Matteus 3
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Meriam Mir Gospels
1In die dagen trad Johannes de Doper op, en preekte in de woestijn van Judea.
1Abele kerker Ioane, nei atker Bapataiso le, tabarki E marau abele Iudaia sumez ge,
2Hij sprak: Bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij.
2Kega, Ma obazgeda, abelelam kotor baselaia maike.
3Welnu, deze is het, van wien de profeet Isaias gesproken heeft, toen hij zeide: “De stem van een roepende in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, Maakt recht zijn paden.”
3Abelelam E dali Isaia perofeta detager, kega, Abele kodo le ereretikri abele sumez ge, Uaba paret Opole ra gab, a dirup abara gab.
4Deze Johannes droeg een kemelharen mantel, en een leren heupkleed om zijn lenden; zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing.
4Ege Ioane ra am uali kamela mus abara uak paur; abara leuer pem akerise ereger gako abele sumez isao.
5Toen liep Jerusalem en heel Judea en de ganse Jordaanstreek tot hem uit.
5Ui bakeuare abim Ierusalema giz, gako Iudaia le uridili bakedilu Ioridano apek.
6En, terwijl ze hun zonden beleden, lieten ze zich door hem dopen in de Jordaan.
6E uiabi bapataiso Ioridano ge, a uiaba natomertare uiaba uite giz.
7Toen hij echter ook vele farizeën en sadduceën om zijn doopsel zag komen, zei hij hun: Adderenbroed, wie heeft u geleerd, de komende wraak te ontvluchten?
7E nardarare gaire Faresaio giz gako Sadukaio giz tabakeuare abim bapataisoem, E ui daratagerare, kega, Areg tabo ra omasker ae, nete uabi detomerta uaba deraret abele niai urker?
8Brengt dus waardige vruchten van boetvaardigheid voort,
8Uaba turum nagri abkoreb uaba obazgeda:
9en doet niet, alsof gij denkt bij uzelf: We hebben Abraham tot vader. Want ik zeg u, dat God de macht heeft, om uit deze stenen voor Abraham kinderen te verwekken.
9Uaba nole uabi dikiapore uaba nerkeplam, kega, Aberahama keriba aba; abelelam kaka uabi detager Ade umele depegeli baker peike ko Aberahama ra omasker.
10Reeds ligt de bijl aan de wortel der bomen. Iedere boom, die geen goede vruchten draagt, zal omgehouwen worden en in het vuur geworpen.
10Abele deumerupikeub tulik ikedilu maike lu giz ge; gaire lu uridili nole debe turum, E deregeir a dikri ur ge.
11Ik doop u met water ter bekering, maar die na mij zal komen, is machtiger dan ik; en ik ben niet waardig, Hem zijn schoeisel aan te dragen. Hij zal u dopen met den Heiligen Geest en met vuur.
11Kaka uabi bapataiso abele ni iaueakai uaba obazger; epe nerute le kari keubu ekas E au kale kari tumge, kaka nole abkoreb tais abara teter gab; E uabi bapataiso abele Lamar Zogo, gako abele ur;
12Hij heeft zijn wan in de hand, en Hij zal zijn dorsvloer zuiveren; de tarwe verzamelen in de schuur, maar het kaf verbranden in onuitblusbaar vuur.
12Abara tag nagri pat, E dirup abara kon etkemed; a E ais azig metaem gaire kon nole puip kak, ege kon ra gegur E disirkilu abele ur umer kak esameilu.
13Nu kwam ook Jesus van Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen.
13Jesu bakeamulu Galilaialam Ioridano ge Ioaneim, iauaekai E abi bapataiso.
14Maar Johannes verzette er zich tegen, en sprak: Ik moet gedoopt worden door U, en Gij komt tot mij?
14Ioane de abi daisumdalu, kega, Debele ma kari bapataiso, nako ma tabakeam karim?
15Jesus antwoordde hem: Laat het nu toe; want zo betaamt het ons, alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem toe.
15Iesu etkalu abim, kega, Ma no bapataiso karim, abelelam abkoreb meribim bakedida gaire gelar barkak uridili; E mena abi asoli.
16Nadat Jesus de doop had ontvangen, steeg Hij onmiddellijk uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en Hij zag den Geest Gods als een duif nederdalen en over Zich komen.
16Ege E Iesuim bapataiso E tegemelu nilam dasmer, ege kotor nakesmulu, E erdalu Ade ra Lamar tabu mokakalam dibadib ise emerder abi kerem ge;
17En zie, een stem uit de hemel sprak: Deze is mijn beminde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb.
17Dasmer, abele kodo mer kotorlam, kega, Kara Uerem nase ge idali, kaka au sererege abim.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.