Johannes 10
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur de schaapstal binnengaat, maar langs een andere zijde binnenklimt, hij is een dief en een rover.
1IN verità, in verità, io vi dico, che chi non entra per la porta nell'ovile delle pecore, ma vi sale altronde, esso è rubatore, e ladrone.
2Maar die binnenkomt door de deur, is de herder der schapen.
2Ma chi entra per la porta è pastor delle pecore.
3De wachter doet hem open, en de schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn eigen schapen bij hun naam, en voert ze naar buiten.
3A costui apre il portinaio, e le pecore ascoltano la sua voce, ed egli chiama le sue pecore per nome, e le conduce fuori.
4En als hij al zijn schapen heeft uitgedreven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, want ze kennen zijn stem.
4E quando ha messe fuori le sue pecore, va davanti a loro, e le pecore lo seguitano, perciocchè conoscono la sua voce.
5Maar een vreemdeling zullen ze niet volgen, eerder ontvluchten; want de stem van vreemden kennen ze niet.
5Ma non seguiteranno lo straniero, anzi se ne fuggiranno da lui, perciocchè non conoscono la voce degli stranieri.
6Deze gelijkenis sprak Jesus hun toe; maar ze begrepen niet, waarover Hij hun eigenlijk sprak.
6Questa similitudine disse loro Gesù; ma essi non riconobbero quali fosser le cose ch'egli ragionava loro.
7Daarom zei Jesus opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.
7Laonde Gesù da capo disse loro: In verità, in verità, io vi dico, che io son la porta delle pecore.
8Alle anderen, die Mij zijn voorafgegaan, waren dieven en rovers; maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.
8Tutti quanti coloro che son venuti sono stati rubatori, e ladroni; ma le pecore non li hanno ascoltati.
9Ik ben de deur: zo iemand door Mij binnentreedt, zal hij veilig zijn, in- en uitgaan, en weiland vinden.
9Io son la porta; se alcuno entra per me, sarà salvato, ed entrerà, ed uscirà, e troverà pastura.
10De dief komt alleen om te stelen, te slachten en te verderven; Ik ben gekomen, opdat ze leven en overvloed hebben.
10Il ladro non viene se non per rubare, ed ammazzare, e distrugger le pecore; ma io son venuto acciocchè abbiano vita, ed abbondino.
11Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor de schapen.
11Io sono il buon pastore; il buon pastore mette la sua vita per le pecore.
12Maar de huurling, die de herder niet is, en wien de schapen niet toebehoren, hij laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht, zodra hij den wolf ziet komen; en de wolf rooft en verstrooit ze.
12Ma il mercenario, e quel che non è pastore, e di cui non son le pecore, se vede venire il lupo, abbandona le pecore, e sen fugge; e il lupo le rapisce, e disperge le pecore.
13Want hij is een huurling, en hij heeft geen hart voor de schapen.
13Or il mercenario se ne fugge, perciocchè egli è mercenario, e non si cura delle pecore.
14Ik ben de goede herder; Ik ken de mijnen, en de mijnen kennen Mij,
14Io sono il buon pastore, e conosco le mie pecore , e son conosciuto dalle mie.
15zoals de Vader Mij kent, en Ik den Vader ken. En Ik geef mijn leven voor de schapen.
15Siccome il Padre mi conosce, ed io conosco il Padre; e metto la mia vita per le mie pecore.
16Ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapstal zijn. Ook hen moet Ik leiden, en ze zullen luisteren naar mijn stem; dan zal het worden: één kudde, één herder.
16Io ho anche delle altre pecore, che non son di quest'ovile; quelle ancora mi conviene addurre, ed esse udiranno la mia voce; e vi sarà una sola greggia, ed un sol pastore.
17Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het weer terug te nemen.
17Per questo mi ama il Padre, perciocchè io metto la vita mia, per ripigliarla poi.
18Niemand neemt het Mij af, maar Ik geef het uit Mijzelf; Ik heb macht om het te geven, en macht om het weer terug te nemen. Dit is de opdracht, die Ik van mijn Vader ontving.
18Niuno me la toglie, ma io da me stesso la dipongo; io ho podestà di diporla, ed ho altresì podestà di ripigliarla; questo comandamento ho ricevuto dal Padre mio.
19Opnieuw ontstond er onenigheid onder de Joden als gevolg van deze toespraak.
19Perciò nacque di nuovo dissensione tra i Giudei, per queste parole.
20Velen van hen zeiden: Hij is bezeten en krankzinnig; waarom luistert gij naar Hem?
20E molti di loro dicevano: Egli ha il demonio, ed è forsennato; perchè l'ascoltate voi?
21Anderen: Dit zijn geen woorden van een bezetene. Kan een duivel soms blinden de ogen openen?
21Altri dicevano: Queste parole non son d'un indemoniato; può il demonio aprir gli occhi de' ciechi?
22Men vierde te Jerusalem het feest van tempelwijding; het was winter.
22OR la festa della dedicazione si fece in Gerusalemme, ed era di verno.
23Toen Jesus in de tempel, in de zuilengang van Sálomon, op en neer wandelde,
23E Gesù passeggiava nel tempio, nel portico di Salomone.
24omringden Hem de Joden, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij ons nog in spanning? Zo Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit.
24I Giudei adunque l'intorniarono, e gli dissero: Infino a quando terrai sospesa l'anima nostra? Se tu sei il Cristo, diccelo apertamente.
25Jesus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, maar gij gelooft het niet. De werken, die Ik verricht in de naam van mijn Vader, die getuigen voor Mij.
25Gesù rispose loro: Io ve l 'ho detto, e voi nol credete; le opere, che io fo nel nome del Padre mio, son quelle che testimoniano di me.
26Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.
26Ma voi non credete, perciocchè non siete delle mie pecore, come io vi ho detto.
27Mijn schapen luisteren naar mijn stem; Ik ken ze, en ze volgen Mij.
27Le mie pecore ascoltano la mia voce, ed io le conosco, ed esse mi seguitano.
28En Ik geef hun het eeuwig leven; ze gaan in eeuwigheid niet verloren, en niemand rooft ze weg uit mijn hand.
28Ed io do loro la vita eterna, e giammai in eterno non periranno, e niuno le rapirà di man mia.
29Wat mijn Vader Mij heeft gegeven, is het kostbaarste van alles, en niemand kan het roven uit de hand van mijn Vader.
29Il Padre mio, che me le ha date, è maggior di tutti; e niuno le può rapire di man del Padre mio.
30Ik en de Vader zijn één.
30Io ed il Padre siamo una stessa cosa.
31Weer grepen de Joden naar stenen, om Hem te stenigen.
31Perciò i Giudei levarono di nuovo delle pietre, per lapidarlo.
32Jesus antwoordde hun: Veel heerlijke werken heb Ik u namens den Vader getoond; om welk van die werken stenigt gij Mij?
32Gesù rispose loro: Io vi ho fatte veder molte buone opere, procedenti dal Padre mio; per quale di esse mi lapidate voi?
33De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk stenigen we U, maar om godslastering; omdat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.
33I Giudei gli risposero, dicendo: Noi non ti lapidiamo per alcuna buona opera, anzi per bestemmia, perciocchè tu, essendo uomo, ti fai Dio.
34Jesus antwoordde hun: Staat er in uw Wet niet geschreven: Ik heb gezegd: “Gij zijt goden”.
34Gesù rispose loro: Non è egli scritto nella vostra legge: Io ho detto: Voi siete dii?
35Wanneer de Schrift hen nu goden noemt, tot wie Gods woord werd gericht, en ze toch niet kan falen:
35Se chiama dii coloro, a' quali la parola di Dio è stata indirizzata ; e la scrittura non può essere annullata;
36hoe zegt gij dan tot Hem, dien de Vader heeft geheiligd en in de wereld gezonden: Gij lastert; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?
36dite voi che io, il quale il Padre ha santificato, ed ha mandato nel mondo, bestemmio, perciocchè ho detto: Io son Figliuolo di Dio?
37Wanneer Ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft Mij dan niet;
37Se io non fo le opere del Padre mio, non crediatemi.
38maar doe Ik ze wel, gelooft dan de werken, ook al zoudt gij Mij niet geloven; dan zoudt gij erkennen en weten, dat de Vader in Mij is, en Ik in den Vader ben.
38Ma, s'io le fo, benchè non crediate a me, credete alle opere, acciocchè conosciate, e crediate che il Padre è in me, e ch'io sono in lui.
39Weer zochten ze Hem nu te grijpen, maar Hij ontkwam aan hun handen.
39Essi adunque di nuovo cercavano di pigliarlo; ma egli uscì dalle lor mani.
40Nu begaf Hij zich weer naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats, waar Johannes vroeger had gedoopt; en Hij bleef daar.
40E se ne andò di nuovo di là dal Giordano, al luogo ove Giovanni prima battezzava; e quivi dimorò.
41Velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes heeft wel geen enkel teken verricht; maar alles was waar, wat Johannes van Hem heeft gezegd.
41E molti vennero a lui, e dicevano: Giovanni certo non fece alcun miracolo; ma pure, tutte le cose che Giovanni disse di costui eran vere.
42En velen geloofden daar in Hem.
42E quivi molti credettero in lui.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.