Johannes 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur de schaapstal binnengaat, maar langs een andere zijde binnenklimt, hij is een dief en een rover.
1Amen, amen pravím vám: Kdož nevchází dveřmi do ovčince ovcí, ale vchází jinudy, ten zloděj jest a lotr.
2Maar die binnenkomt door de deur, is de herder der schapen.
2Ale kdož vchází dveřmi, pastýř jest ovcí.
3De wachter doet hem open, en de schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn eigen schapen bij hun naam, en voert ze naar buiten.
3Tomuť vrátný otvírá, a ovce hlas jeho slyší, a on svých vlastních ovec ze jména povolává, a vyvodí je.
4En als hij al zijn schapen heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, want ze kennen zijn stem.
4A jakž ovce své vlastní ven vypustí, před nimi jde, a ovce jdou za ním; nebo znají hlas jeho.
5Maar een vreemdeling zullen ze niet volgen, eerder ontvluchten; want de stem van vreemden kennen ze niet.
5Ale cizího nikoli následovati nebudou, ale utekou od něho; nebo neznají hlasů cizích.
6Deze gelijkenis sprak Jesus hun toe; maar ze begrepen niet, waarover Hij hun eigenlijk sprak.
6To přísloví pověděl jim Ježíš, ale oni nevěděli, co by to bylo, což jim mluvil.
7Daarom zei Jesus opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.
7Tedy opět řekl jim Ježíš: Amen, amen pravím vám: Že já jsem dveře ovcí.
8Alle anderen, die Mij zijn voorafgegaan, waren dieven en rovers; maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
8Všickni, kolikož jich koli přede mnou přišlo, zloději jsou a lotři, ale neslyšely jich ovce.
9Ik ben de deur: zo iemand door Mij binnentreedt, zal hij veilig zijn, in- en uitgaan, en weiland vinden.
9Já jsem dveře. Skrze mne všel-li by kdo, spasen bude, a vejde i vyjde, a pastvu nalezne.
10De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te verderven; Ik ben gekomen, opdat ze leven en overvloed hebben.
10Zloděj nepřichází, jediné aby kradl a mordoval a hubil; já jsem přišel, aby život měly, a hojně aby měly.
11Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
11Já jsem ten pastýř dobrý. Dobrý pastýř duši svou pokládá za ovce.
12Maar de huurling, die de herder niet is, en wien de schapen niet toebehoren, hij laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht, zodra hij den wolf ziet komen; en de wolf rooft en verstrooit ze.
12Ale nájemník a ten, kterýž není pastýř, jehož nejsou ovce vlastní, vida vlka, an jde, i opouští ovce i utíká, a vlk lapá a rozhání ovce.
13Want hij is een huurling, en hij heeft geen hart voor de schapen.
13Nájemník pak utíká; nebo nájemník jest, a nemá péče o ovce.
14Ik ben de goede herder; Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij,
14Já jsem ten dobrý pastýř, a známť ovce své, a znajíť mne mé.
15zoals de Vader Mij kent, en Ik den Vader ken. En Ik geef mijn leven voor de schapen.
15Jakož mne zná Otec, tak i já znám Otce, a duši svou pokládám za ovce.
16Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet Ik leiden, en ze zullen luisteren naar mijn stem; dan zal het worden: één kudde, één herder.
16A mámť i jiné ovce, kteréž nejsou z tohoto ovčince. I tyť musím přivésti, a hlas můj slyšeti budou. A budeť jeden ovčinec a jeden pastýř.
17Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het weer terug te nemen.
17Protož mne Otec miluje, že já pokládám duši svou, abych ji zase vzal.
18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht om het te geven, en macht om het weer terug te nemen. Dit is de opdracht, die Ik van mijn Vader ontving.
18Nižádnýť jí nebéře ode mne, ale já pokládám ji sám od sebe. Mám moc položiti ji, a mám moc zase vzíti ji. To přikázání vzal jsem od Otce svého.
19Opnieuw ontstond er onenigheid onder de Joden als gevolg van deze toespraak.
19Tedy stala se opět různice mezi Židy pro ty řeči.
20Velen van hen zeiden: Hij is bezeten en krankzinnig; waarom luistert gij naar Hem?
20A pravili mnozí z nich: Ïábelství má a blázní. Co ho posloucháte?
21Anderen: Dit zijn geen woorden van een bezetene. Kan een duivel soms blinden de ogen openen?
21Jiní pravili: Tato slova nejsou ďábelství majícího. Zdaliž ďábelství může slepých oči otvírati?
22Men vierde te Jerusalem het feest van tempelwijding; het was winter.
22I bylo posvícení v Jeruzalémě, a zima byla.
23Toen Jesus in de tempel, in de zuilengang van Sálomon, op en neer wandelde,
23I procházel se Ježíš v chrámě po síňci Šalomounově.
24omringden Hem de Joden, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij ons nog in spanning? Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
24Tedy obstoupili jej Židé, a řekli jemu: Dokudž duši naši držíš? Jestliže jsi ty Kristus, pověz nám zjevně.
25Jesus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken, die Ik verricht in de naam van mijn Vader, die getuigen voor Mij.
25Odpověděl jim Ježíš: Pověděl jsem vám, a nevěříte. Skutkové, kteréž já činím ve jménu Otce svého, tiť svědectví vydávají o mně.
26Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
26Ale vy nevěříte, nebo nejste z ovcí mých, jakož jsem vám pověděl.
27Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze, en ze volgen Mij.
27Nebo ovce mé hlas můj slyší, a já je znám, a následujíť mne.
28En Ik geef hun het eeuwig leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren, en niemand rooft ze weg uit mijn hand.
28A jáť život věčný dávám jim, a nezahynouť na věky, aniž jich kdo vytrhne z ruky mé.
29Wat mijn Vader Mij heeft gegeven, is het kostbaarste van alles, en niemand kan het roven uit de hand van mijn Vader.
29Otec můj, kterýž mi je dal, většíť jest nade všecky, a žádnýť jich nemůže vytrhnouti z ruky Otce mého.
30Ik en de Vader zijn één.
30Já a Otec jedno jsme.
31Weer grepen de Joden naar stenen, om Hem te stenigen.
31Tedy zchápali opět kamení Židé, aby jej kamenovali.
32Jesus antwoordde hun: Veel heerlijke werken heb Ik u namens den Vader getoond; om welk van die werken stenigt gij Mij?
32Odpověděl jim Ježíš: Mnohé dobré skutky ukázal jsem vám od Otce svého. Pro který z těch skutků kamenujete mne?
33De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen we U, maar om godslastering; omdat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.
33Odpověděli jemu Židé, řkouce: Pro dobrý skutek tebe nekamenujeme, ale pro rouhání, totiž že ty, člověk jsa, děláš se Bohem.
34Jesus antwoordde hun: Staat er in uw Wet niet geschreven: Ik heb gezegd: “Gij zijt goden”.
34Odpověděl jim Ježíš: Však psáno jest v Zákoně vašem: Já jsem řekl: Bohové jste.
35Wanneer de Schrift hen nu goden noemt, tot wie Gods woord werd gericht, en ze toch niet kan falen:
35Poněvadž ty nazval bohy, k nimžto řeč Boží stala se, a nemůžeť zrušeno býti Písmo,
36hoe zegt gij dan tot Hem, dien de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: Gij lastert; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
36Kterakž tedy o mně, kteréhož posvětil Otec a poslal na svět, vy pravíte, že se rouhám, že jsem řekl: Syn Boží jsem?
37Wanneer Ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft Mij dan niet;
37Nečiním-liť skutků Otce svého, nevěřte mi.
38maar doe Ik ze wel, gelooft dan de werken, ook al zoudt gij Mij niet geloven; dan zoudt gij erkennen en weten, dat de Vader in Mij is, en Ik in den Vader ben.
38Pakliť činím, tedy byste pak mně nevěřili, aspoň skutkům věřte, abyste poznali a věřili, že Otec ve mně jest, a já v něm.
39Weer zochten ze Hem nu te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.
39Tedy opět hledali ho jíti, ale on vyšel z rukou jejich.
40Nu begaf Hij zich weer naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats, waar Johannes vroeger had gedoopt; en Hij bleef daar.
40I odšel opět za Jordán na to místo, kdež nejprv Jan křtil, a pozůstal tam.
41Velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes heeft wel geen enkel teken verricht; maar alles was waar, wat Johannes van Hem heeft gezegd.
41I přišli k němu mnozí, a pravili: Jan zajisté žádného divu neučinil, ale všecko, cožkoli mluvil Jan o tomto, pravé bylo.
42En velen geloofden daar in Hem.
42A mnozí tam uvěřili v něho.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.