Johannes 19
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kralice Bible (1613)
1Toen liet Pilatus Jesus geselen.
1Tedy vzal Pilát Ježíše, a zbičoval jej.
2En de soldaten vlochten een kroon van doornen, en zetten ze Hem op het hoofd; ze wierpen Hem een purperen mantel om,
2A žoldnéři zpletše korunu z trní, vstavili na hlavu jeho, a pláštěm šarlatovým přioděli jej.
3traden op Hem toe, en zeiden: Wees gegroet, koning der Joden. En ze sloegen Hem in het gelaat.
3A říkali: Zdráv buď, Králi Židovský. A dávali jemu poličky.
4Nu kwam Pilatus weer naar buiten, en sprak tot hen: Zie, ik breng Hem u naar buiten, om u te doen weten, dat ik volstrekt geen schuld in Hem vind.
4I vyšel opět ven Pilát, a řekl jim: Aj, vyvedu jej vám ven, abyste poznali, žeť na něm žádné viny nenalézám.
5Jesus kwam dus naar buiten, met de doornenkroon en de purperen mantel. En hij sprak tot hen: Ziet den mens.
5Tedy vyšel Ježíš ven, nesa trnovou korunu a plášť šarlatový. I řekl jim Pilát: Aj, člověk.
6Maar toen de opperpriesters en trawanten Hem zagen, schreeuwden ze het uit: Aan het kruis, aan het kruis met Hem! Pilatus zei hun: Neemt Hem zelf, en kruisigt Hem; want ik vind geen schuld in Hem.
6A jakž jej uzřeli přední kněží a služebníci jejich, zkřikli řkouce: Ukřižuj, ukřižuj ho. Dí jim Pilát: Vezmětež vy jej a ukřižujte, nebo já na něm viny nenalézám.
7De Joden antwoordden hem: We hebben een Wet, en volgens de Wet moet Hij sterven; want Hij heeft Zich uitgegeven voor Zoon van God.
7Odpověděli jemu Židé: My Zákon máme, a podle Zákona našeho máť umříti, nebo Synem Božím se činil.
8Toen Pilatus dit hoorde, werd hij nog meer bevreesd.
8A když Pilát uslyšel tuto řeč, více se obával.
9Hij ging opnieuw het rechthuis binnen, en sprak tot Jesus: Van waar zijt Gij? Maar Jesus gaf hem geen antwoord.
9I všel do radného domu zase, a řekl Ježíšovi: Odkud jsi ty? Ale Ježíš nedal jemu odpovědi.
10Pilatus zeide Hem dus: Staat Gij mij niet te woord? Weet Gij niet, dat ik de macht heb, om U vrij te laten, en de macht, om U te kruisigen?
10Tedy řekl jemu Pilát: Nemluvíš se mnou? Nevíš-liž, že mám moc ukřižovati tě a moc mám propustiti tebe?
11Jesus antwoordde: Ge zoudt niet de minste macht over Mij hebben, zo ze u niet van hogerhand was gegeven; die Mij aan u heeft overgeleverd, draagt daarom groter schuld.
11Odpověděl Ježíš: Neměl bys nade mnou moci nižádné, byť nebylo dáno s hůry; protož, kdoť jest mne tobě vydal, většíť hřích má.
12Om die reden trachtte Pilatus Hem in vrijheid te stellen. Maar de Joden schreeuwden het uit: Als ge Hem vrijlaat, zijt ge niet keizersgezind. Wie zich voor koning uitgeeft, staat tegen den keizer op.
12Od té chvíle hledal Pilát propustiti ho. Ale Židé volali řkouce: Propustíš-li tohoto, nejsi přítel císařův; nebo každý, kdož se králem činí, protiví se císaři.
13Toen Pilatus dit hoorde, leidde hij Jesus naar buiten, en zette zich op de rechterstoel neer, op de plaats die Litostrótos heet, Gábbata in het hebreeuws.
13Tedy Pilát uslyšev tu řeč, vyvedl ven Ježíše, a sedl na soudné stolici na místě, kteréž slove Litostrotos, a Židovsky Gabbata.
14Het was nu daags voor het paasfeest, ongeveer het zesde uur. En hij sprak tot de Joden: Ziet uw koning.
14A byl den připravování před velikonocí, okolo šesté hodiny. I řekl Židům: Aj, král váš.
15Maar ze schreeuwden: Weg, weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zei hun: Zal ik uw Koning kruisigen? De opperpriesters antwoordden: We hebben geen koning dan Caesar.
15Oni pak zkřikli: Vezmi, vezmi a ukřižuj jej. Řekl jim Pilát: Krále vašeho ukřižuji? Odpověděli přední kněží: Nemámeť krále, než císaře.
16Toen gaf hij Hem aan hen over, om gekruisigd te worden. Men voerde Jesus dus weg;
16Tedy vydal jim ho, aby byl ukřižován. I pojali Ježíše a vedli jej ven.
17Zelf droeg Hij het kruis. Zo trok Hij naar buiten naar de zogenaamde Schedelplaats, die in het hebreeuws Gólgota wordt genoemd.
17A on nesa kříž svůj, šel až na místo, kteréž slove popravné, a Židovsky Golgota.
18Daar kruisigde men Hem; en met Hem nog twee anderen, aan elke zijde één, en Jesus in het midden.
18Kdežto ukřižovali ho, a s ním jiné dva s obou stran, a v prostředku Ježíše.
19Pilatus had ook een opschrift doen schrijven, en het aan het kruis laten hechten. Er stond op geschreven: Jesus van Názaret, de Koning der Joden.
19Napsal pak i nápis Pilát, a vstavil na kříž. A bylo napsáno: Ježíš Nazaretský, Král Židovský.
20Vele Joden lazen dit opschrift; want de plaats waar Jesus gekruisigd werd, lag dicht bij de stad, en het was geschreven in het hebreeuws, grieks en latijn.
20Ten pak nápis mnozí z Židů čtli; nebo blízko města bylo to místo, kdež ukřižován byl Ježíš. A bylo psáno Židovsky, Řecky a Latině.
21De opperpriesters der Joden zeiden dus tot Pilatus: Schrijf niet: De koning der Joden; maar: Hij heeft gezegd: Ik ben de koning der Joden.
21Tedy přední kněží Židovští řekli Pilátovi: Nepiš: Král Židovský, ale že on řekl: Král Židovský jsem.
22Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, blijft geschreven.
22Odpověděl Pilát: Co jsem psal, psal jsem.
23Toen de soldaten Jesus dus hadden gekruisigd, namen ze zijn klederen in bezit, en verdeelden ze in vieren; één deel voor elken soldaat, behalve nog het onderkleed. Dat onderkleed was zonder naad, uit één stuk geweven van boven tot onder.
23Žoldnéři pak, když Ježíše ukřižovali, vzali roucha jeho, a učinili čtyři díly, každému rytíři díl jeden, vzali také i sukni, kterážto sukně byla nesšívaná, ale odvrchu všecka naskrze setkaná.
24Ze zeiden dus tot elkander: Laten we het niet in stukken scheuren, maar er om loten, wie het krijgt. Zo zou de Schrift worden vervuld: “Ze hebben mijn klederen onder elkander verdeeld, En over mijn gewaad het lot geworpen.” En zo deden het dus de soldaten.
24I řekli mezi sebou: Neroztrhujme jí, ale losujme o ni, čí bude. Aby se naplnilo písmo, řkoucí: Rozdělili sobě roucho mé, a o můj oděv metali los. A žoldnéři zajisté tak učinili.
25Bij het kruis van Jesus stonden zijn moeder, de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria Magdalena.
25Stály pak blízko kříže Ježíšova matka jeho a sestra matky jeho, Maria, manželka Kleofášova, a Maria Magdaléna.
26Jesus zag zijn moeder staan, en naast haar den leerling, dien Hij beminde. En Hij sprak tot zijn moeder: Vrouw, ziedaar uw zoon.
26Tedy Ježíš uzřev matku a učedlníka tu stojícího, kteréhož miloval, řekl k matce své: Ženo, aj, syn tvůj.
27Daarna sprak Hij tot den leerling: Ziedaar uw moeder. En van dat ogenblik af nam de leerling haar bij zich op.
27Potom řekl učedlníkovi: Aj, matka tvá. A od té hodiny přijal ji učedlník ten k sobě.
28Toen wist Jesus, dat thans alles was volbracht; Hij sprak, opdat de Schrift zou worden vervuld: Ik heb dorst.
28Potom věda Ježíš, že již všecko jiné dokonáno jest, aby se naplnilo písmo, řekl: Žízním.
29Er stond daar een kruik met azijn; men stak dan een spons vol azijn op een hysopstengel, en bracht ze Hem aan de mond.
29Byla pak tu postavena nádoba plná octa. Tedy oni naplnili houbu octem, a obloživše yzopem, podali k ústům jeho.
30Toen Jesus de azijn had genuttigd, zeide Hij: Het is volbracht. Hij boog het hoofd, en gaf de geest.
30A když okusil Ježíš octa, řekl: Dokonánoť jest. A nakloniv hlavy, ducha Otci poručil.
31Daar het daags voor het paasfeest was, en er op de sabbat geen lijken aan het kruis mochten blijven, (het was nog wel een grote sabbat,) verzochten de Joden aan Pilatus, dat men hun de benen zou breken, en hen afnemen.
31Židé pak, aby nezůstala na kříži těla na sobotu, poněvadž byl den připravování, (byl zajisté veliký ten den sobotní,) prosili Piláta, aby zlámáni byli hnátové jejich a aby byli složeni.
32Daarom kwamen de soldaten en braken de benen van den eerste, die met Hem was gekruisigd, daarna die van den tweede.
32I přišli žoldnéři, a prvnímu zajisté zlámali hnáty, i druhému, kterýž ukřižován byl s ním.
33Toen ze bij Jesus waren gekomen en zagen, dat Hij reeds was gestorven, braken ze Hem de benen niet.
33Ale k Ježíšovi přišedše, jakž uzřeli jej již mrtvého, nelámali hnátů jeho.
34Maar een der soldaten doorboorde met een lans zijn zijde; en aanstonds vloeide er bloed uit en water.
34Ale jeden z žoldnéřů bok jeho kopím otevřel, a hned vyšla krev a voda.
35En hij, die het gezien heeft, legt er getuigenis van af, opdat ook gij geloven moogt. Zijn getuigenis is waarachtig; ook Hij weet, dat hij de waarheid zegt.
35A ten, jenž viděl, svědectví vydal, a pravé jest svědectví jeho; onť ví, že pravé věci praví, abyste i vy věřili.
36Want dit is geschied, opdat de Schrift zou worden vervuld: “Geen been zal Hem verbrijzeld worden”.
36Stalo se pak to, aby se naplnilo Písmo: Kost jeho žádná nebude zlámána.
37En weer een ander Schriftwoord zegt: “Ze zullen opzien tot Hem, dien ze hebben doorboord”.
37A opět jiné Písmo dí: Uzříť, v koho jsou bodli.
38Josef van Arimatea, die een leerling van Jesus was, maar alleen in het geheim uit vrees voor de Joden, vroeg daarna verlof aan Pilatus, om Jesus’ lichaam te mogen afnemen; en Pilatus stond het hem toe. Hij kwam dan, en nam zijn lichaam af.
38Potom pak prosil Piláta Jozef z Arimatie, (kterýž byl učedlník Ježíšův, ale tajný, pro strach Židovský,) aby sňal tělo Ježíšovo. I dopustil Pilát. A on přišed, i sňal tělo Ježíšovo.
39Nikodemus, die vroeger Hem ‘s nachts had bezocht, kwam eveneens, en bracht een mengsel mee van mirre-hars en aloë-bladeren, ongeveer honderd pond.
39Přišel pak i Nikodém, (kterýž byl prve přišel k Ježíšovi v noci,) nesa smíšení mirry a aloes okolo sta liber.
40Ze namen het lichaam van Jesus, en wikkelden het in lijnwaad, te zamen met de geurige kruiden, zoals het onder de Joden bij begrafenis de gewoonte is.
40Tedy vzali tělo Ježíšovo, a obvinuli je prostěradly s vonnými věcmi, jakž obyčej jest Židům se pochovávati.
41Nu lag er op de plaats, waar Hij was gekruisigd, een hof, en in de hof een nieuw graf, waarin nog niemand was bijgezet.
41A byla na tom místě, kdež ukřižován byl, zahrada, a v zahradě hrob nový, v němžto ještě žádný nebyl pochován.
42Daar het de vooravond van het paasfeest der Joden was, en het graf dichtbij, legden ze Jesus daarin neer.
42Protož tu pro den připravování Židovský, že blízko byl hrob, položili Ježíše.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.