Johannes 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1En Jesus ging naar de Olijfberg.
1Iesu Oliua paserem bakeamulu.
2Maar ‘s morgens vroeg begaf Hij Zich weer naar de tempel, en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten, en onderrichtte hen.
2Idim ge, Iesu iako zogo meta ge balu, gaire le lakub abim tabakeuare; E emri, a uiabim okadeskeda.
3Nu brachten schriftgeleerden en farizeën een vrouw naar Hem toe, die op overspel was betrapt; ze plaatsten haar in de kring,
3Uiaba aotale giz pako Faresaio giz abim tegaret nerute eruam kosker, emetu erpei kerker eruamlam; a eipu ekueirare,
4en zeiden tot Hem: Meester, deze vrouw is op heterdaad van overspel betrapt.
4A Iesuim detager, kega, Eruere le, abele kosker keriba eruamem terpei.
5Nu heeft Moses ons in de Wet geboden, dergelijke vrouwen te stenigen. Wat zegt Gij nu?
5Emetu Mose keribi mer tigri, muige gelar, ko bakeru itimdare mokakalam: nako mara mer abim?
6Dit zeiden ze, om Hem een strik te spannen, en tegen Hem een aanklacht te hebben. Maar Jesus boog Zich voorover, en schreef met de vinger op de grond.
6Uiaba detaut abele ge ko abi mirem, ueakai nagri mer ais abielam. Iesu esorgiru, a seb ge detali tagu.
7En toen ze aanhielden met vragen, richtte Hij Zich op, en sprak tot hen: Wie van u zonder zonde is, werpe de eerste steen op haar!
7Uiaba elele abi itmerare, E tekue, a uiabim detaut, kega, Debele le eruam kak kekiam bakeru abi itimdi.
8Weer boog Hij Zich voorover, en schreef op de grond.
8E iako esorgiru, a seb ge detali tagu.
9Toen ze dit hoorden, gingen ze heen, de een na den ander, maar de oudsten het eerst; en Jesus bleef alleen, de vrouw nog steeds in de kring.
9Uiaba emetu asoli, uiaba nerute a nerute eosmeda, ditimeda aule a mop ge itiagi: Iesu tepteb pako kosker eipu ekueilu.
10Nu richtte Jesus Zich op, en sprak tot haar: Vrouw, waar zijn ze gebleven? Heeft niemand u veroordeeld?
10Iesu etilu, a kosker tepteb dasmer, a abi detager, Kosker, uiaba nade marim mer ais? nako nole le mari bakeru natimdi?
11Ze zeide: Niemand, Heer. En Jesus sprak: Ook Ik veroordeel u niet; ga heen, en zondig voortaan niet meer.
11E detaut, kega, Opole, nolea kar. Iesu iako abim detager, kega, Ka ko nole mari bakeru natimili: bakeam; iako nole eruam kak.
12Een ander maal richtte Jesus het woord tot hen, en sprak: Ik ben het licht der wereld. Wie Mij volgt, zal niet in de duisternis wandelen, maar het licht des levens bezitten.
12Iesu iako uiabim detaut, kega, Kaka geseb datki: abele le kari narmili E nole kupkupi ge bakeam, epe E nagri datki eded.
13Maar de farizeën zeiden tot Hem: Gij getuigt over Uzelf; uw getuigenis is dus niet geldig.
13Faresaio giz abi detautare, kega, Mabu ma ageakarem; nole ageakar mara mer.
14Jesus antwoordde hun, en sprak: Ook als Ik over Mijzelf getuig, is mijn getuigenis geldig; want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waarheen Ik ga; maar gij weet niet, vanwaar Ik kom, en waarheen Ik ga.
14Iesu uiabim detaut, kega, Ese karababu kari ageakarem, kara mer ageakar; abelelam kaka umele kaka nagelam, a kai na gedim bakeam; uaba nole umer kak kaka nagelam, a kai na gedim bakeam.
15Gij oordeelt naar het vlees: Ik oordeel niemand.
15Uaba erkepse irmi gem ge irmili; kaka nole nerute le erkepse irmi.
16Maar al zou Ik ook oordelen, dan zou mijn oordeel geldig zijn; want Ik ben niet alleen, maar met Mij is de Vader, die Mij heeft gezonden.
16Ese kaka erkepse irmi, ageakar kaka erkepse irmi; abelelam kaka nole tepteb, epe kaka pako Baba, kari namarida.
17Welnu, in uw Wet staat geschreven: het getuigenis van twee mensen is geldig.
17Emetu detali muige uaba gelar, kega, Ageakar abele mer neisi le ageakarem.
18Ik ben het, die over Mijzelf getuig; maar ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt over Mij.
18Karbabu kari ageakarem, a Baba, kari namarida, kari ageakarem.
19Ze zeiden Hem dan: Waar is uw Vader? Jesus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch mijn Vader; zo gij Mij zoudt kennen, dan zoudt gij ook mijn Vader kennen.
19Uiaba abi detautare, kega, Mara Aba nade? Iesu detaut, Uaba nole kari umer kak, a kara Aba: ese uaba kari umele, uaba kara Aba umele.
20Deze woorden sprak Jesus bij de schatkamer, tijdens zijn onderricht in de tempel. En niemand nam Hem gevangen, omdat zijn uur nog niet was gekomen.
20Abele gaire mer Iesu detaut mani epei ge, E zogo meta ge okadeskeda: a nole le abi terpei; abelelam abara kerker nole tabarki.
21Een ander maal sprak Jesus tot hen: Ik ga heen, en gij zult Mij zoeken, en in uw zonde zult gij sterven. Waar Ik heenga, kunt gij niet komen.
21Iesu iako uiabim detaut, kega, Kai nabakeamulu, a uaba ko kari naraimerare, a uaba ko eumida uabi uitelam: uaba umer kak ko bakeam abele utebem kaka bakeam.
22De Joden zeiden: Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen?
22Iudaia le giz mer atager, kega, Nako, tababu ko abi ipit, abelelam E detager, kega, Uaba umer kak ko bakeam abele utebem kaka bakeam?
23Hij sprak tot hen: Gij zijt van beneden, Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.
23E uiabim detaut, kega, Uaba lokodlam; kaka kotorlam: uaba geseplam; kai nole geseplam.
24Daarom heb ik u gezegd, dat gij sterven zult in uw zonden; want zo gij niet gelooft, dat Ik het ben, zult gij sterven in uw zonden. —
24Abelelam kaka uabi detager, kega, Uaba ko eumida uaba uitelam: ese uaba nole egaret Kakanali, uaba ko eumida uabi uitelam.
25Ze zeiden Hem dan: Gijzelf, wie zijt Gij? Jesus zei hun: Eigenlijk gezegd, waarom zou Ik daarover nog met u spreken?
25Uiaba abi detautare, kega, Mama nete? Iesu uiabi detaut, kega, Pedali kaka uabi detager gizlam.
26Over uzelf zou Ik veel kunnen zeggen, en oordelen. Maar Ik spreek tot de wereld, wat Ik gehoord heb van Hem, die Mij gezonden heeft; en Deze is waarachtig.
26Kaka nagri dordor lu ko detager, a ko dikiapor uabim: E ageakar, kari namarida; kaka gesepem detager gaire lu kaka asoli abielam.
27Ze begrepen niet, dat Hij hun van den Vader sprak.
27Uiaba nole akmer kak E Abaem uiabim detager.
28Jesus zeide hun dan: Wanneer gij den Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien, dat Ik het ben; en dat Ik niets doe uit Mijzelf, maar spreek, zoals de Vader Mij heeft geleerd.
28Iesu uiabim detaut, kega, Ese uaba Le la Uerem armem tagis, uaba ko akmer kakanali, a kaka nole karbabu nerute lu ikeli, epe mokakalam Baba kari ereuerem, kaka detaut abele gaire lu.
29En Hij, die Mij gezonden heeft, is met Mij, en laat Mij niet alleen; omdat Ik altijd doe wat Hem behaagt.
29E kari dog, kari namarida; E nole kari nakaerti; abelelam kaka gaire lu ikeli abim sererge.
30Toen Hij aldus sprak, begonnen er velen in Hem te geloven.
30E detager abele gaire lu, a gaire le abim oituli.
31Jesus zeide dan tot de Joden, die in Hem geloofden: Zo gij in mijn woord volhardt, zijt gij waarlijk mijn leerlingen;
31Iesu detager, uiabim gaire Iudaia le giz abim oituli, kega, Ese kara mer niaiem uabi dog, uaba kara kaimeg giz kar;
32dan zult gij de waarheid kennen, en de waarheid zal u bevrijden.
32Uaba ko ageakar akmer, abele ageakar ko uabi emariklu.
33Men antwoordde Hem: We zijn kroost van Abraham, en nooit iemands slaaf geweest; hoe kunt Gij dus zeggen: Vrij zult gij worden?
33Uiaba abi detautare, kega, Keriba Aberahama ra omasker, a nole didbare nerute le dog: epe nako ma detager, Keriba ko emariklu?
34Jesus antwoordde hun: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie zonde doet, is slaaf van de zonde.
34Iesu uiabim detaut, kega, Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, kega, Abele le uit ikeli, E uite ra memeg le.
35De slaaf nu blijft niet altijd in huis; de zoon blijft er voor altijd.
35Abele memeg le nole uteb ge niaiem emri: mamoro uerem niaiem emri.
36Zo dus de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn.
36Ese Uerem uabi emariklu, uaba ageakar emariklu.
37Ik weet, dat gij kroost van Abraham zijt; maar gij zoekt Mij te doden, omdat mijn woord geen ingang bij u vindt.
37Kaka umele uaba Aberahama ra omasker; epe nako uaba deraimer kari ipit, abelelam kara mer nole uabi nerkep ge.
38Ik spreek, wat Ik bij mijn Vader gezien heb; ook gij doet, wat gij van uw vader gehoord hebt.
38Kaka detager kaka dasmer kari Baba dog: a uaba ikerare abele gaire lu uaba asoli uaba abalam.
39Ze gaven Hem ten antwoord: Onze vader is Abraham. Jesus sprak tot hen: Zo gij kinderen zijt van Abraham, doet dan ook de werken van Abraham.
39Uiaba abi detautare, kega, Aberahama keriba aba. Iesu uiabi detaut, kega, Ese uaba Aberahama ra omasker, uaba ko ikeli Aberahama ra dorge.
40Maar nu zoekt gij Mij te doden: een mens, die u de waarheid gezegd heeft, welke Hij van God heeft gehoord: zo iets deed Abraham niet.
40Peirdi uaba naraimer ko kari napit, nerute le uabi detager ageakar, kaka asoli Adelam: Aberahama nole ikeli mokakalam.
41Gij doet de werken van uw vader. —Ze zeiden Hem dan: We zijn niet uit ontucht geboren, één Vader hebben we slechts, en dat is God.
41Uaba ikeli uaba aba ra dorge. Uiaba abi detager, kega, Keriba nole eruam omasker; netate keriba Aba, Ade.
42Jesus sprak tot hen: Zo God uw Vader was, dan zoudt gij Mij beminnen. Want van God ben Ik uitgegaan en gekomen; niet uit Mijzelf toch ben Ik gekomen, maar Hij heeft Mij gezonden.
42Iesu uiabim detaut, kega, Ese Ade uaba Aba, uaba ko kari lag: abelelam kaka nabue, a ge tabarki Adelam; kaka nole karbabu tabarki, epe E kari namarida.
43Waarom begrijpt gij mijn taal niet? Omdat gij zelfs niet in staat zijt, om naar mijn woord te luisteren.
43Nako uaba nole akmer kak kara mer? Abelelam uaba umer kak kara mer asoli.
44Gij hebt den duivel tot vader, en de zin van uw vader verkiest gij te doen. Hij was een moordenaar van den beginne; ook hield hij zich niet met de waarheid op, omdat er in hem geen waarheid is. Wanneer hij leugen spreekt, spreekt hij naar eigen aard; want hij is een leugenaar, en de vader daarvan.
44Uaba uaba abalam diabolo, uaba lagelag uaba abara lag ikeli. E dipe le gizelam, a nole ageakar, abelelam nole nerute ageakar abi dog. Ese E bes mer detaut, E detaut tababielam; abelelam E besbes, a aba bes apu.
45En gij gelooft niet in Mij, juist omdat Ik de waarheid zeg.
45Abelelam kaka ageakar detaut, uaba nole kari oatur kak.
46Wie uwer overtuigt Mij van zonde? Zo Ik de waarheid zeg, waarom dan gelooft gij Mij niet?
46Nitide uabim kari uit natomerti? Ese kaka ageakar detaut, epe nako uaba nole kari oatur kak?
47Wie uit God is, luistert naar de woorden van God; daarom juist luistert gij niet, omdat gij niet uit God zijt.
47Abele le Adelam, Ade ra mer asoli: uaba nole asor kak, abelelam uaba nole Adelam.
48De Joden antwoordden Hem: Zeggen we niet met recht, dat Gij een samaritaan zijt en van den duivel bezeten?
48Iudaia giz abi detaut, kega, Nako, keriba nole barkak detaut ma Samaria le, a demoni mari dog?
49Jesus antwoordde: Ik ben van geen duivel bezeten, doch Ik breng eer aan mijn Vader; maar gij, gij ontrooft Mij mijn eer.
49Iesu detaut, kega, Kara nole nagri demoni; ege kaka kara Aba naospereda, a uaba kari nakekeli.
50Niet, dat Ik mijn eigen eer zoek; daar is er Eén, die haar zoekt, en oordeelt.
50Kaka nole deraimer karababu naospereda: ege nerute le deraimer, a baraditug.
51Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Zo iemand mijn woord onderhoudt, dan zal hij in eeuwigheid de dood niet zien. —
51Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, kega, Ese nerute le kara mer asoli, E nole eud asmer kak niai karem.
52De Joden zeiden Hem: Nu weten we, dat Gij bezeten zijt! Abraham en de profeten zijn gestorven; en Gij zegt: Zo iemand mijn woord onderhoudt, zal hij de dood niet sterven in eeuwigheid.
52Iudaia giz abi detautare, Peirdi keriba umele mari dog demoni. Aberahama emetu eumida, pako gaire perofeta; a mama detager, kega, Ese nerute le kara mer asoli, E eud asmer kak niai karem.
53Zijt Gij dan groter dan onze vader Abraham? Hij is gestorven, en ook de profeten zijn gestorven! Voor wien houdt Gij Uzelf dan wel?
53Nako, mama aule tumem keriba aba Aberahama emetu eumida? a gaire perofeta ko eumida: nete mama depegili?
54Jesus antwoordde: Wanneer Ik Mijzelf verheerlijk, dan is mijn heerlijkheid niets; mijn Vader is het, die Mij verheerlijkt.
54Iesu detaut, kega, Ese kaka karababu baospili, nole ageakar karababu naospili: kara Aba kari naospili; E dali uaba detaut uaba Ade;
55Gij noemt Hem uw God, en toch erkent gij Hem niet. Maar Ik ken Hem wèl; en als Ik zeide, Hem niet te kennen, dan was Ik een leugenaar evenals gij. Ja waarlijk, Ik ken Hem, en zijn woord onderhoud Ik.
55Uaba nole abi umer kak: kaka abim umele; ese kaka detaut, kega, Kaka nole abi umer kak, kaka iako besbes mokakalam uaba; epe kaka abim umele, a abara mer asoli.
56Abraham, uw vader, zag juichend van blijdschap mijn dag tegemoet; hij heeft hem gezien en van vreugde gejubeld. —
56Uaba aba Aberahama sererge kara gerger dasmer; E emetu dasmer, E ko sererge.
57Maar de Joden zeiden Hem: Gij zijt nog geen vijftig jaar oud, en Gij hebt Abraham gezien?
57Iudaia giz abi detautare, kega, Mara urut nole fifeti, epe nako mama Aberahama dasmer?
58Jesus sprak tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Vóór Abraham werd, ben Ik.
58Iesu uiabim detaut, kega, Ageakar, ageakar, kaka uabi detager, Kakanali, Aberahama aosmer kak.
59Toen grepen ze stenen, om Hem te stenigen; maar Jesus trok Zich terug, en verliet de tempel.
59Uiaba baker taisare ko abi itimdare: a Iesu gumik bakeamulu, a teosmelu zogo metalam.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.