Matteus 8
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Toen Hij van de berg was afgedaald, volgden Hem talrijke scharen.
1A LAO kotido jan nin dol o, pokon kalaimun idauendo i.
2En zie, een melaatse trad op Hem toe, wierp zich voor Hem neer, en zeide: Heer, zo Gij wilt, kunt Gij me reinigen.
2A kilan, ol tuketuk amen ap kodo poni i indada: Main, ma re kotin kupura, re pan kak on kamakele ia da.
3Jesus strekte de hand uit, raakte hem aan, en sprak: Ik wil; word gereinigd. En aanstonds was hij van zijn melaatsheid gereinigd.
3I ari kotin kapawei lim a, jair i, majani: I men, koe en makelekel; ari, a tuketuk ap madan modi jan.
4Jesus zeide tot hem: Let er op, dat ge dit aan niemand vertelt; maar ga heen, vertoon u aan den priester, en offer de gave, die Moses als een bewijs voor hen heeft voorgeschreven.
4Iejuj ap kotin majani on i: Kalaka, koe de kaireki amen; a kola kajale on jamero pein uk, o kida mairon eu, me Mojej majani, pwen kadede on irail.
5Toen Hij nu binnen Kafárnaum kwam, trad een honderdman op Hem toe met de bede:
5A lao kotilon on nan Kapernaum, jenturion amen apedon i poeki re a.
6Heer, mijn knecht ligt thuis verlamd, en lijdt hevige pijnen.
6Indada: Main, ai ladu wonon nan deu a jomau kokon madak ap wairok kaualap.
7Jesus zeide hem: Ik zal komen, en hem genezen.
7Iejuj ap kotin majani on i: I pan kola kakelailada i.
8Maar de honderdman antwoordde: Heer, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak komt: maar spreek slechts één woord, en mijn knecht zal genezen.
8Jenturion japen potoan on: Main, i jowar ren kotilon on nan im ai; a ren majani eta, ai ladu up pan kelailada,
9Want ook ik ben een man, die zelf onder gezag ben gesteld, en die soldaten onder mij heb. En tot den een zeg ik: “Ga”, en hij gaat; en tot den ander: “Kom”, en hij komt; en tot mijn knecht: “Doe dit”, en hij doet het.
9Pwe aramaj amen nai, me mi pan mana en kaun akan, ap kaunda jaunpei kai. A ma i pan indan amen: Kowei, a pan kola, o on amen: Kodo, a pan kodo, o on ai ladu: Wiada met, a pan wiada.
10Toen Jesus dit hoorde, was Hij verwonderd, en sprak tot hen, die Hem volgden: Voorwaar, Ik zeg u: Zo’n groot geloof heb Ik zelfs in Israël niet gevonden.
10Iejuj lao mani mepukat, ap kotin puriamuiki, majani on irail me idauendo: Melel I indai on komail, jon en pojon wet I jo diaradar, jota nan Ijrael.
11Ik zeg u, dat velen zullen komen van het oosten en het westen, en zullen aanzitten in het rijk der hemelen, met Abraham, Isaäk en Jakob;
11A I indai on komail, me toto pan kodo jan maj en lan, o kapin lan, ian Apraam, o Ijaak, o Iakop ni tepel nan wein nanlan.
12maar dat de kinderen van het rijk zullen worden uitgeworpen naar buiten, de duisternis in; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
12A me pweledan wei pan lokidokila nan rotorot liki, iei wajan maiei o teterok.
13En tot den honderdman sprak Jesus: Ga, en zoals ge geloofd hebt, zo geschiede het u. En op hetzelfde uur genas de knecht.
13Iejuj ap kotin majani on Jenturion o: U kowei, a pan wiaui on uk duen om pojon. A ladu o ap kelailadar ni auer ota.
14En toen Jesus in het huis van Petrus was gekomen, zag Hij, dat zijn schoonmoeder bedlegerig was en lijdend aan koorts.
14Iejuj lao kotilon on nan im en Petruj, ap majani, me jaulap a wonon jomau karakar.
15Hij nam haar bij de hand, en de koorts verliet haar; en ze stond op, en bediende Hem.
15I ari kotin jair pa a, a karakar ap ko jan. I ari pauridar papa i.
16Bij het vallen van de avond bracht men vele bezetenen naar Hem toe; en met één woord dreef Hij de geesten uit, en genas Hij alle zieken;
16A lao jautik penaer re wa don i me toto, me tewil oko ti poa. I ari kotin kaujeki jan nen akan a majan o kakelada me jomau kan karoj.
17opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias was gezegd: “Hij draagt onze kwalen en torst onze smarten”.
17Pwen pwaida, me lokido ren jaukop Iejaia, me majani: A kotin ale on pein i atail luet akan, o wa atail jomau kan.
18Toen Jesus eens een grote menigte rondom Zich zag, beval Hij, het meer over te steken.
18Iejuj lao kotin majani aramaj toto pokon don i, ap kotin majani, ren kotela palio palilan jed O.
19Een schriftgeleerde kwam naar Hem toe, en zeide: Meester, ik zal U volgen, waarheen Gij ook gaat.
19Jaunkawewe men ap pwara do potoan on i: Jaunpadak i pan idedauen ir waja karoj re pan kotila ia.
20Doch Jesus sprak tot hem: De vossen hebben holen, en de vogels in de lucht hebben nesten; maar de Mensenzoon heeft niets, om er zijn hoofd op te leggen.
20Iejuj kotin majani on i: Pokj akan por arail mia, o manpir en pan law paj arail mia, a Nain aramaj jota wajan kaulawei mon a.
21Een ander van zijn leerlingen zeide Hem: Heer, sta me toe, eerst mijn vader te gaan begraven.
21O amen jan nan pun en japwilim a tounpadak kan potoan on i: Main re kotin mueid on ia en kola maj jarepedi ai papa.
22Maar Jesus zei hem: Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven.
22A Iejuj kotin majani on i: Idauen ia do! Me melar akan en jarepedi pein ar melar akan.
23Toen Hij nu de boot in ging, volgden Hem zijn leerlingen.
23A lao kotida pon jop o, japwilim a tounpadak kan idauenla i.
24En zie, een hevige storm brak los op het meer, zodat de golven over de boot heensloegen; Hij echter sliep.
24A kilan, ap onionidar nan jed, iluk kan ari kadupaledi jop o, a i kotin jaimokelar.
25Zijn leerlingen liepen naar Hem toe, wekten Hem, en zeiden: Heer, red ons, wij vergaan.
25Japwilim a tounpadak kan ap kai don i, kaupada i, potoan on: Main, re kotin dore kit ala, kit pan mela!
26Jesus sprak tot hen: Wat zijt gij bevreesd, kleingelovigen? Toen stond Hij op, gebood de winden en het meer, en er ontstond een grote kalmte.
26A ap kotin majani on irail: Komail me pojon tikitik, da me komail majak ki? I ari kotin kipadar majani on an o jed, ap molelar kaualap.
27De mensen waren verbaasd en zeiden: Wie is Hij toch, dat zelfs de winden en het meer Hem gehoorzamen?
27Aramaj akan puriamuiki indada: Daduen men et, me an o jed kin peiki on?
28Toen Hij aan de overzijde van het meer was gekomen, in het land der Gerasenen, liepen twee bezetenen uit de grafspelonken Hem tegemoet, die zo woest waren, dat niemand langs die weg kon gaan.
28A lao kotin lei on palio nan jap en men Kerkajin, ol riamen, me tewil oko ti poa, ap tu on i; ira kodado jan nan joujou kai, me makar kaualap, o jota me kak weid waja o.
29En zie, ze schreeuwden: Wat hebt Gij met ons te maken, Jesus, zoon van God? Zijt Gij hier gekomen, om ons te kwellen vóór de tijd?
29A kilan, ira weriwer indada: Iejuj Japwilim en Kot, da me kit en wia re omui? Kom kotido kame kit mon anjau o leler?
30Heel in de verte was een grote troep zwijnen aan het grazen.
30A pwin pwik kalaimun mi kaila wei manamana jili.
31De duivels vroegen Hem: Als Gij ons hier uitwerpt, zend ons dan in de troep zwijnen.
31Tewil oko ap poeki re a indada: Ma kom pan kauje kit ala, ap mueid on kit, en tilon nan pwin pwik o.
32Hij zeide hun: Gaat. Ze gingen, en wierpen zich op de zwijnen; en zie, de hele troep plofte van de steilte in het meer, en kwam om in de golven.
32I ari kotin majani on irail: U ko on! Irail keredi jan, rap tilon nan pwin pwik o. A kilan, pwin pwik o tandaui, tanedi on waja ukedi nan jed, irail ari mopelar nan pil o.
33Toen vluchtten de drijvers heen, en in de stad gekomen, verhaalden ze alles, ook van hen, die bezeten waren geweest.
33Jilepa kan ap tandaui tanlon on kanim o kakaireki meakaroj, duen me wiaui on me tewil ti poa ko.
34En zie, de hele stad liep uit, Jesus tegemoet; maar zodra ze Hem zagen, verzochten ze Hem, heen te gaan uit hun gebied.
34A kilan, toun kanim koiei jan pokon don Iejuj. Irail lao kilaner i, rap poeki, a en kotila jan jap arail.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.