Johannes 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Daarna was er een feest der Joden, en Jesus ging naar Jerusalem op.
1Potom byl svátek Židovský, i šel Ježíš do Jeruzaléma.
2Nu is er te Jerusalem, bij de Schaapspoort, een badinrichting met vijf zuilengangen, in het hebreeuws Bezata geheten.
2Byl pak v Jeruzalémě u brány bravné rybník, kterýž slove Židovsky Bethesda, patero přístřeší maje.
3Daarin lag een grote menigte zieken, blinden, kreupelen, lammen, op de beweging van het water te wachten.
3Kdežto leželo množství veliké neduživých, slepých, kulhavých, suchých, očekávajících hnutí vody.
4Want een engel des Heren daalde van tijd tot tijd naar de vijver af, en bracht het water in beroering; wie dan het eerst na de beweging van het water daarin afdaalde, werd gezond, aan wat kwaal hij ook leed.
4Nebo anděl Páně jistým časem sstupoval do rybníka, a kormoutil vodu. A kdož tam nejprve sstoupil po tom zkormoucení vody, uzdraven býval, od kterékoli nemoci trápen byl.
5Daar was nu een man, die acht en dertig jaar ziek was.
5I byl tu člověk jeden, kterýž osm a třidceti let nemocen byl.
6Toen Jesus hem zag liggen, en vernam, dat hij reeds lange tijd lijdende was, sprak Hij tot hem: Wilt ge gezond worden?
6Toho uzřev Ježíš ležícího, a poznav, že jest již dávno nemocen, dí jemu: Chceš-li zdráv býti?
7De zieke antwoordde Hem: Heer, ik heb niemand om mij in de vijver te helpen, als het water in beweging komt; en terwijl ik mij er heen sleep, gaat een ander er vóór mij in.
7Odpověděl mu nemocný: Pane, nemám člověka, kterýž by, když se zkormoutí voda, uvrhl mne do rybníka, nebo když já jdu, jiný přede mnou již vstupuje.
8Jesus sprak tot hem: Sta op, neem uw bed op, en ga.
8Dí jemu Ježíš: Vstaň, vezmi lože své a choď.
9En aanstonds werd de man gezond; hij nam zijn rustbed op, en liep. Maar het was sabbat die dag.
9A hned zdráv jest učiněn člověk ten, a vzav lože své, i chodil. A byla sobota v ten den.
10De Joden zeiden dus tot den genezene: Het is sabbat; ge moogt uw rustbed niet dragen.
10Tedy řekli Židé tomu uzdravenému: Sobota jest, neslušíť tobě lože nositi.
11Hij antwoordde hun: Die mij gezond heeft gemaakt, heeft me gezegd: Neem uw bed op, en ga.
11Odpověděl jim: Ten, kterýž mne uzdravil, onť mi řekl: Vezmi lože své a choď.
12Ze vroegen hem: Wie is de man, die u zeide: Neem uw bed op, en ga?
12I otázali se ho: Kdo jest ten člověk, kterýž tobě řekl: Vezmi lože své a choď?
13Maar de genezene wist niet, wie het was; want Jesus had Zich onder de menigte teruggetrokken, die zich daar ter plaatse bevond.
13Ten pak uzdravený nevěděl, kdo by byl. Nebo Ježíš byl poodšel od zástupu shromážděného na tom místě.
14Later trof Jesus hem in de tempel, en sprak tot hem: Zie, ge zijt gezond geworden: zondig niet meer, opdat u niets ergers overkomt.
14Potom pak nalezl jej Ježíš v chrámě, a řekl jemu: Aj, zdráv jsi učiněn; nikoli víc nehřeš, ať by se něco horšího nepřihodilo.
15De man ging nu aan de Joden berichten, dat het Jesus was, die hem had genezen.
15Odšel ten člověk, a pověděl Židům, že by Ježíš byl ten, kterýž ho zdravého učinil.
16Daarom werd Jesus door de Joden vervolgd, omdat Hij zo iets op de sabbat deed.
16A protož protivili se Židé Ježíšovi, a hledali ho zabíti, že to učinil v sobotu.
17Maar Jesus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot heden toe; zo doe Ik het ook.
17Ježíš pak odpověděl jim: Otec můj až dosavad dělá, i jáť dělám.
18Nu zochten de Joden nog meer Hem te doden; want Hij brak niet enkel de sabbat, maar noemde ook God zijn eigen Vader, en stelde Zich dus met God gelijk. Jesus nam dus het woord, en sprak:
18Tedy Židé ještě víc proto hledali ho zamordovati, že by netoliko rušil sobotu, ale že Otce svého pravil býti Boha, rovného se čině Bohu.
19Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Niets kan de Zoon doen uit Zichzelf, maar alleen wat Hij den Vader ziet doen; want al wat Deze doet, dat doet de Zoon eveneens.
19I odpověděl Ježíš a řekl jim: Amen, amen pravím vám: Nemůžeť Syn sám od sebe nic činiti, jediné což vidí, an Otec činí. Nebo cožkoli on činí, toť i Syn též podobně činí.
20Want de Vader heeft den Zoon lief, en laat Hem alles zien wat Hij doet. —En nog groter werken zal Hij Hem tonen, zodat gij verwonderd zult staan.
20Otec zajisté miluje Syna, a ukazuje mu všecko, což sám činí; a větší nad to ukáže jemu skutky tak, abyste vy se divili.
21Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend al wie Hij wil.
21Nebo jakož Otec křísí mrtvé a obživuje, tak i Syn, kteréž chce, obživuje.
22Ja, de Vader oordeelt niemand, maar heeft het oordeel geheel aan den Zoon gegeven,
22Aniž zajisté Otec soudí koho, ale všecken soud dal Synu,
23opdat allen den Zoon zouden eren, zoals ze den Vader eren. Wie den Zoon niet eert, eert ook den Vader niet, die Hem gezonden heeft.
23Aby všickni ctili Syna, tak jakž Otce ctí. Kdo nectí Syna, nectí ani Otce, kterýž ho poslal.
24Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie luistert naar mijn woord, en in Hem gelooft, die Mij heeft gezonden, hij heeft het eeuwige leven, en in het gericht komt hij niet; maar hij is overgegaan van de dood tot het leven. —
24Amen, amen pravím vám: Že kdož slovo mé slyší, a věří tomu, jenž mne poslal, máť život věčný, a na soud nepřijde, ale přešelť jest z smrti do života.
25Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Er komt een uur, en het is er reeds, waarin de doden de stem van Gods Zoon zullen horen; en die er naar luisteren, zullen herleven.
25Amen, amen pravím vám: Že přijde hodina, a nyníť jest, kdyžto mrtví uslyší hlas Syna Božího, a kteříž uslyší, živi budou.
26Want zoals de Vader in Zichzelf het leven heeft, zo gaf Hij ook aan den Zoon, het leven in Zichzelf te hebben.
26Nebo jakož Otec má život sám v sobě, tak jest dal i Synu, aby měl život v samém sobě.
27Ook gaf Hij Hem macht, om oordeel te vellen, omdat Hij de Mensenzoon is.
27A dal jemu moc i soud činiti, nebo Syn člověka jest.
28Verwondert u hierover niet. Want het uur komt, dat allen, die in de grafsteden zijn, zijn stem zullen horen;
28Nedivtež se tomu; neboť přijde hodina, v kteroužto všickni, kteříž v hrobích jsou, uslyší hlas jeho.
29en zij die het goede hebben gedaan, zullen er uitgaan tot opstanding ten leven, maar zij die het kwade hebben verricht, tot opstanding ten oordeel.
29A půjdou ti, kteříž dobré věci činili, na vzkříšení života, ale ti, kteříž zlé věci činili, na vzkříšení soudu.
30Ik kan niets doen uit Mijzelf; maar Ik oordeel naar wat Ik hoor; en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik mijn eigen wil niet zoek, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden.
30Nemohuť já sám od sebe nic činiti. Ale jakžť slyším, takť soudím, a soud můj spravedlivý jest. Nebo nehledám vůle své, ale vůle toho, jenž mne poslal, Otcovy.
31Indien Ik over Mijzelf getuig, dan is mijn getuigenis niet betrouwbaar.
31Vydám-liť já svědectví sám o sobě, svědectví mé není pravé.
32Er is een ander, die over Mij getuigt; en Ik weet, dat het getuigenis, dat Hij over Mij aflegt, betrouwbaar is. —
32Jinýť jest, kterýž svědectví vydává o mně, a vím, že pravé jest svědectví, kteréž vydává o mně.
33Gij hebt een gezantschap naar Johannes gezonden; en hij heeft voor de waarheid getuigd.
33Vy jste byli poslali k Janovi, a on svědectví vydal pravdě.
34Zeker, Ik aanvaard geen getuigenis van een mens; maar Ik zeg dit, opdat gij gered moogt worden.
34Ale jáť nepřijímám svědectví od člověka, než totoť pravím, abyste vy spaseni byli.
35Hij was de brandende en hel schijnende lamp; gij hebt u zelfs een ogenblik in zijn licht willen verheugen. —
35Onť jest byl svíce hořící a svítící, vy pak chtěli jste na čas poradovati se v světle jeho.
36Maar Ik heb een getuigenis groter dan dat van Johannes: want de werken, die de Vader Mij te volbrengen gaf, de werken juist die Ik doe, zij getuigen van Mij, dat de Vader Mij gezonden heeft. —
36Ale já mám větší svědectví, nežli Janovo. Nebo skutkové, kteréž mi dal Otec, abych je vykonal, tiť skutkové, kteréž já činím, svědčí o mně, že jest mne Otec poslal.
37Ook heeft de Vader, die Mij zond, zelf over Mij getuigd. Nooit hebt gij zijn stem gehoord, en nooit zijn wezen gezien;
37A kterýž mne poslal, Otec, onť jest svědectví vydal o mně, jehož jste vy hlasu nikdy neslyšeli, ani tváři jeho viděli.
38zelfs zijn woord hebt gij niet eens blijvend in u, omdat gij Hem niet gelooft, dien Hij gezonden heeft.
38A slova jeho nemáte v sobě zůstávajícího. Nebo kteréhož jest on poslal, tomu vy nevěříte.
39Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent, daarin het eeuwige leven te hebben; welnu, zij zijn het, die van Mij getuigen.
39Ptejte se na Písma; nebo vy domníváte se v nich věčný život míti, a tať svědectví vydávají o mně.
40Maar gij wilt niet tot Mij komen, om het leven te hebben.
40A nechcete přijíti ke mně, abyste život měli.
41Eer van mensen aanvaard Ik niet.
41Chvály od lidí jáť nepřijímám.
42Maar Ik ken u: gij hebt de liefde Gods niet in u.
42Ale poznal jsem vás, že milování Božího nemáte v sobě.
43Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader, maar gij neemt Mij niet aan; zo een ander komt in zijn eigen naam, dan neemt gij hem aan.
43Já jsem přišel ve jménu Otce svého, a nepřijímáte mne. Kdyby jiný přišel ve jménu svém, toho přijmete.
44Hoe zoudt gij kunnen geloven, gij die u door elkander laat eren, maar de eer niet zoekt, die komt van den enigen God?
44Kterak vy můžete věřiti, chvály jedni od druhých hledajíce, poněvadž chvály, kteráž jest od samého Boha, nehledáte?
45Denkt niet, dat Ik u aanklagen zal bij den Vader; uw aanklager is Moses, op wien gij uw hoop hebt gesteld.
45Nedomnívejte se, bychť já na vás žalovati měl před Otcem. Jestiť, kdo by žaloval na vás, Mojžíš, v němž vy naději máte.
46Want zo gij Moses hadt geloofd, dan zoudt gij ook in Mij geloven; want over Mij heeft hij geschreven.
46Nebo kdybyste věřili Mojžíšovi, věřili byste i mně; nebť jest on o mně psal.
47Maar zo gij zijn Schriften niet gelooft, hoe zoudt gij dan mijn woorden geloven?
47Ale poněvadž jeho písmům nevěříte, i kterak slovům mým uvěříte?
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.