Matteus 5
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Clementine Vulgate, 1598
1Toen Jesus de menigte zag, besteeg Hij de berg; en nadat Hij Zich had neergezet, naderden zijn leerlingen tot Hem.
1Videns autem Jesus turbas, ascendit in montem, et cum sedisset, accesserunt ad eum discipuli ejus,
2En Hij opende de mond, om hen te onderrichten, en sprak:
2et aperiens os suum docebat eos dicens:
3Zalig de armen van geest; want hun behoort het rijk der hemelen.
3Beati pauperes spiritu: quoniam ipsorum est regnum cælorum.
4Zalig de zachtmoedigen; want ze zullen het Land bezitten.
4Beati mites: quoniam ipsi possidebunt terram.
5Zalig, die wenen; want ze zullen worden getroost.
5Beati qui lugent: quoniam ipsi consolabuntur.
6Zalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want ze zullen worden verzadigd.
6Beati qui esuriunt et sitiunt justitiam: quoniam ipsi saturabuntur.
7Zalig de barmhartigen; want ze zullen barmhartigheid ondervinden.
7Beati misericordes: quoniam ipsi misericordiam consequentur.
8Zalig de zuiveren van hart; want ze zullen God zien.
8Beati mundo corde: quoniam ipsi Deum videbunt.
9Zalig de vreedzamen; want ze zullen kinderen Gods worden genoemd.
9Beati pacifici: quoniam filii Dei vocabuntur.
10Zalig, die vervolging lijden om de gerechtigheid; want hun behoort het rijk der hemelen.
10Beati qui persecutionem patiuntur propter justitiam: quoniam ipsorum est regnum cælorum.
11Zalig zijt gij, als men u om Mijnentwil beschimpt en vervolgt, en vals beschuldigt van allerlei kwaad.
11Beati estis cum maledixerint vobis, et persecuti vos fuerint, et dixerint omne malum adversum vos mentientes, propter me:
12Verheugt en verblijdt u, want groot is uw loon in de hemel; zo toch heeft men de profeten vervolgd, die vóór u zijn geweest.
12gaudete, et exsultate, quoniam merces vestra copiosa est in cælis. Sic enim persecuti sunt prophetas, qui fuerunt ante vos.
13Gij zijt het zout der aarde. Maar als het zout smakeloos wordt, waarmee zal men het zouten? Het is nergens meer goed voor, dan om weggegooid te worden, en door de mensen te worden vertrapt.
13Vos estis sal terræ. Quod si sal evanuerit, in quo salietur? ad nihilum valet ultra, nisi ut mittatur foras, et conculcetur ab hominibus.
14Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die boven op de berg is gelegen, kan niet verborgen blijven.
14Vos estis lux mundi. Non potest civitas abscondi supra montem posita,
15Ook steekt men geen licht aan, om het onder de korenmaat te zetten; maar op de kandelaar, om het te laten schijnen voor allen, die in huis zijn.
15neque accendunt lucernam, et ponunt eam sub modio, sed super candelabrum, ut luceat omnibus qui in domo sunt.
16Zo moet ook uw licht voor de mensen schijnen, opdat ze uw goede werken mogen zien, en uw Vader verheerlijken, die in de hemel is.
16Sic luceat lux vestra coram hominibus: ut videant opera vestra bona, et glorificent Patrem vestrum, qui in cælis est.
17Meent niet, dat Ik gekomen ben, om de Wet of de Profeten op te heffen. Ik ben niet komen opheffen, maar volmaken.
17Nolite putare quoniam veni solvere legem aut prophetas: non veni solvere, sed adimplere.
18Voorwaar, Ik zeg u: Eer hemel en aarde vergaan, zal er geen jota of stip van de Wet vergaan, totdat alles is volbracht.
18Amen quippe dico vobis, donec transeat cælum et terra, jota unum aut unus apex non præteribit a lege, donec omnia fiant.
19Wie dus een van die kleinste geboden opheft en dit aan de mensen leert, zal de minste worden genoemd in het rijk der hemelen; maar wie ze onderhoudt en ze leert, hij zal groot worden genoemd in het rijk der hemelen.
19Qui ergo solverit unum de mandatis istis minimis, et docuerit sic homines, minimus vocabitur in regno cælorum: qui autem fecerit et docuerit, hic magnus vocabitur in regno cælorum.
20Ik zeg u: Zo uw gerechtigheid niet groter is dan die van schriftgeleerden en farizeën, dan zult gij het rijk der hemelen niet binnengaan.
20Dico enim vobis, quia nisi abundaverit justitia vestra plus quam scribarum et pharisæorum, non intrabitis in regnum cælorum.
21Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doden; en wie doodslag begaat, zal schuldig zijn voor het gerecht.
21Audistis quia dictum est antiquis: Non occides: qui autem occiderit, reus erit judicio.
22Maar Ik zeg u: Wie vertoornd is op zijn broeder, zal schuldig zijn voor het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Raka, zal schuldig zijn voor de Hoge Raad. En wie zegt: Dwaas, zal strafbaar zijn met het helse vuur.
22Ego autem dico vobis: quia omnis qui irascitur fratri suo, reus erit judicio. Qui autem dixerit fratri suo, raca: reus erit concilio. Qui autem dixerit, fatue: reus erit gehennæ ignis.
23Als ge dus uw offergave brengt naar het altaar, en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft,
23Si ergo offers munus tuum ad altare, et ibi recordatus fueris quia frater tuus habet aliquid adversum te:
24laat dan uw offer voor het altaar, en ga u eerst met uw broeder verzoenen; kom dan terug, en draag uw offer op.
24relinque ibi munus tuum ante altare, et vade prius reconciliari fratri tuo: et tunc veniens offeres munus tuum.
25Versta u spoedig met uw tegenpartij, terwijl ge nog met hem onderweg zijt; anders zal uw tegenpartij u misschien overleveren aan den rechter, en de rechter u overleveren aan den gerechtsdienaar, en zult ge in de gevangenis worden geworpen.
25Esto consentiens adversario tuo cito dum es in via cum eo: ne forte tradat te adversarius judici, et judex tradat te ministro: et in carcerem mittaris.
26Voorwaar, Ik zeg u: Ge zult daar niet uitkomen, voordat ge de laatste penning hebt betaald.
26Amen dico tibi, non exies inde, donec reddas novissimum quadrantem.
27Gij hebt gehoord, dat er gezegd is:Gij zult geen overspel doen.
27Audistis quia dictum est antiquis: Non mœchaberis.
28Maar Ik zeg u: Wie met begeerte naar een vrouw ziet, heeft reeds overspel met haar gepleegd in zijn hart.
28Ego autem dico vobis: quia omnis qui viderit mulierem ad concupiscendum eam, jam mœchatus est eam in corde suo.
29Als uw rechteroog u ergert, ruk het dan uit en werp het van u weg; want beter is het voor u, dat één uwer ledematen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
29Quod si oculus tuus dexter scandalizat te, erue eum, et projice abs te: expedit enim tibi ut pereat unum membrorum tuorum, quam totum corpus tuum mittatur in gehennam.
30En zo uw rechterhand u ergert, houw ze af, en werp ze van u weg; want beter is het voor u, dat één uwer ledematen verloren gaat, dan dat heel uw lichaam in de hel wordt geworpen.
30Et si dextra manus tua scandalizat te, abscide eam, et projice abs te: expedit enim tibi ut pereat unum membrorum tuorum, quam totum corpus tuum eat in gehennam.
31Er is gezegd: Wie zijn vrouw verstoot, moet haar een scheidingsbrief geven.
31Dictum est autem: Quicumque dimiserit uxorem suam, det ei libellum repudii.
32Maar Ik zeg u: Wie zijn vrouw verstoot, behalve in geval van overspel, is oorzaak, dat ze overspel bedrijft; en wie een verstoten vrouw huwt, pleegt echtbreuk.
32Ego autem dico vobis: quia omnis qui dimiserit uxorem suam, excepta fornicationis causa, facit eam mœchari: et qui dimissam duxerit, adulterat.
33Gij hebt ook gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult geen meineed doen, maar den Heer uw eden houden.
33Iterum audistis quia dictum est antiquis: Non perjurabis: reddes autem Domino juramenta tua.
34Maar Ik zeg u, in het geheel niet te zweren: noch bij de hemel, want hij is Gods troon;
34Ego autem dico vobis, non jurare omnino, neque per cælum, quia thronus Dei est:
35noch bij de aarde, want ze is zijn voetbank; noch bij Jerusalem, want ze is de stad van den groten Koning.
35neque per terram, quia scabellum est pedum ejus: neque per Jerosolymam, quia civitas est magni regis:
36Ook bij uw hoofd zult ge niet zweren; want ge kunt nog niet eens één enkel haar wit of zwart maken.
36neque per caput tuum juraveris, quia non potes unum capillum album facere, aut nigrum.
37Maar uw woord zij: ja, ja; neen, neen; wat daar bijkomt, is uit den boze.
37Sit autem sermo vester, est, est: non, non: quod autem his abundantius est, a malo est.
38Gij hebt gehoord, dat gezegd is: Oog voor oog, tand voor tand.
38Audistis quia dictum est: Oculum pro oculo, et dentem pro dente.
39Maar Ik zeg u, geen weerstand te bieden aan het onrecht. Als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe.
39Ego autem dico vobis, non resistere malo: sed si quis te percusserit in dexteram maxillam tuam, præbe illi et alteram:
40Wil iemand u voor het gerecht dagen, en u het onderkleed nemen, laat hem ook de mantel.
40et ei, qui vult tecum judicio contendere, et tunicam tuam tollere, dimitte ei et pallium:
41Dwingt iemand u duizend schreden te gaan, leg er met hem tweeduizend af.
41et quicumque te angariaverit mille passus, vade cum illo et alia duo.
42Geef aan wie u iets vraagt; en wend u niet af van hem, die bij u lenen wil.
42Qui petit a te, da ei: et volenti mutuari a te, ne avertaris.
43Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Uw naaste zult ge beminnen, en uw vijand zult ge haten.
43Audistis quia dictum est: Diliges proximum tuum, et odio habebis inimicum tuum.
44Maar Ik zeg u: Bemint uw vijanden, en bidt voor wie u lasteren en vervolgen;
44Ego autem dico vobis: diligite inimicos vestros, benefacite his qui oderunt vos, et orate pro persequentibus et calumniantibus vos:
45opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader in de hemel, die zijn zon doet opgaan over slechten en goeden, en het regenen laat over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
45ut sitis filii Patris vestri, qui in cælis est: qui solem suum oriri facit super bonos et malos: et pluit super justos et injustos.
46Want zo gij bemint, die u liefhebben, welk loon zult gij dan ontvangen? Doen dat ook de tollenaars niet?
46Si enim diligitis eos qui vos diligunt, quam mercedem habebitis? nonne et publicani hoc faciunt?
47En zo gij alleen uw broeders groet, wat bijzonders doet gij dan wel? Doen dat ook de heidenen niet?
47Et si salutaveritis fratres vestros tantum, quid amplius facitis? nonne et ethnici hoc faciunt?
48Weest dus volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is.
48Estote ergo vos perfecti, sicut et Pater vester cælestis perfectus est.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.