Johannes 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Daarna was er een feest der Joden, en Jesus ging naar Jerusalem op.
1Post hæc erat dies festus Judæorum, et ascendit Jesus Jerosolymam.
2Nu is er te Jerusalem, bij de Schaapspoort, een badinrichting met vijf zuilengangen, in het hebreeuws Bezata geheten.
2Est autem Jerosolymis probatica piscina, quæ cognominatur hebraice Bethsaida, quinque porticus habens.
3Daarin lag een grote menigte zieken, blinden, kreupelen, lammen, op de beweging van het water te wachten.
3In his jacebat multitudo magna languentium, cæcorum, claudorum, aridorum, exspectantium aquæ motum.
4Want een engel des Heren daalde van tijd tot tijd naar de vijver af, en bracht het water in beroering; wie dan het eerst na de beweging van het water daarin afdaalde, werd gezond, aan wat kwaal hij ook leed.
4Angelus autem Domini descendebat secundum tempus in piscinam, et movebatur aqua. Et qui prior descendisset in piscinam post motionem aquæ, sanus fiebat a quacumque detinebatur infirmitate.
5Daar was nu een man, die acht en dertig jaar ziek was.
5Erat autem quidam homo ibi triginta et octo annos habens in infirmitate sua.
6Toen Jesus hem zag liggen, en vernam, dat hij reeds lange tijd lijdende was, sprak Hij tot hem: Wilt ge gezond worden?
6Hunc autem cum vidisset Jesus jacentem, et cognovisset quia jam multum tempus haberet, dicit ei: Vis sanus fieri?
7De zieke antwoordde Hem: Heer, ik heb niemand om mij in de vijver te helpen, als het water in beweging komt; en terwijl ik mij er heen sleep, gaat een ander er vóór mij in.
7Respondit ei languidus: Domine, hominem non habeo, ut, cum turbata fuerit aqua, mittat me in piscinam: dum venio enim ego, alius ante me descendit.
8Jesus sprak tot hem: Sta op, neem uw bed op, en ga.
8Dicit ei Jesus: Surge, tolle grabatum tuum et ambula.
9En aanstonds werd de man gezond; hij nam zijn rustbed op, en liep. Maar het was sabbat die dag.
9Et statim sanus factus est homo ille: et sustulit grabatum suum, et ambulabat. Erat autem sabbatum in die illo.
10De Joden zeiden dus tot den genezene: Het is sabbat; ge moogt uw rustbed niet dragen.
10Dicebant ergo Judæi illi qui sanatus fuerat: Sabbatum est, non licet tibi tollere grabatum tuum.
11Hij antwoordde hun: Die mij gezond heeft gemaakt, heeft me gezegd: Neem uw bed op, en ga.
11Respondit eis: Qui me sanum fecit, ille mihi dixit: Tolle grabatum tuum et ambula.
12Ze vroegen hem: Wie is de man, die u zeide: Neem uw bed op, en ga?
12Interrogaverunt ergo eum: Quis est ille homo qui dixit tibi: Tolle grabatum tuum et ambula?
13Maar de genezene wist niet, wie het was; want Jesus had Zich onder de menigte teruggetrokken, die zich daar ter plaatse bevond.
13Is autem qui sanus fuerat effectus, nesciebat quis esset. Jesus enim declinavit a turba constituta in loco.
14Later trof Jesus hem in de tempel, en sprak tot hem: Zie, ge zijt gezond geworden: zondig niet meer, opdat u niets ergers overkomt.
14Postea invenit eum Jesus in templo, et dixit illi: Ecce sanus factus es; jam noli peccare, ne deterius tibi aliquid contingat.
15De man ging nu aan de Joden berichten, dat het Jesus was, die hem had genezen.
15Abiit ille homo, et nuntiavit Judæis quia Jesus esset, qui fecit eum sanum.
16Daarom werd Jesus door de Joden vervolgd, omdat Hij zo iets op de sabbat deed.
16Propterea persequebantur Judæi Jesum, quia hæc faciebat in sabbato.
17Maar Jesus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot heden toe; zo doe Ik het ook.
17Jesus autem respondit eis: Pater meus usque modo operatur, et ego operor.
18Nu zochten de Joden nog meer Hem te doden; want Hij brak niet enkel de sabbat, maar noemde ook God zijn eigen Vader, en stelde Zich dus met God gelijk. Jesus nam dus het woord, en sprak:
18Propterea ergo magis quærebant eum Judæi interficere: quia non solum solvebat sabbatum, sed et patrem suum dicebat Deum, æqualem se faciens Deo. Respondit itaque Jesus, et dixit eis:
19Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niets kan de Zoon doen uit Zichzelf, maar alleen wat Hij den Vader ziet doen; want al wat Deze doet, dat doet de Zoon eveneens.
19Amen, amen dico vobis: non potest Filius a se facere quidquam, nisi quod viderit Patrem facientem: quæcumque enim ille fecerit, hæc et Filius similiter facit.
20Want de Vader heeft den Zoon lief, en laat Hem alles zien wat Hij doet. —En nog groter werken zal Hij Hem tonen, zodat gij verwonderd zult staan.
20Pater enim diligit Filium, et omnia demonstrat ei quæ ipse facit: et majora his demonstrabit ei opera, ut vos miremini.
21Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil.
21Sicut enim Pater suscitat mortuos, et vivificat, sic et Filius, quos vult, vivificat.
22Ja, de Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel aan den Zoon gegeven,
22Neque enim Pater judicat quemquam: sed omne judicium dedit Filio,
23opdat allen den Zoon zouden eren, zoals ze den Vader eren. Wie den Zoon niet eert, eert ook den Vader niet, die Hem gezonden heeft.
23ut omnes honorificent Filium, sicut honorificant Patrem; qui non honorificat Filium, non honorificat Patrem, qui misit illum.
24Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie luistert naar mijn woord, en in Hem gelooft, die Mij heeft gezonden, hij heeft het eeuwige leven, en in het gericht komt hij niet; maar hij is overgegaan van de dood tot het leven. —
24Amen, amen dico vobis, quia qui verbum meum audit, et credit ei qui misit me, habet vitam æternam, et in judicium non venit, sed transiit a morte in vitam.
25Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Er komt een uur, en het is er reeds, waarin de doden de stem van Gods Zoon zullen horen; en die er naar luisteren, zullen herleven.
25Amen, amen dico vobis, quia venit hora, et nunc est, quando mortui audient vocem Filii Dei: et qui audierint, vivent.
26Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan den Zoon, het leven in Zichzelf te hebben.
26Sicut enim Pater habet vitam in semetipso, sic dedit et Filio habere vitam in semetipso:
27Ook gaf Hij Hem macht, om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is.
27et potestatem dedit ei judicium facere, quia Filius hominis est.
28Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen;
28Nolite mirari hoc, quia venit hora in qua omnes qui in monumentis sunt audient vocem Filii Dei:
29en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding ten oordeel.
29et procedent qui bona fecerunt, in resurrectionem vitæ; qui vero mala egerunt, in resurrectionem judicii.
30Ik kan niets doen uit Mijzelf; maar Ik oordeel naar wat Ik hoor; en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik mijn eigen wil niet zoek, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden.
30Non possum ego a meipso facere quidquam. Sicut audio, judico: et judicium meum justum est, quia non quæro voluntatem meam, sed voluntatem ejus qui misit me.
31Indien Ik over Mijzelf getuig, dan is mijn getuigenis niet betrouwbaar.
31Si ego testimonium perhibeo de meipso, testimonium meum non est verum.
32Er is een ander, die over Mij getuigt; en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij over Mij aflegt, betrouwbaar is. —
32Alius est qui testimonium perhibet de me: et scio quia verum est testimonium, quod perhibet de me.
33Gij hebt een gezantschap naar Johannes gezonden; en hij heeft voor de waarheid getuigd.
33Vos misistis ad Joannem, et testimonium perhibuit veritati.
34Zeker, Ik aanvaard geen getuigenis van een mens; maar Ik zeg dit, opdat gij gered moogt worden.
34Ego autem non ab homine testimonium accipio: sed hæc dico ut vos salvi sitis.
35Hij was de brandende en hel schijnende lamp; gij hebt u zelfs een ogenblik in zijn licht willen verheugen. —
35Ille erat lucerna ardens et lucens: vos autem voluistis ad horam exsultare in luce ejus.
36Maar Ik heb een getuigenis groter dan dat van Johannes: want de werken, die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. —
36Ego autem habeo testimonium majus Joanne. Opera enim quæ dedit mihi Pater ut perficiam ea: ipsa opera, quæ ego facio, testimonium perhibent de me, quia Pater misit me:
37Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd. Nooit hebt gij zijn stem gehoord, en nooit zijn wezen gezien;
37et qui misit me Pater, ipse testimonium perhibuit de me: neque vocem ejus umquam audistis, neque speciem ejus vidistis:
38zelfs zijn woord hebt gij niet eens blijvend in u, omdat gij Hem niet gelooft, dien Hij gezonden heeft.
38et verbum ejus non habetis in vobis manens: quia quem misit ille, huic vos non creditis.
39Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent, daarin het eeuwige leven te hebben; welnu, zij zijn het, die van Mij getuigen.
39Scrutamini Scripturas, quia vos putatis in ipsis vitam æternam habere: et illæ sunt quæ testimonium perhibent de me:
40Maar gij wilt niet tot Mij komen, om het leven te hebben.
40et non vultis venire ad me ut vitam habeatis.
41Eer van mensen aanvaard Ik niet.
41Claritatem ab hominibus non accipio.
42Maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in u.
42Sed cognovi vos, quia dilectionem Dei non habetis in vobis.
43Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader, maar gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dan neemt gij hem aan.
43Ego veni in nomine Patris mei, et non accipitis me; si alius venerit in nomine suo, illum accipietis.
44Hoe zoudt gij kunnen geloven, gij die u door elkander laat eren, maar de eer niet zoekt, die komt van den enigen God?
44Quomodo vos potestis credere, qui gloriam ab invicem accipitis, et gloriam quæ a solo Deo est, non quæritis?
45Denkt niet, dat Ik u aanklagen zal bij den Vader; uw aanklager is Moses, op wien gij uw hoop hebt gesteld.
45Nolite putare quia ego accusaturus sim vos apud Patrem: est qui accusat vos Moyses, in quo vos speratis.
46Want zo gij Moses hadt geloofd, dan zoudt gij ook in Mij geloven; want over Mij heeft hij geschreven.
46Si enim crederetis Moysi, crederetis forsitan et mihi: de me enim ille scripsit.
47Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zoudt gij dan mijn woorden geloven?
47Si autem illius litteris non creditis, quomodo verbis meis credetis?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.