bruiloft gevierd te Kana van Galilea. De moeder van Jesus was er tegenwoordig,
1A NI kajilu en ran kamadip en kapapaud wiaui Kana nan Kaliliia; a in en Iejuj kot waja o.
2en ook Jesus met zijn leerlingen waren ter bruiloft genodigd.
2Iejuj o japwilim a tounpadak kan me pil luke don kamadip o.
3En toen er gebrek kwam aan wijn, sprak de moeder van Jesus tot Hem: Ze hebben geen wijn meer.
3Arail wain lao rojelar, in en Iejuj ap majani on i: Jolar arail wain.
4Maar Jesus zeide haar: Vrouw, wat is er tussen Mij en u? Nog is mijn uur niet gekomen.
4Iejuj kotin majani on i: Li, menda re om? Ai anjau jai kenta leler.
5Zijn moeder sprak tot de bedienden: Doet wat Hij u zeggen zal.
5In a ap majani on papa kan: Komail wiada meakaroj, me a pan kotin majani on komail.
6Daar waren nu zes stenen kruiken, elk van twee of drie maten inhoud, die er voor de joodse reiniging waren geplaatst.
6Ari, potel takai wonu mi waja o, en Juj akan ar men dopedop lole. Eu me laude on metreten riau de jilu.
7Jesus zei hun: Vult de kruiken met water. Ze vulden ze tot boven toe.
7Iejuj kotin majani on irail: Komail idip on pil en potel akan! Irail ari kodiada lel au ar.
8Toen sprak Hij tot hen: Schept er nu uit, en brengt het naar den hofmeester. Ze brachten het.
8A ap kotin majani on irail: Deukada, wala ren me kaun en konot i Irail ap wala.
9Zodra nu de hofmeester van het water geproefd had, dat wijn was geworden, (hij wist niet, waar die vandaan kwam; maar de bedienden, die het water hadden geschept, wisten het wel), riep de hofmeester den bruidegom,
9Kaun en konot lao jon kij pil, me wia wain la, o jo aja, a idipi jan ia, a papa kan, me idip pil da, aja. Kaun en konot ap ekeredo ol kamod o,
10en zeide tot hem: Iedereen schenkt eerst de goede wijn, en als men goed gedronken heeft, dan de mindere soort; maar gij hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.
10Indan i: Aramaj karoj kin kida maj wain mau, toun kamadip lao medilar, re kin kida, me jota non mau. A komui kin nekinekid wain mau lel met.
11Zo deed Jesus zijn eerste wonder te Kana van Galilea, en openbaarde Hij zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden in Hem.
11I met tapidan kilel akan, me Iejuj kotin wiadar Kana nan Kaliliia, o kotin kajaleda a linan, o japwilim a tounpadak kan pojonla i.
12Daarna vertrok Hij naar Kafárnaum; Hij zelf met zijn moeder en broeders en zijn leerlingen; en zij bleven daar enkele dagen.
12A murin met a kotidilan Kapernaum, i o in a, o ri a ol akan, o japwilim a tounpadak kan, ari, jota non ran toto, me re kotikot waja o.
13Toen het paasfeest der Joden nabij was, trok Jesus naar Jerusalem op.
13A paja en Juj akan me korendor, a Iejuj kotidalan Ierujalem.
14Hij zag in de tempel de verkopers van runderen, schapen en duiven; ook de geldwisselaars, die zich daar hadden neergezet.
14A kotin majani nan im en kaudok men netinet en kau, o jip, o muroi, o men wiliandi moni me momod ia.
15En Hij maakte een zweep van koorden, dreef ze allen met schapen en runderen de tempel uit, en smeet het geld der wisselaars op de grond en de tafels omver.
15Ap kotin wiakida men wokiwok jal akai, ap woki ir jan nan im en kaudok ianaki jip o kau akan, o moni en jaunwiliandi a kotin kajapokela o kotin wuke didi tepel akan.
16En tot de duivenverkopers zeide Hij: Weg ermee; maakt het huis van mijn Vader niet tot een verkooplokaal.
16Ap kotin majani on men netinet en muroi kan: Wawei jan met met akan, o der wiakidar tanpaj en Jam ai im en net eu!
17Toen herinnerden zich zijn leerlingen, dat er geschreven staat: “De ijver voor uw huis zal Mij verteren.”
17A japwilim a tounpadak kau tamanda me intinidier: Limpok on tanpaj omui me kajor ia dier.
18Maar nu namen de Joden het woord, en zeiden tot Hem: Wat teken laat Gij ons zien, om zo te mogen optreden?
18Juj oko ap japen indan i: Kilel da, me kom kadedeki on kit, me komui manaman on, en wiada mepukat?
19Jesus gaf hun ten antwoord: Breekt deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem opbouwen.
19Iejuj kotin japen majani on irail: Palana pajan im en kaudok wet, a pon jili pon I pan kauada.
20De Joden zeiden: Zes en veertig jaar heeft men aan deze tempel gewerkt, en zult Gij hem in drie dagen opbouwen?
20Juj oko ap indada: Par naulwonu me im en kaudok wet wiaui kidar, a pon jili pon komui pan kaua kida?
21Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam.
21Ari, tanpaj en pali war a, me a kotin majanie kida.
22Toen Hij dan van de doden verrezen was, herinnerden zich zijn leerlingen, dat Hij dit had gezegd; en ze geloofden in de Schrift, en in het woord, dat Jesus gesproken had.
22A lao iajadar jan a matalar, japwilim a tounpadak kan ap tamandar, me a kotin majanier mepukat. Irail ari pojon kijin likau kan o majan, me Iejuj kotin majaniadar.
23Terwijl Hij nu gedurende het paasfeest te Jerusalem was, geloofden er velen in zijn naam bij het zien van de tekenen, die Hij verrichtte.
23Ni a kotikot Ierujalem ni paja, ni kamadip o, me toto pojonla mar a, ni ar kilaner kilel akan, me a kotin wiadar.
24Maar Jesus zelf had geen vertrouwen in hen, omdat Hij allen kende,
24A Iejuj jota kotin liki on ir pein i, pwe a kotin mani irail karoj.
25en omdat Hij niet nodig had, dat men Hem over iemand inlichtingen gaf. Want zelf wist Hij heel goed, wat er omging in den mens.
25O a jota mau on, meamen en kadede on i aramaj amen, pwe pein i kotin mani lol en aramaj.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.