Johannes 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nu was er een zieke, zekere Lázarus van Betánië, uit het dorp van Maria en van Marta, haar zuster.
1OR v'era un certo Lazaro, di Betania, del castello di Maria, e di Marta, sua sorella, il quale era infermo.
2Het was de Maria, die den Heer met reukwerk gezalfd en zijn voeten met de haren afgedroogd heeft; de zieke Lázarus was haar broer.
2(Or Maria era quella che unse d'olio odorifero il Signore, ed asciugò i suoi piedi co' suoi capelli; della quale il fratello Lazaro era infermo.)
3De zusters lieten Hem dus berichten: Zie, Heer: hij, dien Gij liefhebt, is ziek.
3Le sorelle adunque mandarono a dire a Gesù: Signore, ecco, colui che tu ami è infermo.
4Toen Jesus dit vernam, zeide Hij: Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar ze dient tot glorie van God, en om Gods Zoon te verheerlijken.
4E Gesù, udito ciò , disse: Questa infermità non è a morte, ma per la gloria di Dio, acciocchè il Figliuol di Dio sia glorificato per essa.
5Jesus had Marta, haar zuster en ook Lázarus lief.
5Or Gesù amava Marta, e la sua sorella, e Lazaro.
6Toen Hij had vernomen, dat hij ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen ter plaatse, waar Hij zich bevond.
6Come dunque egli ebbe inteso ch'egli era infermo, dimorò ancora nel luogo ove egli era due giorni.
7Nu eerst sprak Hij tot de leerlingen: Laten we weer naar Judea gaan.
7Poi appresso disse a' suoi discepoli: Andiam di nuovo in Giudea.
8De leerlingen zeiden Hem: Rabbi, kort geleden zochten de Joden U te stenigen, en gaat Gij nu opnieuw daarheen?
8I discepoli gli dissero: Maestro, i Giudei pur ora cercavan di lapidarti, e tu vai di nuovo là?
9Jesus antwoordde: Heeft de dag geen twaalf uren?
9Gesù rispose: Non vi son eglino dodici ore del giorno? se alcuno cammina di giorno, non s'intoppa, perciocchè vede la luce di questo mondo.
10Zo iemand wandelt bij dag, dan stoot hij zich niet, omdat hij het licht dezer wereld ziet; maar als hij wandelt bij nacht, dan stoot hij zich, omdat hij geen licht heeft.
10Ma, se alcuno cammina di notte, s'intoppa, perciocchè egli non ha luce.
11Zo sprak Hij. Daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lázarus is ingeslapen; maar Ik ga hem wekken.
11Egli disse queste cose; e poi appresso disse loro: Lazaro, nostro amico, dorme; ma io vo per isvegliarlo.
12Zijn leerlingen zeiden Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij genezen.
12Laonde i suoi discepoli dissero: Signore, se egli dorme, sarà salvo.
13Maar Jesus had van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden, dat Hij van gewoon inslapen sprak.
13Or Gesù avea detto della morte di esso; ma essi pensavano ch'egli avesse detto del dormir del sonno.
14Daarom zei Jesus hun toen ronduit: Lázarus is gestorven.
14Allora adunque Gesù disse loro apertamente: Lazaro è morto.
15En om u verheug Ik mij, dat Ik er niet aanwezig was, opdat gij geloven moogt. Maar laten we nu naar hem toegaan.
15E per voi, io mi rallegro che io non v'era, acciocchè crediate; ma andiamo a lui.
16Toen zei Tomas, ook Didumus geheten, tot zijn medeleerlingen: Laten ook wij gaan, om met Hem te sterven.
16Laonde Toma, detto Didimo, disse a' discepoli, suoi compagni: Andiamo ancor noi, acciocchè muoiamo con lui.
17Maar bij zijn aankomst vond Jesus hem reeds vier dagen in het graf.
17Gesù adunque, venuto, trovò che Lazaro era già da quattro giorni nel monumento.
18Daar Betánië dicht bij Jerusalem lag, op ongeveer vijftien stadiën afstand,
18Or Betania era vicin di Gerusalemme intorno a quindici stadi.
19waren er veel Joden naar Marta en Maria gekomen, om haar hun rouwbeklag te doen over haar broer.
19E molti dei Giudei eran venuti a Marta, e Maria, per consolarle del lor fratello.
20Zodra Marta Jesus’ aankomst vernam, ging ze Hem tegemoet; Maria bleef thuis.
20Marta adunque, come udì che Gesù veniva, gli andò incontro, ma Maria sedeva in casa.
21En Marta zei tot Jesus: Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven.
21E Marta disse a Gesù: Signore, se tu fossi stato qui, il mio fratello non sarebbe morto.
22Maar zelfs nu weet ik nog, dat God U zal geven, wat Gij Hem vraagt.
22Ma pure, io so ancora al presente che tutto ciò che tu chiederai a Dio, egli te lo darà.
23Jesus sprak tot haar: Uw broer zal verrijzen.
23Gesù le disse: Il tuo fratello risusciterà.
24Marta zeide Hem: Ik weet, dat hij verrijzen zal bij de opstanding op de jongste dag.
24Marta gli disse: Io so ch'egli risusciterà nella risurrezione, nell'ultimo giorno.
25Jesus sprak tot haar: Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven;
25Gesù le disse: Io son la risurrezione e la vita; chiunque crede in me, benchè sia morto, viverà.
26en wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit?
26E chiunque vive, e crede in me, non morrà giammai in eterno. Credi tu questo?
27Ze zeide Hem: Ja, Heer; ik geloof, dat Gij de Christus zijt, Gods Zoon, die in de wereld komt.
27Ella gli disse: Sì, Signore; io credo che tu sei il Cristo, il Figliuol di Dio, che avea da venire al mondo.
28Na deze woorden ging ze heen, om Maria, haar zuster, te roepen; heel in stilte zeide ze haar: De Meester is daar, en roept u.
28E, detto questo, se ne andò, e chiamò di nascosto Maria, sua sorella, dicendo: Il Maestro è qui, e ti chiama.
29Zodra deze het hoorde, stond ze haastig op, en ging naar Hem toe.
29Essa, come ebbe ciò udito, si levò prestamente, e venne a lui.
30Jesus was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats. waar Marta Hem had ontmoet.
30(Or Gesù non era ancor giunto nel castello; ma era nel luogo ove Marta l'avea incontrato.)
31De Joden, die bij Maria in huis waren, om hun rouwbeklag te doen, zagen haar ijlings opstaan en heengaan; zij volgden haar, in de mening, dat ze naar het graf ging, om er te wenen.
31Laonde i Giudei ch'eran con lei in casa, e la consolavano, veggendo che Maria s'era levata in fretta, ed era uscita fuori, la seguitarono, dicendo: Ella se ne va al monumento, per pianger quivi.
32Zodra Maria kwam, waar Jesus was, en Hem zag, viel ze voor zijn voeten neer, en sprak tot Hem: Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven.
32Maria adunque, quando fu venuta là ove era Gesù, vedutolo, gli si gittò ai piedi, dicendogli: Signore, se tu fossi stato qui, il mio fratello non sarebbe morto.
33Toen Jesus haar zag wenen, en de Joden zag wenen, die haar vergezelden, werd Hij hevig bewogen en ontroerd.
33Gesù adunque, come vide che ella, e i Giudei ch'eran venuti con lei, piangevano, fremè nello spirito, e si conturbò.
34Hij sprak: Waar hebt gij hem begraven? Ze zeiden Hem: Heer, kom het zien.
34E disse: Ove l'avete voi posto? Essi gli dissero: Signore, vieni, e vedi.
35En Jesus weende.
35E Gesù lagrimò.
36De Joden zeiden: Zie, hoe Hij hem liefhad.
36Laonde i Giudei dicevano: Ecco, come l'amava!
37Maar sommigen hunner zeiden: Kon Hij, die de ogen van den blinde heeft geopend, niet even goed zorgen, dat deze niet stierf?
37Ma alcuni di loro dissero: Non poteva costui, che aperse gli occhi al cieco, fare ancora che costui non morisse?
38Jesus dan, opnieuw hevig bewogen, kwam bij het graf. Het was een grot, en een steen sloot de ingang af.
38Laonde Gesù, fremendo di nuovo in sè stesso, venne al monumento; or quello era una grotta, e v'era una pietra posta disopra.
39Jesus sprak: Neemt de steen weg. Marta, de zuster van den overledene, zeide Hem: Heer, hij riekt al; want het is reeds de vierde dag.
39E Gesù disse: Togliete via la pietra. Ma Marta, la sorella del morto, disse: Signore, egli pute già; perciocchè egli è morto già da quattro giorni.
40Jesus sprak tot haar: Heb Ik u niet gezegd: Wanneer ge gelooft, zult ge Gods heerlijkheid zien?
40Gesù le disse: Non t'ho io detto che, se tu credi, tu vedrai la gloria di Dio?
41Men nam dus de steen weg. Toen sloeg Jesus de ogen omhoog, en sprak: Vader, Ik dank U, omdat Gij Mij hebt verhoord.
41Essi adunque tolsero via la pietra dal luogo ove il morto giaceva. E Gesù, levati in alto gli occhi, disse: Padre, io ti ringrazio che tu mi hai esaudito.
42Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort; maar Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
42Or ben sapeva io che tu sempre mi esaudisci; ma io ho detto ciò per la moltitudine qui presente, acciocchè credano che tu mi hai mandato.
43Na deze woorden riep Hij met luider stem: Lázarus, kom uit.
43E detto questo, gridò con gran voce: Lazaro, vieni fuori.
44En de dode kwam te voorschijn, de voeten en handen in windsels gewikkeld, en zijn gezicht met een zweetdoek omwonden. Jesus zei hun: Maakt hem los, en laat hem gaan.
44E il morto uscì, avendo le mani e i piedi fasciati, e la faccia involta in uno sciugatoio. Gesù disse loro: Scioglietelo, e lasciate lo andare.
45Velen van de Joden, die naar Maria waren gekomen, en gezien hadden, wat Jesus gedaan had, geloofden daarom in Hem.
45Laonde molti de' Giudei che eran venuti a Maria, vedute tutte le cose che Gesù avea fatte, credettero in lui.
46Maar sommigen van hen liepen naar de farizeën, en deelden hun mee, wat Jesus gedaan had.
46MA alcuni di loro andarono a' Farisei, e disser loro le cose che Gesù avea fatte.
47Toen riepen de opperpriesters en farizeën de Hoge Raad bijeen. Ze zeiden: Wat doen we? Want die man doet veel wonderen.
47E perciò i principali sacerdoti, e i Farisei, raunarono il concistoro, e dicevano: Che facciamo? quest'uomo fa molti miracoli.
48Als we Hem zó laten begaan, zullen ze allemaal in Hem geloven; dan zullen de Romeinen komen, en ons land en volk verdelgen.
48Se noi lo lasciamo così, tutti crederanno in lui, e i Romani verranno, e distruggeranno e il nostro luogo, e la nostra nazione.
49Maar één hunner, Káifas, die dat jaar de hogepriester was, sprak tot hen: Weet gij geen uitkomst?
49Ed un di loro, cioè Caiafa, ch'era sommo sacerdote di quell'anno, disse loro: Voi non avete alcun conoscimento;
50Beseft gij dan niet, dat het goed voor u is, dat één mens sterft voor het heil van het volk, en niet het hele volk te gronde gaat?
50e non considerate ch'egli ci giova che un uomo muoia per lo popolo, e che tutta la nazione non perisca.
51Dit zei hij niet uit zichzelf. Maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jesus sterven zou voor het heil van het volk;
51Or egli non disse questo da sè stesso; ma, essendo sommo sacerdote di quell'anno, profetizzò che Gesù morrebbe per la nazione;
52en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te brengen.
52e non solo per quella nazione, ma ancora per raccogliere in uno i figliuoli di Dio dispersi.
53Van die dag af waren ze besloten, Hem te doden.
53Da quel giorno adunque presero insieme consiglio d'ucciderlo.
54Daarom trad Jesus niet meer in het openbaar onder de Joden op, maar trok Hij Zich terug in een streek nabij de woestijn, in een stad, Efrem genaamd; en daar bleef Hij met zijn leerlingen.
54Laonde Gesù non andava più apertamente attorno tra i Giudei; ma se ne andò di là nella contrada vicina del deserto, in una città detta Efraim, e quivi se ne stava co' suoi discepoli.
55Intussen was het paasfeest der Joden genaderd, en trokken er velen van het land nog vóór het paasfeest naar Jerusalem op, om zich te reinigen.
55Or la pasqua de' Giudei era vicina; e molti di quella contrada salirono in Gerusalemme, innanzi la pasqua, per purificarsi.
56Ze zochten naar Jesus, en zeiden in de tempel onder elkander: Wat dunkt u? Zou Hij niet op het feest komen?
56Cercavano adunque Gesù; ed essendo nel tempio, dicevano gli uni agli altri: Che vi par egli? non verrà egli alla festa?
57Maar de opperpriesters en de farizeën hadden bevel gegeven, het aan te brengen, wanneer iemand wist, waar Hij was; dan konden ze Hem gevangen nemen.
57Or i principali sacerdoti, e i Farisei avean dato ordine che, se alcuno sapeva ove egli fosse, lo significasse, acciocchè lo pigliassero.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.