Johannes 2
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1En de derde dag werd er een bruiloft gevierd te Kana van Galilea. De moeder van Jesus was er tegenwoordig,
1Et die tertia nuptiæ factæ sunt in Cana Galilææ, et erat mater Jesu ibi.
2en ook Jesus met zijn leerlingen waren ter bruiloft genodigd.
2Vocatus est autem et Jesus, et discipuli ejus, ad nuptias.
3En toen er gebrek kwam aan wijn, sprak de moeder van Jesus tot Hem: Ze hebben geen wijn meer.
3Et deficiente vino, dicit mater Jesu ad eum: Vinum non habent.
4Maar Jesus zeide haar: Vrouw, wat is er tussen Mij en u? Nog is mijn uur niet gekomen.
4Et dicit ei Jesus: Quid mihi et tibi est, mulier? nondum venit hora mea.
5Zijn moeder sprak tot de bedienden: Doet wat Hij u zeggen zal.
5Dicit mater ejus ministris: Quodcumque dixerit vobis, facite.
6Daar waren nu zes stenen kruiken, elk van twee of drie maten inhoud, die er voor de joodse reiniging waren geplaatst.
6Erant autem ibi lapideæ hydriæ sex positæ secundum purificationem Judæorum, capientes singulæ metretas binas vel ternas.
7Jesus zei hun: Vult de kruiken met water. Ze vulden ze tot boven toe.
7Dicit eis Jesus: Implete hydrias aqua. Et impleverunt eas usque ad summum.
8Toen sprak Hij tot hen: Schept er nu uit, en brengt het naar den hofmeester. Ze brachten het.
8Et dicit eis Jesus: Haurite nunc, et ferte architriclino. Et tulerunt.
9Zodra nu de hofmeester van het water geproefd had, dat wijn was geworden, (hij wist niet, waar die vandaan kwam; maar de bedienden, die het water hadden geschept, wisten het wel), riep de hofmeester den bruidegom,
9Ut autem gustavit architriclinus aquam vinum factam, et non sciebat unde esset, ministri autem sciebant, qui hauserant aquam: vocat sponsum architriclinus,
10en zeide tot hem: Iedereen schenkt eerst de goede wijn, en als men goed gedronken heeft, dan de mindere soort; maar gij hebt de goede wijn tot nu toe bewaard.
10et dicit ei: Omnis homo primum bonum vinum ponit et cum inebriati fuerint, tunc id, quod deterius est. Tu autem servasti bonum vinum usque adhuc.
11Zo deed Jesus zijn eerste wonder te Kana van Galilea, en openbaarde Hij zijn heerlijkheid. En zijn leerlingen geloofden in Hem.
11Hoc fecit initium signorum Jesus in Cana Galilææ; et manifestavit gloriam suam, et crediderunt in eum discipuli ejus.
12Daarna vertrok Hij naar Kafárnaum; Hij zelf met zijn moeder en broeders en zijn leerlingen; en zij bleven daar enkele dagen.
12Post hoc descendit Capharnaum ipse, et mater ejus, et fratres ejus, et discipuli ejus: et ibi manserunt non multis diebus.
13Toen het paasfeest der Joden nabij was, trok Jesus naar Jerusalem op.
13Et prope erat Pascha Judæorum, et ascendit Jesus Jerosolymam:
14Hij zag in de tempel de verkopers van runderen, schapen en duiven; ook de geldwisselaars, die zich daar hadden neergezet.
14et invenit in templo vendentes boves, et oves, et columbas, et numularios sedentes.
15En Hij maakte een zweep van koorden, dreef ze allen met schapen en runderen de tempel uit, en smeet het geld der wisselaars op de grond en de tafels omver.
15Et cum fecisset quasi flagellum de funiculis, omnes ejecit de templo, oves quoque, et boves, et numulariorum effudit æs, et mensas subvertit.
16En tot de duivenverkopers zeide Hij: Weg ermee; maakt het huis van mijn Vader niet tot een verkooplokaal.
16Et his qui columbas vendebant, dixit: Auferte ista hinc, et nolite facere domum patris mei, domum negotiationis.
17Toen herinnerden zich zijn leerlingen, dat er geschreven staat: “De ijver voor uw huis zal Mij verteren.”
17Recordati sunt vero discipuli ejus quia scriptum est: Zelus domus tuæ comedit me.
18Maar nu namen de Joden het woord, en zeiden tot Hem: Wat teken laat Gij ons zien, om zo te mogen optreden?
18Responderunt ergo Judæi, et dixerunt ei: Quod signum ostendis nobis, quia hæc facis?
19Jesus gaf hun ten antwoord: Breekt deze tempel af, en in drie dagen zal Ik hem opbouwen.
19Respondit Jesus, et dixit eis: Solvite templum hoc, et in tribus diebus excitabo illud.
20De Joden zeiden: Zes en veertig jaar heeft men aan deze tempel gewerkt, en zult Gij hem in drie dagen opbouwen?
20Dixerunt ergo Judæi: Quadraginta et sex annis ædificatum est templum hoc, et tu in tribus diebus excitabis illud?
21Maar Hij sprak over de tempel van zijn lichaam.
21Ille autem dicebat de templo corporis sui.
22Toen Hij dan van de doden verrezen was, herinnerden zich zijn leerlingen, dat Hij dit had gezegd; en ze geloofden in de Schrift, en in het woord, dat Jesus gesproken had.
22Cum ergo resurrexisset a mortuis, recordati sunt discipuli ejus, quia hoc dicebat, et crediderunt scripturæ et sermoni quem dixit Jesus.
23Terwijl Hij nu gedurende het paasfeest te Jerusalem was, geloofden er velen in zijn naam bij het zien van de tekenen, die Hij verrichtte.
23Cum autem esset Jerosolymis in Pascha in die festo, multi crediderunt in nomine ejus, videntes signa ejus, quæ faciebat.
24Maar Jesus zelf had geen vertrouwen in hen, omdat Hij allen kende,
24Ipse autem Jesus non credebat semetipsum eis, eo quod ipse nosset omnes,
25en omdat Hij niet nodig had, dat men Hem over iemand inlichtingen gaf. Want zelf wist Hij heel goed, wat er omging in den mens.
25et quia opus ei non erat ut quis testimonium perhiberet de homine: ipse enim sciebat quid esset in homine.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.