Matteus 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Toen Jesus de menigte zag, besteeg Hij de berg; en nadat Hij Zich had neergezet, naderden zijn leerlingen tot Hem.
1A LAO majani pokon o, ap kotida pon dol eu; a lao kaipokedi, japwilim a tounpadak kan ap kai don i.
2En Hij opende de mond, om hen te onderrichten, en sprak:
2I ari kotin dauaja pajan jilan i kawewe on irail majani:
3Zalig de armen van geest; want hun behoort het rijk der hemelen.
3Meid pai, me jamama ni nen ir, pwe nairail wein nanlan.
4Zalig de zachtmoedigen; want ze zullen het Land bezitten.
4Meid pai, me mauk, pwe re pan kamaitala.
5Zalig, die wenen; want ze zullen worden getroost.
5Meid pai, me opampap, pwe re pan jojoki jappa.
6Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want ze zullen worden verzadigd.
6Meid pai, me kin men mana o men nim me pun, pwe re pan medila.
7Zalig de barmhartigen; want ze zullen barmhartigheid ondervinden.
7Meid pai, me kadek, pwe re pan diar kadek.
8Zalig de zuiveren van hart; want ze zullen God zien.
8Meid pai, me nan monion arail makelekel, pwe re pan ariri Kot.
9Zalig de vreedzamen; want ze zullen kinderen Gods worden genoemd.
9Meid pai, me kin tom pena, pwe re pan adaneki jeri en Kot.
10Zalig, die vervolging lijden om de gerechtigheid; want hun behoort het rijk der hemelen.
10Meid pai, me kamekameki pun, pwe nairail wein nanlan.
11Zalig zijt gij, als men u om Mijnentwil beschimpt en vervolgt, en vals beschuldigt van allerlei kwaad.
11Komail meid pai, ma irail lalaue o paki komail o palian komail ni arail lokaia jued o likam pweki nai.
12Verheugt en verblijdt u, want groot is uw loon in de hemel; zo toch heeft men de profeten vervolgd, die vóór u zijn geweest.
12Komail injenemau o perenda kaualap; pweki katine pamail me lapalap nanlan. Pwe iduen irail paki jaukop oko, me mo ’mail.
13Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout smakeloos wordt, waarmee zal men het zouten? Het is nergens meer goed voor, dan om weggegooid te worden, en door de mensen te worden vertrapt.
13Jol pan jappa komail. A ma jol jara jan, da me a pan joleki? Nan a pan me mal kot, men lokidokila, o aramaj en tiak pajan.
14Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die boven op de berg is gelegen, kan niet verborgen blijven.
14Marain pan jappa komail, Kanim eu, me mi pon dol eu, jota kak rirla.
15Ook steekt men geen licht aan, om het onder de korenmaat te zetten; maar op de kandelaar, om het te laten schijnen voor allen, die in huis zijn.
15Aramaj pil jota kin ijikeda lamp eu, ap ki on pan kajak, pwe pon deu a, o a kin kamaraini toun im karoj.
16Zo moet ook uw licht voor de mensen schijnen, opdat ze uw goede werken mogen zien, en uw Vader verheerlijken, die in de hemel is.
16Iduen omail marain en janjal mon aramaj, pwe irail en udial omail wiawia man kan, ap kapikapina Jam omail, me kotiluit nanlan.
17Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten op te heffen. Ik ben niet komen opheffen, maar volmaken.
17Eder kikion me I kodon, tiakedi kapun de jaukop akan. I jota kodon tiakedi, a pwen kapwaiada.
18Voorwaar, Ik zeg u: Eer hemel en aarde vergaan, zal er geen jota of stip van de Wet vergaan, totdat alles is volbracht.
18Pwe melel, I indai on komail, lao lan o jappa pan poula, jota iota eu de kijin muai en kapun eu pan lokidokila, lao karoj pan pwaida.
19Wie dus een van die kleinste geboden opheft en dit aan de mensen leert, zal de minste worden genoemd in het rijk der hemelen; maar wie ze onderhoudt en ze leert, hij zal groot worden genoemd in het rijk der hemelen.
19Ari, meamen me tiakedi eu kijin kujoned tikitik pukat, ap pil padaki on aramaj, ren tiakedi, nan a pan tikitik nan wein nanlan. A meamen, me oke o padaki on aramaj, ren oke, i me pan lapalap nan wein nanlan,
20Ik zeg u: Zo uw gerechtigheid niet groter is dan die van schriftgeleerden en farizeën, dan zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.
20Pwe I indai on komail, ma omail pun jo man jan pun en jaunkawewe o Parijar, akan, komail jota pan kak pedelon on nan wein nanlan.
21Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; en wie doodslag begaat, zal schuldig zijn voor het gerecht.
21Komail ronadar, mo a loki, on men kaua: Koe der kamela aramaj I A me pan kamela aramaj, pan panalan kadeik o.
22Maar Ik zeg u: Wie vertoornd is op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Raka, zal schuldig zijn voor de Hoge Raad. En wie zegt: Dwaas, zal strafbaar zijn met het helse vuur.
22A I indai on komail, meamen makarada mal pan ri a ol, pan panalan kadeik. A me pan indan ria ol: Raka, pan panalan kapun. A me pan inda: Koe me pweipwei, pan lokidokila nan le en pweleko.
23Als ge dus uw offergave brengt naar het altaar, en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft,
23Ari, ma koe wa don pei jaraui om mairon, ap tamanda waja o, me ri om ol injenjued pa om.
24laat dan uw offer voor het altaar, en ga u eerst met uw broeder verzoenen; kom dan terug, en draag uw offer op.
24Pwilikidi maj om mairon impan pei jaraui, ap kola kadeke ri om ol, ap kodo kapwaiada om mairon.
25Versta u spoedig met uw tegenpartij, terwijl ge nog met hem onderweg zijt; anders zal uw tegenpartij u misschien overleveren aan den rechter, en de rechter u overleveren aan den gerechtsdienaar, en zult ge in de gevangenis worden geworpen.
25Madan materoki on me paliaan uk ni om ian i pon al o, pwe me palian on uk ender pnalan oni uk ren jaunkapun, a jaunkapun uk ren papa o, o koe pan lokidokila nan imaten.
26Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge de laatste penning hebt betaald.
26Melel I indai on uk, koe jota pan ko jan waja o, koe lao kapunala lua karoj.
27Gij hebt gehoord, dat er gezegd is:Gij zult geen overspel doen.
27Komail ronadar, me a lokido: Koe der kamal!
28Maar Ik zeg u: Wie met begeerte naar een vrouw ziet, heeft reeds overspel met haar gepleegd in zijn hart.
28A I indai on komail, meamen ninar li amen, pwen norok, nan a kamal on i nan monion i.
29Als uw rechteroog u ergert, ruk het dan uit en werp het van u weg; want beter is het voor u, dat één uwer ledematen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
29O ma pali maun en maj om kamakar uk, waikada jan o kaje jan uk, pwe a mau on uk, kijan war om en ola, jan war om pon en lokidokila nan pweleko.
30En zo uw rechterhand u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want beter is het voor u, dat één uwer ledematen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
30O ma pali maun en pa om kamakar uk, waika jan o kaje jan uk, pwe a mau on uk, kijan war om en ola, jan war om pon en lokidokila nan pweleko.
31Er is gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven.
31A pil lokido: Meamen me pan kajela a paud, i en ki on i Kijin likau en kamueit.
32Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van overspel, is oorzaak, dat ze overspel bedrijft; en wie een verstoten vrouw huwt, pleegt echtbreuk.
32A I indai on komail, meamen me pan kajela a paud, me jo nenek nan a kin kamal eki i; a meamen, me paudeki me lokido kilar, nan i me kamal.
33Gij hebt ook gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen meineed doen, maar den Heer uw eden houden.
33Komail pil ronadar, me a loki on men kaua: Koe der kaula likam; a koe kapwaiada om kaula on Kaun o!
34Maar Ik zeg u, in het geheel niet te zweren: noch bij de hemel, want hij is Gods troon;
34I indai on komail, der man kaula! Der kaukila nanlan, pwe mol en Kot;
35noch bij de aarde, want ze is zijn voetbank; noch bij Jerusalem, want ze is de stad van den groten Koning.
35Pil der jappa, pwe utipa; pil der Ierujalem, pweki kanim en Nanmarki lapalap.
36Ook bij uw hoofd zult ge niet zweren; want ge kunt nog niet eens één enkel haar wit of zwart maken.
36Koe pil der kaukila mon om, pwe koe jota kak on wiada pit en mona eu, en puetepuet de tontol.
37Maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen; wat daar bijkomt, is uit den boze.
37Omail kajokajoi pena en: Ei ei; jo, jo; pwe me dauli mepukat, kin tapi jan ni me jued.
38Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog voor oog, tand voor tand.
38Komail ronadar, me a lo kido: Por en maj en depukki por en maj; o ni pot en depukki ni pot.
39Maar Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht. Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe.
39A I indai on komail, komail der palian me jued. A meamen pikir uk ni pali maun en likin jap om, pil ki on i pali teio.
40Wil iemand u voor het gerecht dagen, en u het onderkleed nemen, laat hem ook de mantel.
40O meamen, me men wa uk ala ni kapun, pwen adia jan om jakit, en pil ki on i om likau pup.
41Dwingt iemand u duizend schreden te gaan, leg er met hem tweeduizend af.
41O ma meamen nidinid kin uk, en ian i mail eu, koe en ian mail riau.
42Geef aan wie u iets vraagt; en wend u niet af van hem, die bij u lenen wil.
42Kijakijai on me kin nidinid re om, o koe der jaupei jaw me poekipoeki re om!
43Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Uw naaste zult ge beminnen, en uw vijand zult ge haten.
43Komail ronadar, me a lokidor: Koe en pok on men imp om ap kailonki om imwintiti!
44Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden, en bidt voor wie u lasteren en vervolgen;
44A I indai on komail, pok on omail imwintiti kan. o kapakap kin irail me paki komail:
45opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader in de hemel, die zijn zon doet opgaan over slechten en goeden, en het regenen laat over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
45Pwe komail en japwilim en Jam omail, me kotikot nanlan. Pwe a kin kapwareda japwilim a katipin pon me jued o me mau kan, o kotin kamoredi katau pon me pun o me japun kan.
46Want zo gij bemint, die u liefhebben, welk loon zult gij dan ontvangen? Doen dat ook de tollenaars niet?
46Pwe ma komail pok on, me kin pok on komail, da me pan katin pa ’mail? Jaunopwei jota kin wia due met?
47En zo gij alleen uw broeders groet, wat bijzonders doet gij dan wel? Doen dat ook de heidenen niet?
47O ma komail ranamau ri omail akan, da me komail jikiki jan me tei kan? Men liki kan jota kin wia due met?
48Weest dus volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is.
48Komail ari en unjokela dueta Jam omail, me kotikot nanlan, a unjok.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.