Matteus 18
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Terzelfder tijd kwamen de leerlingen bij Jesus en zeiden: Wie is wel de grootste in het rijk der hemelen?
1Того часу приступили ученики до Ісуса, кажучи: Хто більший у царстві небесному?
2Jesus riep een kind naar Zich toe, plaatste het in hun midden.
2І, покликавши Ісус хлопятко до себе, поставив його серед них,
3en sprak: Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij u niet bekeert en als kinderen wordt, zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.
3і рече: Істино глаголю вам: Коли не навернетесь, та не станете як дїти, то не ввійдете в царство небесне.
4Wie zich dus vernederen zal als dit kind, zal de grootste zijn in het rijk der hemelen.
4Оце ж, хто смирить ся, як хлопятко се, той більший у царстві небесному.
5En wie zulk een kind opneemt in mijn naam, neemt Mij op.
5І хто прийме одно таке хлопятко в імя моє, мене приймає.
6Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken.
6Хто ж зблазнить одного з сих малих, що вірують у мене, лучче йому, щоб повішено млинове жорно на шию йому, та й утоплено в глибинї морській.
7Wee de wereld om de ergernis. Zeker, het kan wel niet anders, of er moet ergernis komen; maar wee den mens, door wien de ergernis komt.
7Горе сьвітові від поблазней! треба бо прийти поблазням, тільки ж горе тому чоловікові, що через него поблазнь приходить!
8Welnu, zo uw hand of voet u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want het is beter voor u, verminkt of kreupel het Leven binnen te gaan, dan met twee handen of twee voeten geworpen te worden in het eeuwige vuur.
8Коли ж рука твоя або нога твоя блазнить тебе, відотни її, та й кинь од себе: лучче тобі ввійти в життє кривим або калїкою, нїж мавши дві руцї чи дві нозї, бути вкинутим ув огонь вічний.
9En zo uw oog u ergert, ruk het uit, en werp het weg; want het is beter voor u, met één oog het Leven binnen te gaan, dan met twee ogen geworpen te worden in het helse vuur.
9І коли око твоє блазнить тебе, вирви його, та й кинь од себе: лучче тобі увійти в життє однооким, анїж мавши дві оцї, бути вкинутим ув огняне пекло.
10Zorgt er voor, dat gij geen van deze kleine gering acht; want Ik zeg u: Hun engelen in de hemel zien altijd het aanschijn van mijn Vader, die in de hemel is.
10Гледїть, щоб не погордувати одним із малих сих: глаголю бо вам: Що ангели їх на небі по всяк час бачять лице Отця мого небесного.
11-
11Син бо чоловічий прийшов спасати загублене.
12Wat dunkt u? Zo iemand honderd schapen heeft, en een daarvan van is verdwaald, laat hij dan niet de negen en negentig in het gebergte achter, om het éne te gaan zoeken, dat verdwaald is?
12Як вам здаєть ся? коли буде в якого чоловіка сотня овечок, та заблудить одна з них, чи не покине він девятьдесять і девять, та не пійде в гори, й не шукати ме заблудної?
13En zo hij het vindt, voorwaar, Ik zeg u: Hij verheugt zich over dat éne meer, dan over de negen en negentig, die niet zijn verdwaald.
13І коли доведеть ся знайти її, істино глаголю вам, що веселить ся над нею більше, нїж над девятьдесять і девятьма, що не заблудили.
14Zó is het ook de wil van uw Vader, die in de hemel is, dat géén van deze kleinen verloren gaat.
14Так нема волї перед Отцем вашим, що на небі, щоб загинув один із сих малих.
15Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben.
15Коли ж погрішить проти тебе брат твій, ійди й обличи його між тобою й ним самим. Коли послухає тебе, здобув єси брата твого;
16Luistert hij niet naar u, neem dan nog één of twee personen mee, opdat door de mond van twee of drie getuigen de zaak haar beslag krijgt.
16коли ж не послухає, візьми з собою ще одного або двох, щоб при устах двох сьвідків, або трьох, стало кожне слово.
17Luistert hij ook niet naar hen, zeg het dan aan de Kerk; zo hij zelfs naar de Kerk niet luistert, dan zij hij u als een heiden en een tollenaar.
17Коли ж не послухає їх, скажи церкві. Коли ж і церкви не послухає, нехай буде тобі, як поганин і митник.
18Voorwaar, Ik zeg u: Alles wat gij zult binden op aarde, zal ook gebonden zijn in de hemel; en alles wat gij ontbinden zult op aarde, zal ook ontbonden zijn in de hemel.
18Істино глаголю вам: Що звяжете на землї, буде звязане на небі; а що розвяжете на землї, буде розвязане на небі.
19Nog zeg Ik u: Zo twee van u op aarde overeenstemmen, om wat ook te vragen, dan zullen ze het verkrijgen van mijn Vader, die in de hemel is.
19Знов глаголю вам: Що коли двоє з вас згодять ся на землї про всяку річ, якої просити муть, станеть ся їм від Отця мого, що на небі.
20Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn Naam, daar ben Ik in hun midden.
20Де бо двоє або троє зберуть ся в імя моє, там я посеред них.
21Nu kwam Petrus naar Hem toe, en sprak: Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder vergeven, die tegen mij misdoet? Tot zeven keer toe?
21Приступивши тодї Петр до Него, рече: Господи, скільки раз грішити ме проти мене брат мій, і я прощати му йому? до семи раз?
22Jesus zei hem: Niet tot zeven keer toe, zeg Ik u; maar tot zeventig maal zeven keer.
22Рече йому Ісус: Не кажу тобі: До семи раз, а: До сїмдесять раз семи.
23Daarom is het rijk der hemelen gelijk aan een koning, die afrekening wilde houden met zijn dienaars.
23Тим же то уподобилось царство небесне чоловіку цареві, що схотїв узяти перелїк од слуг своїх.
24Toen hij met de afrekening was begonnen, bracht men er een binnen, die hem tienduizend talenten schuldig was.
24Як же почав брати, приведено йому одного, що завинив йому десять тисяч талантів.
25Daar hij niets had om te betalen, beval zijn meester, hemzelf te verkopen met zijn vrouw en zijn kinderen en alles, wat hij bezat, en zó de schuld te vereffenen.
25Як же не мав він, що віддати, звелїв пан його продати його, й жінку його, й дїтей, і все що мав, та й віддати.
26Maar de knecht viel hem smekend te voet, en zeide: Heb geduld met mij, en ik zal u alles betalen.
26Упавши тодї слуга, поклонив ся йому, кажучи: Пане, потерпи менї, а все тобі віддам.
27De heer had medelijden met dien knecht, liet hem gaan, en schold hem de schuld kwijt.
27Змилосердив ся ж пан слуги того, відпустив його, й простив йому довг.
28Maar toen die knecht was heengegaan, ontmoette hij een zijner medeknechten, die hem honderd tienlingen schuldig was; hij greep hem tot worgens toe bij de keel, en zeide: Betaal me wat ge schuldig zijt.
28Слуга ж той, вийшовши, знайшов одного з товаришів своїх, що завинив йому сотню денариїв; і, вхопивши його, давив, кажучи: Віддай менї, що винен.
29Zijn medeknecht viel hem smekend te voet, en sprak: Heb geduld met mij, en ik zal u betalen.
29Упавши тодї товариш його в ноги йому, благав його, кажучи: Потерпи менї, і все віддам тобі.
30De ander wilde dit niet, maar ging heen, en liet hem in de kerker werpen, totdat hij de schuld zou hebben betaald.
30Він же не схотїв, а, відійшовши, укинув його в темницю, поки віддасть довг.
31Toen nu zijn medeknechten zagen wat er gebeurd was, werden ze diep bedroefd, en gingen hun meester alles vertellen.
31Бачивши ж товариші його, що сталось, жалкували вельми, й, пійшовши, сказали своєму панові все, що сталось.
32Nu liet zijn heer hem roepen, en zei tot hem: Boze knecht, die hele schuld schold ik u kwijt, omdat ge het mij hebt gevraagd;
32Тодї, призвавши його пан його, рече йому: Слуго ледачий, увесь довг той простив я тобі, як благав єси мене;
33moest ook gij u dan niet ontfermen over uw medeknecht, zoals ikzelf mij over u heb ontfermd.
33чи не слїд було й тобі помилувати товариша твого, як і я тебе помилував?
34En in zijn toorn leverde de heer hem aan de beulen over, totdat hij de hele schuld zou hebben voldaan.
34І, розгнївившись пан його; передав його мучителям, аж поки віддасть увесь довг йому.
35Zo zal ook mijn hemelse Vader met u handelen, als gij niet allen uw broeder van harte vergeeft.
35Так і Отець мій небесний робити ме вам, як не прощати мете кожен братові своєму від сердець ваших провин їх.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.