Matteus 17
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kulish and Puluj Bible (1905)
1Zes dagen later nam Jesus Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broer, alleen met Zich mee, en bracht ze op een hoge berg.
1А через шість день бере Ісус Петра, Якова, та Йоана брата його, й веде їх на гору високу окроме,
2En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd; zijn aanschijn schitterde als de zon, en zijn klederen werden wit als sneeuw.
2й переобразивсь перед ними: й сияло лице Його як сонце, а одежа Його стала біла, як сьвітло.
3Zie, Moses en Elias verschenen hun, en spraken met Hem.
3Коли се явивсь їм Мойсей та Ілия, розмовляючи з Ним.
4Toen nam Petrus het woord, en zeide: Heer, het is ons goed, hier te zijn; zo Gij wilt, zal ik hier drie tenten opslaan: één voor U, één voor Moses, en één voor Elias.
4Озвав ся ж Петр, і рече до Ісуса: Господи, добре нам тут бути: коли хочеш, зробимо тут три намети: один Тобі, один Мойсейові, а один Ілиї.
5Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk. En zie, een stem sprak uit de wolk: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb; luistert naar Hem.
5Ще він говорив, аж ось ясна хмара отїнила їх, і ось голос із хмари глаголючий: Се Син мій любий, що я Його вподобав; Його слухайте.
6Toen de leerlingen dit hoorden, vielen ze op hun aangezicht neer, en werden zeer bevreesd.
6Зачувши се ученики, припали лицем до землї, й полякались вельми.
7Maar Jesus kwam naar hen toe, raakte ze aan, en sprak: Staat op, en vreest niet.
7І прийшовши Ісус, торкнув їх, і рече: Устаньте й не лякайтесь.
8Toen ze nu de ogen opsloegen, zagen ze niemand dan Jesus alleen.
8Вони ж, знявши очі свої, не бачили нїкого, тільки одного Ісуса.
9En terwijl ze afdaalden van de berg, gebood Jesus hun: Vertelt aan niemand dit gezicht, voordat de Mensenzoon van de doden is opgestaan.
9І, як сходили вони з гори, наказав їм Ісус, глаголючи: Не кажіть нїкому про сю ізʼяву, аж поки Син чоловічий устане з мертвих.
10Zijn leerlingen vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden dan, dat eerst Elias moet komen?
10І питали в Него ученики Його, кажучи: Що ж се кажуть письменники, що Ілия мусить прийти попереду?
11Hij antwoordde hun: Zeker, Elias komt, en zal alles herstellen.
11Ісус же, озвавшись, рече їм: Ілия прийде попереду, і налагодить усе.
12Maar Ik zeg u: Elias is reeds gekomen; ze hebben hem echter niet erkend, maar met hem gedaan, wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon van hen hebben te lijden.
12Я ж глаголю вам: Що Ілия вже прийшов, та й не познали його, а зробили на йому, що схотїли. Так і Син чоловічий терпіти ме від них.
13Toen begrepen de leerlingen, dat Hij hun over Johannes den Doper gesproken had.
13Тодї зрозуміли ученики, що глаголав їм про Йоана Хрестителя.
14En toen zij bij de menigte waren gekomen, kwam een man naar Hem toe. wierp zich voor Hem op de knieën neer,
14І, як прийшли вони до народу, приступив до Него чоловік, припавши Йому до ніг і говорячи:
15en zeide: Heer, ontferm U over mijn zoon, want hij heeft de vallende ziekte en heeft veel te lijden: dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water.
15Господи, помилуй мого сина; він бо місячник, і тяжко мучить ся: почасту бо падає в огонь, і почасту в воду.
16Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar ze konden hem niet genezen.
16І привів я його до учеників Твоїх, та й не змогли вони сцїлити його.
17Jesus antwoordde: O ongelovig en boos geslacht, hoelang nog zal Ik bij u zijn; hoelang nog zal Ik u dulden? Breng hem hier bij Mij.
17Озвав ся ж Ісус і рече: О кодло невірне та розвратне! Доки буду з вами? доки терпіти му вас? Приведїть менї його сюди.
18En Jesus bedreigde den bozen geest, en deze ging van hem uit; de knaap was genezen van dat ogenblik af.
18І погрозив йому Ісус і вийшов з него диявол, і одужав хлопець з того часу.
19Nu kwamen de leerlingen afzonderlijk bij Jesus, en zeiden: Waarom konden wij hem niet uitwerpen?
19Приступивши тодї ученики до Ісуса, сказали на самотї: Чом не змогли ми вигнати його?
20Jesus sprak tot hen: Om uw gebrek aan geloof. Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij een geloof hebt als een mosterdzaadje, dan zult gij zeggen tot deze berg: Ga van hier dáár heen, en hij zal gaan; en niets zal u onmogelijk zijn.
20Ісус же рече їм: Через невіру вашу, істино бо глаголю вам: Коли б ви мали віри з зерно горчицї, то сказали б оцїй горі: Перейди звідсїля туди; то й перейде; й нїчого не буде неможливого вам.
21Maar dit soort wordt alleen uitgedreven door gebed en vasten.
21Се ж кодло не виходить, як тільки молитвою та постом.
22Terwijl zij nu in Galilea vertoefden, sprak Jesus tot hen: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in de handen der mensen,
22Як же пробували вони в Галилеї, рече до них Ісус: Син чоловічий буде виданий у руки людям;
23en ze zullen Hem doden; maar op de derde dag zal Hij verrijzen. Nu werden ze diep bedroefd.
23і вбють Його, а третього дня Він устане. І засуміли вони вельми.
24Toen zij te Kafárnaum waren gekomen, vervoegden zich de belastingontvangers bij Petrus, en zeiden hem: Betaalt uw Meester de twee drachmen niet?
24Як же прийшли в Капернаум, приступили ті, що данину збирали, до Петра, й казали: Чи не дасть ваш учитель данини?
25Hij antwoordde: Wel zeker! Maar bij zijn thuiskomst voorkwam Jesus hem, en sprak: Wat dunkt u, Simon? Van wie ontvangen de koningen der aarde tol of schatting; van hun kinderen of van de vreemden?
25Каже: Так. І як увійшов у господу, попередив його Ісус, глаголючи: Що ти думаєш, Симоне? з кого земні царі збирають данину? з своїх синів, чи з чужих?
26Hij antwoordde: Van de vreemden. Jesus zei hem: Dus zijn de kinderen vrij.
26Каже до Него Петр: Із чужих. Рече йому Ісус: То сини вільні.
27Maar om hun geen aanstoot te geven, ga naar het meer, werp de hengel uit, en grijp de eerste vis, die boven komt; en als ge hem de bek hebt geopend, zult ge daarin een stater vinden: neem die, en geef hem hun voor Mij en voor u.
27Тільки ж, щоб не блазнити нам їх, ійди до моря, та закинь удку, й першу рибу, що піймаєть ся, візьми й, роззявивши їй рот, знайдеш статира; взявши його, дай їм за мене й за себе.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.