Matteus
Chapter 17
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Zes dagen later nam Jesus Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broer, alleen met Zich mee, en bracht ze op een hoge berg.
1MURIN pon wonu pon Iejuj ap kotin ukadar Petruj, o Iakopuj, o ri a Ioanej kalua ir dalan pon nana ileila eu kalapuk.
2En Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd; zijn aanschijn schitterde als de zon, en zijn klederen werden wit als sneeuw.
2I ari kotin linanla mo ’rail jilan i linalin dueta katipin, o japwilim a likau o puetpuet eta marain eu.
3Zie, Moses en Elias verschenen hun, en spraken met Hem.
3A kilan, Mojej o Eliaj pwaradon ir, kajokajoi on i.
4Toen nam Petrus het woord, en zeide: Heer, het is ons goed, hier te zijn; zo Gij wilt, zal ik hier drie tenten opslaan: één voor U, één voor Moses, en één voor Elias.
4Petruj ap japen potoan on Iejuj: Main, meid mau ataill kotikot met. Ma re kotin mauki, je pan kauada kijin im jili kij: Tanpaj ar, o eu japwilim en Mojej, o eu japwilim en Eliaj.
5Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk. En zie, een stem sprak uit de wolk: Deze is mijn geliefde Zoon, in wien Ik mijn welbehagen heb; luistert naar Hem.
5Ni a kajokajoidar, kilan, pali en dapok pali ap kadupal irail edi; o kilan, nil eu peidido jan nan dapok o, me majani: let nai ol kompok, me I kin polaule kida! Komail ron i!
6Toen de leerlingen dit hoorden, vielen ze op hun aangezicht neer, en werden zeer bevreesd.
6Tounpadak kan lao ronadar met, rap pupedier pon maj arail, majapwekadar kaualap.
7Maar Jesus kwam naar hen toe, raakte ze aan, en sprak: Staat op, en vreest niet.
7Iejuj ap kotido, jair ir, majani: Uda, der majak!
8Toen ze nu de ogen opsloegen, zagen ze niemand dan Jesus alleen.
8Irail lao jaradar, jota amen, me re kilaner, pwe Iejuj eta.
9En terwijl ze afdaalden van de berg, gebood Jesus hun: Vertelt aan niemand dit gezicht, voordat de Mensenzoon van de doden is opgestaan.
9Ari, ni arail kotikot kodido jan ni nana o, Iejuj ap kotin majani on irail majani: Komail depa indai on meamen duen kajanjal o, Nain aramaj lao mauredar jan ren me melar akan.
10Zijn leerlingen vroegen Hem: Waarom zeggen de schriftgeleerden dan, dat eerst Elias moet komen?
10Japwilim a tounpadak kan kalelapok re a indada: Da me sounkawewe kan kin indinda, dene Eliaj pan kotido maj?
11Hij antwoordde hun: Zeker, Elias komt, en zal alles herstellen.
11A kotin japen majani on irail: Nan melel, Eliaj pan Pwarado maj kapunala karoj.
12Maar Ik zeg u: Elias is reeds gekomen; ze hebben hem echter niet erkend, maar met hem gedaan, wat ze wilden. Zo zal ook de Mensenzoon van hen hebben te lijden.
12A nai indai on komail, Eliaj me pwaradoer, a re jaja i, pwe irail wiai on i meakan, me re men wiada. Iduen Nain aramaj pan kamekam re ’rail.
13Toen begrepen de leerlingen, dat Hij hun over Johannes den Doper gesproken had.
13Tounpadak kan ap ajadar, me a kotin majani on irail duen Ioanij Jaunpaptaij o.
14En toen zij bij de menigte waren gekomen, kwam een man naar Hem toe. wierp zich voor Hem op de knieën neer,
14Irail lao lel don pokon o, aramaj amen poto don I kelepuki mo a jakaradar:
15en zeide: Heer, ontferm U over mijn zoon, want hij heeft de vallende ziekte en heeft veel te lijden: dikwijls valt hij in het vuur, en dikwijls in het water.
15Main kupura nai ol o, pwe a pweipwei o madak kaualap, pwe pan pak toto a kin pupedi nan iai o nan pil,
16Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar ze konden hem niet genezen.
16Nai ari wa don i ren japwilim ar tounpadak kan, a irail jota kak kakelada i.
17Jesus antwoordde: O ongelovig en boos geslacht, hoelang nog zal Ik bij u zijn; hoelang nog zal Ik u dulden? Breng hem hier bij Mij.
17Iejuj ap kotin japen majani: Di wet me id jopojon o katiwo. la arain ai pan mi re omail? Ia arain ai pan kokoa komail? Wa don ia!
18En Jesus bedreigde den bozen geest, en deze ging van hem uit; de knaap was genezen van dat ogenblik af.
18Iejuj ap kotin kidaua i, tewil ari kodi jan lole; putak o ap kelailadar ni auer ota.
19Nu kwamen de leerlingen afzonderlijk bij Jesus, en zeiden: Waarom konden wij hem niet uitwerpen?
19A tounpadak kan ap kelep poto don Iejuj potoan on: Da me kit jo kak kaujeki wei jan i?
20Jesus sprak tot hen: Om uw gebrek aan geloof. Voorwaar, Ik zeg u: Zo gij een geloof hebt als een mosterdzaadje, dan zult gij zeggen tot deze berg: Ga van hier dáár heen, en hij zal gaan; en niets zal u onmogelijk zijn.
20A ap kotin majani on irail: Aki omail jopojon. Pwe melel I indai on komail, ma omail pojon pan laude on wan katirin, komail pan kak indan nana wet: Koda jan waja en, kola monen! I ap pan kola, jota me jota pan kak pa omail.
21Maar dit soort wordt alleen uitgedreven door gebed en vasten.
21Jon wet jota kin koki jan meakot, kapakap o kaijejol eta.
22Terwijl zij nu in Galilea vertoefden, sprak Jesus tot hen: De Mensenzoon moet overgeleverd worden in de handen der mensen,
22A ni ar kotikot jili nan wein Kalilaa, Iejuj kotin majani on irail: Nain aramaj pan panalan nan pa en aramaj.
23en ze zullen Hem doden; maar op de derde dag zal Hij verrijzen. Nu werden ze diep bedroefd.
23Irail pan kamela i, a ni ran kajilu a pan maureda. Irail ari mamauk kaualap.
24Toen zij te Kafárnaum waren gekomen, vervoegden zich de belastingontvangers bij Petrus, en zeiden hem: Betaalt uw Meester de twee drachmen niet?
24Irail lao kotilon on nan Kapernaum, jaunopwei kai ap ko don Petruj indan i: Omail Jaunpadak jota kin ian nopwei?
25Hij antwoordde: Wel zeker! Maar bij zijn thuiskomst voorkwam Jesus hem, en sprak: Wat dunkt u, Simon? Van wie ontvangen de koningen der aarde tol of schatting; van hun kinderen of van de vreemden?
25A majanier: Ei. A lao pedelon on nan im o, Iejuj ap kotin madan majani: Jimon, da me koe lamelame, nanmarki en jappa kin ale takjij de nopwei jan ren ij? Jan ren nairail jeri de jan men liki kan.
26Hij antwoordde: Van de vreemden. Jesus zei hem: Dus zijn de kinderen vrij.
26Petruj potoan on i: Jan ren men liki kan. Iejuj kotin majani on i: Ari, jeri kan me jaladok.
27Maar om hun geen aanstoot te geven, ga naar het meer, werp de hengel uit, en grijp de eerste vis, die boven komt; en als ge hem de bek hebt geopend, zult ge daarin een stater vinden: neem die, en geef hem hun voor Mij en voor u.
27Ari jo, pwe kitail der kamakar irail ada, kola ni oror kajedi kaj, a mam men maj, me pan lodi, apiada, kajara pajan au a, koe pan diar lepen moni lep; i me koe pan ale o kida ai o noum.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.