Matteus
Chapter 13
Petrus Canisius Bible, 1…

Read in

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)
vs Kadede Kap (Pohnpe…

Compare with

Smith–Van Dyck Arabic Bible (فان دايك)Brezhoneg (Breton Gospels, 1827)Judson Burmese Bible (1840)Chamorro: Gospels, Acts and PsalmsChinese Union Version, punctuated (Simplified)Chinese Union Version, punctuated (Traditional)Coptic New TestamentCoptic New Testament (Bohairic)Kralice Bible (1613)Testamenta Marra (Dieri New Testament)Asang Khongca Bible (Eastern Khumi Chin, 2019)Berean Standard BibleDouay-Rheims Bible, American Edition (1899)King James Version with ApocryphaWorld English BibleLondona Biblio (Esperanto, 1910)Louis Segond 1910Lutherbibel 1912Greek New Testament, word by word (STEPBible TAGNT)Greek New Testament: 1904 Patriarchal Text (Byzantine)Greek New Testament: Byzantine Text (Robinson–Pierpont 2018)Greek New Testament: Textus ReceptusSBL Greek New TestamentBaibala Hemolele (Hawaiian Bible, 1868 revision)Modern Hebrew BibleDiodati Bibbia 1885Freedom Bible (フリーダム・バイブル)Korean Bible, 1910 (한국어 성경)Bible Mutal (Kosraean)Clementine Vulgate, 1598Baibal Olcim (Matupi Chin)Meriam Mir GospelsOld Persian Version (ترجمه قدیم)Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)Cornilescu Bible (1924), Cyrillic scriptSynodal Translation (Синодальный перевод)Daničić–Karadžić Bible (1868), CyrillicReina-Valera 1909Biblia Takatifu (Swahili): New Testament portionsFreedom Bible (Thai)Tongan Bible, Revised West VersionKulish and Puluj Bible (1905)Vietnamese Bible (1923 translation)Stop comparing
Aa
Text size
Line width
Verse numbers
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Kadede Kap (Pohnpeian New Testament and Psalms)
1Die dag verliet Jesus het huis, en zette Zich neer aan het meer.
1NI ran ota Iejuj kotila jan nan im o, ap kaipokedi ponoror.
2En een talrijke menigte verzamelde zich om Hem heen, zodat Hij in een boot ging zitten, terwijl heel de menigte op de oever bleef staan.
2A pokon kalaimun pokon don i, i ari kotidan pon jop pot, kaipokedi, a pokon o udar pon oror o.
3En Hij sprak hun in gelijkenissen over vele dingen. Hij zeide: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
3I ari karajerajeki on me toto majani: Kilan, jaunkamor o kolan kamorok.
4En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; en de vogels uit de lucht kwamen, en pikten het op.
4Ni a kamokamorok, akai ap moredier on pon kailan al, manpir ap pirido nam ir ala.
5Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had. Aanstonds kwam het op, omdat het geen diepe aarde had;
5A akai moredier waja takain, waja pwel pedeped; ir ari pitipit wojadar pweki jota pwel lole.
6maar toen de zon was opgegaan, werd het verschroeid en verdorde, daar het geen wortel geschoten had.
6A katipin lao dakaradar, re motoredier o monelar, pweki jota kalau ar.
7Een ander gedeelte viel tussen de doornen; de doornen schoten op, en verstikten het.
7A akai moredier nan tuka teketek; a tuka teketek wojadar kajoka ir ala.
8Een ander gedeelte viel op de goede aarde; en het droeg vrucht: honderd- zestig- dertigvoud.
8A akai moredier nan pwel mau o wadar: Akai pan me epuki, akai me woneijok, akai me jileijok.
9Wie oren heeft om te horen, hij hore.
9Me jalon a mia, men ron, i en ron!
10Nu kwamen de leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
10Tounpadak kan ap pwarado potoan on i: Da me re kotin kaukawewe on irail ni karajeraj akan?
11Hij antwoordde hun: U is het gegeven, de geheimen van het rijk der hemelen te kennen; hun echter niet.
11A kotin japen majani on irail: A muei on komail er, en aja, me rir en wein nanlan, a ap jota muei on mepukat.
12Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook ontnomen worden, wat hij bezit.
12Pwe me a. mia, ekij pan ko on, pwen aneki me land; a me jota a mia, nan a pan katia jan, me mi re a.
13Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen; omdat ze ziende zijn en toch niet zien, horende en toch niet horen noch verstaan.
13I me I padaki on irail ni karajeraj. Pwe re kilan waja, ap jota kin kilan, o ron waja, ap jota kin ron, pwe re jota kin dedeki.
14In hen wordt de voorzegging van Isaias vervuld: Met de oren zult gij horen, en niet verstaan, En scherp zult gij zien, en niet inzien.
14Nan irail kapun pan kokop en Iejaia, me majanier: Komail pan ronki jalon omail, ap jota dedeki, o kilanki maj omail, ap jota weweki.
15Want verstokt is het hart van dit volk, Hun oren zijn hardhorig, En hun ogen gesloten; Opdat ze niet zouden zien met de ogen, En horen met de oren, En verstaan met het hart; Opdat zij zich niet zouden bekeren, En Ik hen zou genezen.
15Pwe monion en aramaj pukat kapitakailar, o jalon arail ponlar, o re kamair pena maj arail. Pwe kadekadeo re de kilanki maj arail, o ronki jalon arail, o lolokonki monion arail, o wukila, a I de kakel irail ada.
16Maar gelukkig zijn uw ogen, omdat ze zien; en uw oren, omdat ze horen.
16A maj omail meid pai, pwe re kilan waja, o jalon omail, pwe re ron waja.
17Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
17Pwe melel I indai on komail, jaukop o me pun akan me toto, me anane en kilan, me komail kin kilekilan, ap jota kilaner, o en ron, me komail kin roneron, a re jota ronadar.
18Hoort gij dus, wat de gelijkenis van den zaaier betekent:
18Komail ari ron karajepa wet duen jaunkamorok:
19Als iemand het woord over het koninkrijk hoort en het niet wil verstaan, dan komt de boze en rooft weg, wat in zijn hart is gezaaid; dat is wat langs de weg is gezaaid.
19Meamen ron majan duen wei o ap jota dedeki, me jued ap pwarado, katia jan, me kamoremoredier nan monion i, a iei i, me ale war akan pon kailan al o.
20En wat op de steengrond gezaaid werd is hij, die het woord verneemt en het terstond met vreugde aanvaardt;
20A me kamoremoredier waja takain, iei i, me kin ronada majan o, ap pitipit peren kida ale;
21hij heeft echter geen wortel geschoten, maar is onstandvastig; en als er verdrukking of vervolging ontstaat om wille van het woord, is hij aanstonds geërgerd.
21A jota kalau a re a, pwe a lol majaran, pwe anjau apwal o kamekam lao pwaida pweki majan o, a ap madan makar kida.
22Wat in de doornen gezaaid werd, is hij, die wel luistert naar het woord; maar de beslommering van de wereld en het bedriegelijke van de rijkdom verstikken het woord. en het blijft zonder vrucht.
22A me kamoremoredi on nan tuka teketek, iei i, me kin ronada majan o, a anan en pai en jappa o widin en dipijou kan kin kajokela majan o, ap jo wa.
23Maar wat op de goede aarde gezaaid werd, is hij, die het woord verneemt en begrijpt, en die ook vruchten draagt; bij den een geeft het een honderd-, bij een ander een zestig-, bij een derde een dertigvoud.
23A me kamoremoredi nan pwel mau, iei i, me kin ronada majan o, ap dedeki o wada; akai kin pan me epuki, a akai me woneijok, a akai jileijok.
24Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en Hij sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een man, die goed zaad op zijn akker zaaide.
24A kotiki on irail er pil apot karajeraj majani: Wein nanlan rajon aramaj amen, me kamoredi war mau nan japwe.
25Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid onder de tarwe, en ging heen.
25A aramaj lao mairelar, a imwintiti ap pwarado kamoredier dip nan pun en korn ap koieila.
26Toen nu het graan was opgeschoten en vrucht had gezet, vertoonde zich ook het onkruid.
26A tuka lao wojadar o wadar, dip ap pil pwaradar.
27Nu kwamen de dienaars van den heer des huizes, en zeiden: Heer, hebt ge geen goed zaad op uw akker gezaaid; waar komt dan het onkruid vandaan?
27Ladu en kaun pan im o kan ap pwara don i potoan on i: Main, kaidin war mau, me kom kotin kamoredier nan jap omui? A iaduen dip, a ko jan ia?
28Hij zei hun: Een vijandig mens heeft dit gedaan. De dienaars zeiden tot hem: Wilt ge dus, dat we het gaan uitwieden?
28A majani on irail: Aramaj mor jued amen me wiadar. Ladu kan ap potoan on i: Kom kotin mauki, jen kola matiada jan?
29Maar hij antwoordde: Neen; want bij het uitwieden van het onkruid, zoudt gij ook de tarwe kunnen uittrekken.
29A majani: Iermen, pwe komail der matia jan dip ianaki korn.
30Laat beide opgroeien tot de oogst; in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bussels, om het te verbranden, maar brengt de tarwe in mijn schuur. —
30A karoj pan mimieta lao anjaun rak; ni anjaun rak i pan indan men dolun kan: Ki pena maj dip akan, pira pena ni kap akan, pwe aramaj en karonala, a korn ki pena nan ai im en nak.
31Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide.
31A kotiki on irail pil apot karajeraj majani: Wein nanlan rajon wan tuka eu, me aramaj amen ale, padukedi on nan japwe,
32Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het is opgewassen is het groter dan het tuingewas, en wordt het een boom, zodat de vogels in de lucht in zijn takken komen nestelen. —
32Me tikitik jan war karoj, a a lao wojada, a kalaimun jan dip akan, o wiala tuka laud apot, manpir en pan lan akan ap pokon pena o mimi nan ra a kan.
33Nog een andere gelijkenis sprak Hij tot hen: Het rijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw onder drie maten meel mengde, totdat het meel geheel was gegist.
33A pil apot karajeraj me a kotin majani on irail: Wein nanlan raj on kalep kij, me li amen ale okila nan kajak en plaua jilu, Karoj lao mutala.
34Dit alles zeide Jesus tot de menigte in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij hun niet toe;
34Mepukat karoj Iejuj kotin padapadanki ni karajeraj on pokon o, o jota, me a kotin padaki on irail, ma jota ni karajeraj.
35opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorzegd: “Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, en openbaren, wat verborgen was van de grondvesting der wereld af.”
35Pwen pwaida me lokido ren jaukop o, me majani: I pan ki pajan au ai, pwen karajeraj o pan kasanjaleda me rir akan jan ni tapin kaua.
36Toen Hij de menigte had laten gaan, keerde Hij naar huis terug. Nu kwamen zijn leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.
36A ap kotin kadar pajan pokon o, kotilon on nan tanpaj o. Japwilim a tounpadak kan ap kai don i potoan on: Re kotin kawewe on kit karajepan dip nan mutual o.
37Hij antwoordde hun: Die het goede zaad uitzaait, is de Mensenzoon;
37A kotin japen majani: Me kamoredi war mau, iei Nain aramaj.
38de akker is de wereld; het goede zaad zijn de kinderen van het rijk; het onkruid zijn de kinderen van den boze;
38Matuel iei jappa. War mau iei toun wei. Dip iei nain mejued.
39de vijand, die het zaaide, is de duivel; de oogst is het einde der wereld; de maaiers zijn de engelen.
39Imwintiti, me kin kamor ir edi, iei tewil. Rak me kaimwijoke pan jappa. Jaundolun pene iei tounlan kan.
40Zoals dus het onkruid verzameld en in het vuur wordt verbrand, zo zal het ook geschieden aan het einde der wereld.
40A duen dip akan a kin uja jan ron kila kijiniai, iduen a pan wiaui ni imwin kaua.
41De Mensenzoon zal zijn engelen zenden. Ze zullen uit zijn rijk alle ergernisgevers verzamelen, en hen die ongerechtigheid plegen,
41Nain aramaj pan kadarala na tounlan kan, o re pan kijan nan wei men kamakar karoj, o me kin wiawia me jued.
42en ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
42O re pan kajapok ir alan Ien kijiniai iei wajan mamaiei o teterok.
43Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in het rijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, hij hore.
43Me pun kan ap pan linalin dueta katipin nan wein Jam arail. Me jalon a mia, men ron, i en ron!
44Het rijk der hemelen is gelijk aan een schat, die in de akker begraven is. De man, die hem vindt, verbergt hem; en vol vreugde daarover gaat hij alles verkopen, wat hij bezit, en koopt die akker.
44Wein nanlan rajon pai eu, me rir nan matuel, me aramaj amen diaradar ap okila, o peren kida, koieila, netikilar karoj, me a naineki, ap netiadar matuel o.
45Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone paarlen zocht.
45Wein nanlan pil rajon jaunet amen, me raparapaki takai kajampwal kai.
46Toen hij een kostbare parel had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat, en kocht haar.
46A lao diaradar eu, me kajampwalia, ap koieila netikilar a dipijou karoj, netiada i.
47Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een net, dat in de zee wordt uitgeworpen, en waarmee allerlei soort van vis wordt gevangen.
47Wein nanlan pil rajon uk apot, me kin kadudi nan jed, pwen oro pena jon karoj.
48Toen het vol was, trok men het op het strand, zette zich neer, en zocht de goede vissen uit om ze in vaten te doen, maar de slechte gooide men weg.
48A lao direla, re kin apiadado pon oror, ap mondi pena, deuk on me mau akan nan dal akan, a me jued akan re kin kajela.
49Zo zal het ook gaan aan het einde der wereld. De engelen zullen uitgaan, en de bozen van de rechtvaardigen scheiden.
49Nan iduen a pan wiaui ni imwin kaua: Tounlan kan pan koieila, katoror jan me jued akan me pun kan.
50En zij zullen ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
50O kajapok ir alan len kijiniai, iei wajan maiei o teterok.
51Hebt gij dit alles begrepen? Ze zeiden Hem: Ja. En Hij zei hun:
51Iejuj kotin majani on irail: Komail weweki mepukat karoj? Re potoan on: Ei Main.
52Zo is iedere schriftgeleerde, die onderwezen is in het rijk der hemelen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn brengt.
52A ap kotin majani on irail: I me jaunkawewe karoj, me jukujukuleki wein nanlan me rajon kaun pan im eu, me kin kapwareda jan a pai me kap o me marin.
53Toen Jesus met deze gelijkenissen ten einde was, ging Hij heen.
53Kadekadeo Iejuj lao kaimwijokela karajeraj pukat, ap kotin koieila jan waja o.
54Nadat Hij in zijn vaderstad was gekomen, onderrichtte Hij hen in hun synagoge. zodat ze verbaasd waren en zeiden: Waar heeft Hij die wijsheid en wonderkracht vandaan?
54A koti don udan japwe kawewe on irail nan ar jinakoke. Irail ari puriamui kila indada: Lolekon en ol men et o a manaman akan ko jan ia?
55Is Hij niet de zoon van den timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers niet Jakobus, Josef, Simon en Judas?
55Kaidin i nain kapenta? In a jota adaneki Maria? O ri a ol akan Iakop, o Iojep, o Jimon, o Iudaj?
56En leven zijn zusters niet allen onder ons? Waar heeft Hij dan dit alles vandaan?
56O ri a li akan, kaidin irail karoj mi re atail? Ari, ia waja mepukat ko jan.
57En ze ergerden zich aan Hem. Maar Jesus zeide hun: Een profeet wordt enkel in zijn geboortestad en in zijn eigen familie miskend.
57O irail makar kin i. A Iejuj kotin majani on irail: Jota waja me jaukop jo waui ia, nan japwe ota o ren jau i ko.
58En om hun ongeloof deed Hij er maar weinig wonderen.
58I ari jota wiadar manaman toto waja o pweki ar jopojon.

Tip: use the ← and → keys to turn chapters.