Matteus
Chapter 22
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Weer nam Jesus het woord, en sprak tot hen in gelijkenissen:
1A IEJUJ kotin japen o pil karajeraj on irail majani:
2Het rijk der hemelen is gelijk aan een koning, die een bruiloftsmaal gaf voor zijn zoon.
2Wein nanlan raj on nanmarki amen, me kamadipe na ol ni ran en a kapapaud.
3En hij zond zijn dienaars uit, om de genodigden tot de bruiloft te roepen; maar ze wilden niet komen.
3O a kadarala na ladu kan, pwen luke don kamadip o, me kileledier akan; a re kan kodo.
4Opnieuw zond hij andere dienaars, en sprak: Zegt aan de genodigden: Ziet, ik heb mijn maaltijd gereed, mijn ossen en mestvee zijn geslacht, en alles is klaar; komt toch ter bruiloft.
4A pil kadarala akai ladu majani: Kaireki me kileledier akan: Kilan, i kaonopadar ai kamadip o: nai kau ol o man wi kan me kamelar, o karoj nikier, ko don kamadip en kapapaud!
5Maar ze sloegen er geen acht op, en gingen huns weegs; de een naar zijn hoeve, de ander naar zijn zaken.
5A irail jota injenoki, ap kowei, amen nan japwe, o amen ko on dodok.
6De overigen grepen zijn dienaars vast, mishandelden en doodden ze.
6A me tei kan jaikidi a ladu kan kaloke o kame ir ala.
7Toen werd de koning vergramd; hij zond zijn leger uit, doodde die moordenaars en stak hun stad in brand.
7Nanmarki ap makara kidar, kadarala a jaunpei kan, kamela me lolap oko o ijikedar ar kanim
8En hij sprak tot zijn dienaars: Het bruiloftsmaal is wel gereed, maar de genodigden verdienden het niet.
8A ap indan a ladu kan: Ari, kamadip onoper, a me kileledier akan jota war on.
9Gaat dus naar de kruispunten der straten, en nodigt allen ter bruiloft, die gij er vinden zult.
9Komail ari kowei nan al akan, a karoj me komail diar, en kalua don kamadip o.
10Zijn dienaars gingen de straten op, en verzamelden allen, die zij er aantroffen, slechten en goeden; en de bruiloftszaal werd met gasten gevuld.
10Ladu kan ap kola nani al akan, kapokon pena karoj, me irail diaradar, me jued o me mau kan kamadip ari tounlar.
11Toen nu de koning binnentrad, om de aanliggende gasten te zien, zag hij een man, die geen bruiloftskleed aan had.
11A nanmarki lao pwarado, en kilan toun kamadip, ap diaradar aramaj amen, me jota a kapwat,
12En hij sprak tot hem: Vriend, hoe zijt ge hier zonder bruiloftskleed binnengekomen? Hij wist er geen antwoord op te geven.
12A ap majani on i: Kompoke pai, iaduen om kak pedelon, pwe jota om kapwat? I ari japai mokid.
13Nu zei de koning tot zijn bedienden: Bindt hem handen en voeten, en werpt hem naar buiten de duisternis in; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
13Nanmarki ap majani on papa kan: Jaliedi i pa o na akan, ale o kajapokela nan rotorot liki iei wajan maiei o teterok.
14Want velen zijn geroepen, maar weinigen zijn uitverkoren.
14Pwe me toto paekeredo, a me malaulau piladar.
15Daarop gingen de farizeën heen, en beraadslaagden, hoe ze Hem in zijn eigen woorden zouden verstrikken.
15Parijar ap pokon pena, kaparok pena duen ar pan kajapuna i jan a majan;
16Ze zonden hun leerlingen met de aanhangers van Herodes op Hem af met de vraag: Meester, we weten, dat Gij oprecht zijt, de weg van God naar waarheid leert, en niemand naar de ogen ziet; want Gij kent geen aanzien des persoons.
16Irail ap kadaralan i nairail tounpadak kan ianaki ladun Erodej kan, potoan on: Jaunpadak, je aja, ir me kotin melel, o kotin kawewe melel duen al en Kot o re jota kotin kupuroki meamen, pwe re jota kotin kajampwaleki janjal en aramaj.
17Zeg ons dus: wat dunkt U; is het geoorloofd den keizer belasting te betalen, of niet?
17Ari, re kotin majani on kit kupur ar. Me pun, en nopwei on nanmarki de jo?
18Jesus kende hun boosheid, en sprak: Huichelaars, wat stelt gij Mij op de proef?
18A Iejuj lao kotin mani ar me juet, ap majani: Malaun komail, da me komail kajonejon kin ia?
19Laat Mij de cijnspenning zien. Ze hielden Hem een tienling voor.
19Kajale don ia moni en nopwei! Irail ap potoan on i denar eu.
20Jesus zeide hun: Wiens beeld en randschrift is dit?
20A kotin majani on irail: Mom en ij o intin wet?
21Ze zeiden: Van den keizer. Hij sprak tot hen: Geeft dan den keizer, wat den keizer toekomt; en geeft aan God, wat God toekomt.
21Irail potoan on i: En nanmarki, a i kotin majani on irail: Ari, komail ki on nanmarki, me nain nanmarki, o on Kot, me japwilim en Kot.
22Toen ze dit hoorden, waren ze verwonderd; ze lieten Hem met rust, en gingen heen.
22Irail lao ronadar met, rap puriamuiki o muei jan i, o koin lar.
23Op diezelfde dag kwamen de sadduceën naar Hem toe, die de verrijzenis loochenen. Ze ondervroegen Hem:
23Ran ota Jadujar akai ko don i, me kin inda, me dene me melar akan jolar pan maureda, ap kalelapok re a.
24Meester, Moses heeft gezegd: Wanneer iemand kinderloos sterft, dan zal zijn broer de vrouw van hem huwen, en nakomelingschap voor zijn broer verwekken.
24Indada: Jaunpadak, Mojej majani, ma meamen melar o jota na jeri, ri a ol en id paudeki a paud, pwen kaipwi on ri a kadaudok a.
25Nu waren er bij ons zeven broers; de eerste huwde en stierf; en daar hij geen kinderen had, liet hij zijn vrouw achter aan zijn broer.
25Ari, pwin pirien eu mi re at, ol ijimen. Mejeni paudeki li amen, ap melar, a jota kadaudok a, ap kakaliki on ri a ol a paud;
26Zo ging het ook met den tweeden en den derden, tot den zevenden toe.
26Pil dueta kariamen o kajili men kokola lao kaijimen.
27Het laatst van allen stierf ook de vrouw.
27A ikmuri li o pil melar.
28Wien van de zeven zal ze nu bij de verrijzenis als vrouw toebehoren? Ze hebben haar immers allen gehad.
28Ari; ni en me melar akan ar pan iajada, a pan en ij a paud ren me ijimen, pwe irail karoj me paudekidar i?
29Jesus antwoordde: Gij dwaalt en kent de Schriften niet, en evenmin de kracht van God.
29A Iejuj kotin japen majani on irail: Komail meid japun pwe komail jo weweki kijin likau kan de mana en Kot.
30Want bij de verrijzenis huwt men niet, noch wordt men gehuwd; maar men zal zijn als engelen Gods in de hemel.
30Pwe me mauredar akan jolar pan papaud de kapapaud, pwe irail dueta tounlan en Kot akan, me mimi nanlan.
31En wat de verrijzenis der doden betreft, hebt gij niet gelezen, wat God u gezegd heeft:
31Komail jaik doropwe duen en melar akan ar pan maureda, me lolok on komail jan ren Kot, me kotin majani:
32“Ik ben de God van Abraham, de God van Isaäk, de God van Jakob?” Hij is toch geen God van doden, maar van levenden.
32Nai Kot en Apraam o en Ijaak o en Iakop? A kaidin Kot en me melar akan, pwe en me maur akan.
33Toen het volk dit hoorde, stond het verbaasd over zijn leer.
33A pokon o lao ronadar met, irail ap puriamuiki a padak.
34Toen de farizeën vernamen, dat Hij de sadduceën tot zwijgen gebracht had, kwamen ze naar Hem toe;
34A Parijar akan lao ronadar, me a kotin kadukiedier Jadujar akan, ap pokon pena.
35en een hunner, een wetgeleerde, vroeg, om Hem op de proef te stellen:
35Amen irail, jaunkawewe men, kajonjon i potoan on:
36Meester, wat is het grootste gebod in de Wet?
36Jaunpadak, kujoned da me lapalap nan kapun o?
37Jesus zei hem: “Gij zult den Heer uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en heel uw verstand.”
37A Iejuj kotin majani on i: Koe en pokeki on Kot om Kaun monion om unjok, o nen om unjok, o om lamelam unjok.
38Dit is het grootste en eerste gebod.
38lei met me moa en kujoned akan.
39En het tweede daaraan gelijk: “Gij zult uw naaste beminnen als uzelf.”
39O me kariau me dueta: Koe en pok on men imp om dueta on pein koe.
40Aan deze twee geboden hangt heel de Wet en de Profeten.
40Kujoned riau met me audepan kapun o jaukop akan.
41Daar nu de farizeën toch bij elkaar waren, vroeg Jesus hun:
41Ni en Parijar akan ar momod pena, Iejuj ap kotin kainoma re ’rail.
42Wat dunkt u van den Christus? Wiens zoon is Hij? Ze zeiden: Van David.
42Majani: Da me komail lamelame duen Krijtuj, nain ij i? Re potoan on: Japwilim en Dawid.
43Hij zeide hun: Hoe noemt David in den Geest Hem dan Heer, wanneer hij zegt:
43A kotin majani on irail: A iaduen da me Dawid kaadaneki i Kaun ren Nen ni a majani:
44“De Heer heeft gesproken tot mijn Heer: Zet U aan mijn rechterhand, Totdat Ik uw vijanden leg Als een voetbank voor uw voeten!”
44Kaun o kotin majani on ai Kaun, mondi on ni pali maun i, lao I pan wia kida om imwintiti utipan na om?
45Als David Hem Heer noemt, hoe is Hij dan zijn zoon?
45A iaduen, ma Dawid kaadaneki i Kaun, a pil pan kak na ol?
46Niemand kon Hem antwoord geven; en van die dag af durfde niemand Hem meer ondervragen.
46A jota amen, me kak japenki i meakot, o jolar me idok meakot re a kokolata.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.