Johannes 11
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Nu was er een zieke, zekere Lázarus van Betánië, uit het dorp van Maria en van Marta, haar zuster.
1Erat autem quidam languens Lazarus a Bethania, de castello Mariæ et Marthæ sororis ejus.
2Het was de Maria, die den Heer met reukwerk gezalfd en zijn voeten met de haren afgedroogd heeft; de zieke Lázarus was haar broer.
2(Maria autem erat quæ unxit Dominum unguento, et extersit pedes ejus capillis suis: cujus frater Lazarus infirmabatur.)
3De zusters lieten Hem dus berichten: Zie, Heer: hij, dien Gij liefhebt, is ziek.
3Miserunt ergo sorores ejus ad eum dicentes: Domine, ecce quem amas infirmatur.
4Toen Jesus dit vernam, zeide Hij: Deze ziekte loopt niet uit op de dood, maar ze dient tot glorie van God, en om Gods Zoon te verheerlijken.
4Audiens autem Jesus dixit eis: Infirmitas hæc non est ad mortem, sed pro gloria Dei, ut glorificetur Filius Dei per eam.
5Jesus had Marta, haar zuster en ook Lázarus lief.
5Diligebat autem Jesus Martham, et sororem ejus Mariam, et Lazarum.
6Toen Hij had vernomen, dat hij ziek was, bleef Hij toch nog twee dagen ter plaatse, waar Hij zich bevond.
6Ut ergo audivit quia infirmabatur, tunc quidem mansit in eodem loco duobus diebus;
7Nu eerst sprak Hij tot de leerlingen: Laten we weer naar Judea gaan.
7deinde post hæc dixit discipulis suis: Eamus in Judæam iterum.
8De leerlingen zeiden Hem: Rabbi, kort geleden zochten de Joden U te stenigen, en gaat Gij nu opnieuw daarheen?
8Dicunt ei discipuli: Rabbi, nunc quærebant te Judæi lapidare, et iterum vadis illuc?
9Jesus antwoordde: Heeft de dag geen twaalf uren?
9Respondit Jesus: Nonne duodecim sunt horæ diei? Si quis ambulaverit in die, non offendit, quia lucem hujus mundi videt:
10Zo iemand wandelt bij dag, dan stoot hij zich niet, omdat hij het licht dezer wereld ziet; maar als hij wandelt bij nacht, dan stoot hij zich, omdat hij geen licht heeft.
10si autem ambulaverit in nocte, offendit, quia lux non est in eo.
11Zo sprak Hij. Daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lázarus is ingeslapen; maar Ik ga hem wekken.
11Hæc ait, et post hæc dixit eis: Lazarus amicus noster dormit: sed vado ut a somno excitem eum.
12Zijn leerlingen zeiden Hem: Heer, als hij slaapt, zal hij genezen.
12Dixerunt ergo discipuli ejus: Domine, si dormit, salvus erit.
13Maar Jesus had van zijn dood gesproken, terwijl zij meenden, dat Hij van gewoon inslapen sprak.
13Dixerat autem Jesus de morte ejus: illi autem putaverunt quia de dormitione somni diceret.
14Daarom zei Jesus hun toen ronduit: Lázarus is gestorven.
14Tunc ergo Jesus dixit eis manifeste: Lazarus mortuus est:
15En om u verheug Ik mij, dat Ik er niet aanwezig was, opdat gij geloven moogt. Maar laten we nu naar hem toegaan.
15et gaudeo propter vos, ut credatis, quoniam non eram ibi, sed eamus ad eum.
16Toen zei Tomas, ook Didumus geheten, tot zijn medeleerlingen: Laten ook wij gaan, om met Hem te sterven.
16Dixit ergo Thomas, qui dicitur Didymus, ad condiscipulos: Eamus et nos, ut moriamur cum eo.
17Maar bij zijn aankomst vond Jesus hem reeds vier dagen in het graf.
17Venit itaque Jesus: et invenit eum quatuor dies jam in monumento habentem.
18Daar Betánië dicht bij Jerusalem lag, op ongeveer vijftien stadiën afstand,
18(Erat autem Bethania juxta Jerosolymam quasi stadiis quindecim.)
19waren er veel Joden naar Marta en Maria gekomen, om haar hun rouwbeklag te doen over haar broer.
19Multi autem ex Judæis venerant ad Martham et Mariam, ut consolarentur eas de fratre suo.
20Zodra Marta Jesus’ aankomst vernam, ging ze Hem tegemoet; Maria bleef thuis.
20Martha ergo ut audivit quia Jesus venit, occurrit illi: Maria autem domi sedebat.
21En Marta zei tot Jesus: Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven.
21Dixit ergo Martha ad Jesum: Domine, si fuisses hic, frater meus non fuisset mortuus:
22Maar zelfs nu weet ik nog, dat God U zal geven, wat Gij Hem vraagt.
22sed et nunc scio quia quæcumque poposceris a Deo, dabit tibi Deus.
23Jesus sprak tot haar: Uw broer zal verrijzen.
23Dicit illi Jesus: Resurget frater tuus.
24Marta zeide Hem: Ik weet, dat hij verrijzen zal bij de opstanding op de jongste dag.
24Dicit ei Martha: Scio quia resurget in resurrectione in novissimo die.
25Jesus sprak tot haar: Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven;
25Dixit ei Jesus: Ego sum resurrectio et vita: qui credit in me, etiam si mortuus fuerit, vivet:
26en wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit?
26et omnis qui vivit et credit in me, non morietur in æternum. Credis hoc?
27Ze zeide Hem: Ja, Heer; ik geloof, dat Gij de Christus zijt, Gods Zoon, die in de wereld komt.
27Ait illi: Utique Domine, ego credidi quia tu es Christus, Filius Dei vivi, qui in hunc mundum venisti.
28Na deze woorden ging ze heen, om Maria, haar zuster, te roepen; heel in stilte zeide ze haar: De Meester is daar, en roept u.
28Et cum hæc dixisset, abiit, et vocavit Mariam sororem suam silentio, dicens: Magister adest, et vocat te.
29Zodra deze het hoorde, stond ze haastig op, en ging naar Hem toe.
29Illa ut audivit, surgit cito, et venit ad eum;
30Jesus was nog niet in het dorp gekomen, maar bevond Zich nog op de plaats. waar Marta Hem had ontmoet.
30nondum enim venerat Jesus in castellum: sed erat adhuc in illo loco, ubi occurrerat ei Martha.
31De Joden, die bij Maria in huis waren, om hun rouwbeklag te doen, zagen haar ijlings opstaan en heengaan; zij volgden haar, in de mening, dat ze naar het graf ging, om er te wenen.
31Judæi ergo, qui erant cum ea in domo, et consolabantur eam, cum vidissent Mariam quia cito surrexit, et exiit, secuti sunt eam dicentes: Quia vadit ad monumentum, ut ploret ibi.
32Zodra Maria kwam, waar Jesus was, en Hem zag, viel ze voor zijn voeten neer, en sprak tot Hem: Heer, zo Gij hier waart geweest, was mijn broer niet gestorven.
32Maria ergo, cum venisset ubi erat Jesus, videns eum, cecidit ad pedes ejus, et dicit ei: Domine, si fuisses hic, non esset mortuus frater meus.
33Toen Jesus haar zag wenen, en de Joden zag wenen, die haar vergezelden, werd Hij hevig bewogen en ontroerd.
33Jesus ergo, ut vidit eam plorantem, et Judæos, qui venerant cum ea, plorantes, infremuit spiritu, et turbavit seipsum,
34Hij sprak: Waar hebt gij hem begraven? Ze zeiden Hem: Heer, kom het zien.
34et dixit: Ubi posuistis eum? Dicunt ei: Domine, veni, et vide.
35En Jesus weende.
35Et lacrimatus est Jesus.
36De Joden zeiden: Zie, hoe Hij hem liefhad.
36Dixerunt ergo Judæi: Ecce quomodo amabat eum.
37Maar sommigen hunner zeiden: Kon Hij, die de ogen van den blinde heeft geopend, niet even goed zorgen, dat deze niet stierf?
37Quidam autem ex ipsis dixerunt: Non poterat hic, qui aperuit oculos cæci nati, facere ut hic non moreretur?
38Jesus dan, opnieuw hevig bewogen, kwam bij het graf. Het was een grot, en een steen sloot de ingang af.
38Jesus ergo rursum fremens in semetipso, venit ad monumentum. Erat autem spelunca, et lapis superpositus erat ei.
39Jesus sprak: Neemt de steen weg. Marta, de zuster van den overledene, zeide Hem: Heer, hij riekt al; want het is reeds de vierde dag.
39Ait Jesus: Tollite lapidem. Dicit ei Martha, soror ejus qui mortuus fuerat: Domine, jam fœtet, quatriduanus est enim.
40Jesus sprak tot haar: Heb Ik u niet gezegd: Wanneer ge gelooft, zult ge Gods heerlijkheid zien?
40Dicit ei Jesus: Nonne dixi tibi quoniam si credideris, videbis gloriam Dei?
41Men nam dus de steen weg. Toen sloeg Jesus de ogen omhoog, en sprak: Vader, Ik dank U, omdat Gij Mij hebt verhoord.
41Tulerunt ergo lapidem: Jesus autem, elevatis sursum oculis, dixit: Pater, gratias ago tibi quoniam audisti me.
42Ik wist wel, dat Gij Mij altijd verhoort; maar Ik zeg het terwille van de omstaande menigte, opdat ze mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.
42Ego autem sciebam quia semper me audis, sed propter populum qui circumstat, dixi: ut credant quia tu me misisti.
43Na deze woorden riep Hij met luider stem: Lázarus, kom uit.
43Hæc cum dixisset, voce magna clamavit: Lazare, veni foras.
44En de dode kwam te voorschijn, de voeten en handen in windsels gewikkeld, en zijn gezicht met een zweetdoek omwonden. Jesus zei hun: Maakt hem los, en laat hem gaan.
44Et statim prodiit qui fuerat mortuus, ligatus pedes, et manus institis, et facies illius sudario erat ligata. Dixit eis Jesus: Solvite eum et sinite abire.
45Velen van de Joden, die naar Maria waren gekomen, en gezien hadden, wat Jesus gedaan had, geloofden daarom in Hem.
45Multi ergo ex Judæis, qui venerant ad Mariam, et Martham, et viderant quæ fecit Jesus, crediderunt in eum.
46Maar sommigen van hen liepen naar de farizeën, en deelden hun mee, wat Jesus gedaan had.
46Quidam autem ex ipsis abierunt ad pharisæos, et dixerunt eis quæ fecit Jesus.
47Toen riepen de opperpriesters en farizeën de Hoge Raad bijeen. Ze zeiden: Wat doen we? Want die man doet veel wonderen.
47Collegerunt ergo pontifices et pharisæi concilium, et dicebant: Quid faciamus, quia hic homo multa signa facit?
48Als we Hem zó laten begaan, zullen ze allemaal in Hem geloven; dan zullen de Romeinen komen, en ons land en volk verdelgen.
48Si dimittimus eum sic, omnes credent in eum, et venient Romani, et tollent nostrum locum, et gentem.
49Maar één hunner, Káifas, die dat jaar de hogepriester was, sprak tot hen: Weet gij geen uitkomst?
49Unus autem ex ipsis, Caiphas nomine, cum esset pontifex anni illius, dixit eis: Vos nescitis quidquam,
50Beseft gij dan niet, dat het goed voor u is, dat één mens sterft voor het heil van het volk, en niet het hele volk te gronde gaat?
50nec cogitatis quia expedit vobis ut unus moriatur homo pro populo, et non tota gens pereat.
51Dit zei hij niet uit zichzelf. Maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jesus sterven zou voor het heil van het volk;
51Hoc autem a semetipso non dixit: sed cum esset pontifex anni illius, prophetavit, quod Jesus moriturus erat pro gente,
52en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen Gods bijeen te brengen.
52et non tantum pro gente, sed ut filios Dei, qui erant dispersi, congregaret in unum.
53Van die dag af waren ze besloten, Hem te doden.
53Ab illo ergo die cogitaverunt ut interficerent eum.
54Daarom trad Jesus niet meer in het openbaar onder de Joden op, maar trok Hij Zich terug in een streek nabij de woestijn, in een stad, Efrem genaamd; en daar bleef Hij met zijn leerlingen.
54Jesus ergo jam non in palam ambulabat apud Judæos, sed abiit in regionem juxta desertum, in civitatem quæ dicitur Ephrem, et ibi morabatur cum discipulis suis.
55Intussen was het paasfeest der Joden genaderd, en trokken er velen van het land nog vóór het paasfeest naar Jerusalem op, om zich te reinigen.
55Proximum autem erat Pascha Judæorum, et ascenderunt multi Jerosolymam de regione ante Pascha, ut sanctificarent seipsos.
56Ze zochten naar Jesus, en zeiden in de tempel onder elkander: Wat dunkt u? Zou Hij niet op het feest komen?
56Quærebant ergo Jesum, et colloquebantur ad invicem, in templo stantes: Quid putatis, quia non venit ad diem festum? Dederant autem pontifices et pharisæi mandatum ut si quis cognoverit ubi sit, indicet, ut apprehendant eum.
57Maar de opperpriesters en de farizeën hadden bevel gegeven, het aan te brengen, wanneer iemand wist, waar Hij was; dan konden ze Hem gevangen nemen.
no verse 57 in this text
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.