Matteus 23
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Diodati Bibbia 1885
1Nu sprak Jesus tot het volk en tot zijn leerlingen:
1ALLORA Gesù parlò alle turbe, ed a' suoi discepoli, dicendo:
2Op de zetel van Moses zitten de schriftgeleerden en farizeën.
2Gli Scribi e i Farisei seggono sopra la sedia di Mosè.
3Onderhoudt en doet dus alles, wat ze u zeggen; maar handelt niet naar hun werken. Want ze zeggen het wel, maar ze doen het niet.
3Osservate adunque, e fate tutte le cose che vi diranno che osserviate; ma non fate secondo le opere loro; perchè dicono, ma non fanno.
4Ze binden zware en ondragelijke lasten bijeen, en leggen die op de schouders der mensen; maar zelf willen ze die met hun vinger niet aanraken.
4Perciocchè legano pesi gravi ed importabili, e li mettono sopra le spalle degli uomini; ma essi non li vogliono pur muovere col dito.
5Al hun werken verrichten ze om door de mensen opgemerkt te worden; ze maken hun gebedsriemen breed, en hun mantelkwasten groot.
5E fanno tutte le loro opere per esser riguardati dagli uomini; ed allargano le lor filatterie, ed allungano le fimbrie delle lor veste.
6Ze zijn op de eerste plaatsen bij feestmalen belust, op de eerste zetels in de synagogen,
6Ed amano i primi luoghi a tavola ne' conviti, e i primi seggi nelle raunanze;
7en op de begroetingen op de markt, en willen door de mensen rabbi worden genoemd.
7e le salutazioni nelle piazze; e d'esser chiamati dagli uomini: Rabbi, Rabbi.
8Neen, laat u geen rabbi noemen; want één is uw Meester, en allen zijt ge broeders.
8Ma voi, non siate chiamati Maestro; perciocchè un solo è il vostro Dottore, cioè Cristo; e voi tutti siete fratelli.
9Noemt ook niemand op aarde uw vader; want één is uw Vader, die in de hemelen is.
9E non chiamate alcuno sopra la terra vostro padre; perciocchè un solo è vostro Padre, cioè , quel ch' è ne' cieli.
10Laat u ook niet leraars noemen; want één is uw Leraar, de Christus.
10E non siate chiamati dottori; perciocchè un solo è il vostro Dottore, cioè Cristo.
11De grootste onder u moet uw dienaar zijn.
11E il maggior di voi sia vostro ministro.
12Maar wie zich verheft, zal worden vernederd; wie zich vernedert, zal worden verheven.
12Or chiunque si sarà innalzato, sarà abbassato; e chiunque si sarà abbassato, sarà innalzato.
13Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het rijk der hemelen sluit voor de mensen. Want gij gaat er zelf niet in; en hen die er in willen, laat gij niet binnengaan.
13Ora, guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi serrate i regno dei cieli davanti agli uomini; poichè voi non entrate, nè lasciate entrar coloro ch'erano per entrare.
14Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die het goed der weduwen verslindt onder het vertoon van lange gebeden. Daarom zult gij zo streng worden geoordeeld.
14Guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi divorate le case delle vedove; e ciò , sotto specie di far lunghe orazioni; perciò, voi riceverete maggior condannazione.
15Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die land en zee doorkruist, om één enkelen bekeerling te maken; maar als hij het geworden is, maakt gij hem tot een kind der hel, tweemaal erger dan gijzelf.
15Guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi circuite il mare e la terra, per fare un proselito; e, quando egli è fatto, voi lo fate figliuol della geenna il doppio più di voi.
16Wee u, blinde leiders, die zegt: Heeft iemand gezworen bij de tempel, dan is het niets; maar die zweert bij het goud van de tempel, is gebonden.
16Guai a voi, guide cieche! che dite: Se alcuno ha giurato per lo tempio, non è nulla; ma se ha giurato per l'oro del tempio, è obbligato.
17Dwazen en verblinden! Wat toch is meer, het goud of de tempel, waardoor het goud wordt geheiligd?
17Stolti e ciechi! perciocchè, quale è maggiore, l'oro, o il tempio che santifica l'oro?
18En: zweert men bij het altaar, dan is het niets; maar zweert men bij de offergave, die er op ligt, dan is men gebonden.
18Parimente, se alcuno ha giurato per l'altare, non è nulla; ma se ha giurato per l'offerta che è sopra esso, è obbligato.
19Verblinden! Wat toch is meer: de offergave of het altaar, waardoor de offergave wordt geheiligd?
19Stolti e ciechi! perciocchè, quale è maggiore, l'offerta, o l'altare che santifica l'offerta?
20Wie dus zweert bij het altaar, zweert bij dit en bij al wat er op ligt.
20Colui adunque che giura per l'altare giura per esso, e per tutte le cose che son sopra esso.
21En wie zweert bij de tempel, zweert bij deze en bij Hem, die er in woont.
21E chi giura per lo tempio giura per esso, e per colui che l'abita.
22En wie zweert bij de hemel, zweert bij Gods troon, en bij Hem, die erop is gezeten.
22E chi giura per lo cielo giura per lo trono di Dio, e per colui che siede sopra esso.
23Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die tienden betaalt van muntkruid, anijs en komijn; maar die nalatig zijt in het voornaamste deel van de wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en goede trouw. Dit moet men doen, en het andere niet laten.
23Guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi decimate la menta, e l'aneto, e il comino, e lasciate le cose più gravi della legge: il giudizio, e la misericordia, e la fede; ei si conveniva far queste cose, e non lasciar quelle altre.
24Blinde leidslieden, die de mug uitzeeft, maar de kameel doorslokt.
24Guide cieche! che colate la zanzara, e inghiottite il cammello.
25Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die de beker en de schotel van buiten reinigt, terwijl ze van binnen vol schraapzucht en onmatigheid zijn.
25Guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi nettate il difuori della coppa e del piatto; ma dentro quelli son pieni di rapina e d'intemperanza.
26Blinde farizeën; reinigt eerst de beker en de schotel van binnen, opdat ook de buitenkant rein moge worden.
26Fariseo cieco! netta prima il didentro della coppa e del piatto; acciocchè il difuori ancora sia netto.
27Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars. Want gij zijt gelijk aan witgepleisterde graven, die van buiten wel mooi zijn, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei vuil.
27Guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi siete simili a' sepolcri scialbati, i quali di fuori appaiono belli, ma dentro son pieni d'ossami di morti, e d'ogni bruttura.
28Zo schijnt ook gij van buiten rechtvaardig voor het oog van de mensen, maar van binnen zijt gij vol huichelarij en ongerechtigheid.
28Così ancora voi apparite giusti di fuori agli uomini; ma dentro, siete pieni d'ipocrisia e d'iniquità.
29Wee u, schriftgeleerden en farizeën; gij huichelaars, die grafsteden bouwt voor de profeten, de gedenktekens der rechtvaardigen versiert,
29Guai a voi, Scribi e Farisei ipocriti! perciocchè voi edificate i sepolcri de' profeti, e adornate i monumenti de' giusti; e dite:
30en zegt: Zo wij hadden geleefd in de dagen onzer vaderen, dan zouden wij met hen geen deel hebben gehad aan de moord der profeten.
30Se noi fossimo stati a' dì de' padri nostri, non saremmo già stati lor compagni nell'uccisione de' profeti.
31Gij getuigt dus tegen uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.
31Talchè voi testimoniate contro a voi stessi, che siete figliuoli di coloro che uccisero i profeti.
32Welnu dan, maakt de maat uwer vaderen maar vol.
32Voi ancora empiete pur la misura de' vostri padri.
33Slangen, adderenbroed, hoe zult gij de helse verdoemenis ontkomen?
33Serpenti, progenie di vipere! come fuggirete dal giudizio della geenna?
34Ziet, daarom zend Ik tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen geselen in uw synagogen, en van stad tot stad achtervolgen,
34Perciò, ecco, io vi mando de' profeti, e de' savi, e degli Scribi; e di loro ne ucciderete e crocifiggerete alcuni, altri ne flagellerete nelle vostre raunanze, e li perseguiterete di città in città.
35opdat al het onschuldige bloed, dat op aarde is vergoten, over u moge komen: van het bloed van den rechtvaardigen Abel af, tot het bloed van Zakarias, den zoon van Barakias, dien gij gedood hebt tussen de tempel en het altaar.
35Acciocchè vi venga addosso tutto il sangue giusto sparso in terra, dal sangue del giusto Abele, infino al sangue di Zaccaria, figliuol di Barachia, il qual voi uccideste fra il tempio e l'altare.
36Voorwaar, Ik zeg u: neerkomen zal dit alles op dit geslacht.
36Io vi dico in verità, che tutte queste cose verranno sopra questa generazione.
37Jerusalem, Jerusalem, dat de profeten doodt, dat stenigt, die tot u zijn gezonden: hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt; maar gij hebt niet gewild.
37Gerusalemme, Gerusalemme, che uccidi i profeti, e lapidi coloro che ti son mandati! quante volte ho voluto raccogliere i tuoi figliuoli, nella maniera che la gallina raccoglie i suoi pulcini sotto le ale, e voi non avete voluto!
38Zie, uw huis zal in puin blijven liggen.
38Ecco, la vostra casa vi è lasciata deserta.
39En Ik zeg u: Van nu af zult gij Mij niet meer zien, totdat gij roept: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren.
39Perciocchè io vi dico, che da ora innanzi voi non mi vedrete, finchè diciate: Benedetto colui che viene nel nome del Signore.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.