Matteus 13
Petrus Canisius Bible, 1939 (De Heilige Schrift)
Bíblia Portuguesa Mundial (Brazilian Portuguese)
1Die dag verliet Jesus het huis, en zette Zich neer aan het meer.
1Naquele dia, Jesus saiu de casa e sentou-se à beira-mar.
2En een talrijke menigte verzamelde zich om Hem heen, zodat Hij in een boot ging zitten, terwijl heel de menigte op de oever bleef staan.
2Grandes multidões se reuniram ao seu redor, de modo que ele entrou num barco e sentou-se; e toda a multidão ficou em pé na praia.
3En Hij sprak hun in gelijkenissen over vele dingen. Hij zeide: Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.
3Ele lhes falou muitas coisas por parábolas, dizendo: “Eis que o semeador saiu a semear.
4En onder het zaaien viel een gedeelte langs de weg; en de vogels uit de lucht kwamen, en pikten het op.
4Enquanto semeava, algumas sementes caíram à beira do caminho, e os pássaros vieram e as devoraram.
5Een ander gedeelte viel op de steengrond, waar het niet veel aarde had. Aanstonds kwam het op, omdat het geen diepe aarde had;
5Outras caíram em solo rochoso, onde não havia muita terra, e logo brotaram, porque a terra não era profunda.
6maar toen de zon was opgegaan, werd het verschroeid en verdorde, daar het geen wortel geschoten had.
6Mas, quando o sol nasceu, foram queimadas. E, porque não tinham raiz, secaram.
7Een ander gedeelte viel tussen de doornen; de doornen schoten op, en verstikten het.
7Outras caíram entre os espinhos. Os espinhos cresceram e as sufocaram.
8Een ander gedeelte viel op de goede aarde; en het droeg vrucht: honderd- zestig- dertigvoud.
8Outras caíram em boa terra e deram fruto: algumas cem, outras sessenta e outras trinta vezes mais.
9Wie oren heeft om te horen, hij hore.
9Aquele que tem ouvidos para ouvir, ouça.”
10Nu kwamen de leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen?
10Os discípulos se aproximaram e lhe disseram: “Por que você fala a eles por parábolas?”
11Hij antwoordde hun: U is het gegeven, de geheimen van het rijk der hemelen te kennen; hun echter niet.
11Ele lhes respondeu: “A vocês é dado conhecer os mistérios do Reino dos Céus, mas a eles não é dado.
12Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloed hebben; maar wie niet heeft, hem zal ook ontnomen worden, wat hij bezit.
12Pois a quem tem, será dado, e terá em abundância; mas a quem não tem, até o que tem lhe será tirado.
13Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen; omdat ze ziende zijn en toch niet zien, horende en toch niet horen noch verstaan.
13Por isso eu lhes falo por parábolas, porque vendo, não veem, e ouvindo, não ouvem, nem entendem.
14In hen wordt de voorzegging van Isaias vervuld: Met de oren zult gij horen, en niet verstaan, En scherp zult gij zien, en niet inzien.
14Neles se cumpre a profecia de Isaías, que diz: ‘Ouvindo, vocês ouvirão, e de modo algum entenderão; Vendo, vocês verão, e de modo algum perceberão;
15Want verstokt is het hart van dit volk, Hun oren zijn hardhorig, En hun ogen gesloten; Opdat ze niet zouden zien met de ogen, En horen met de oren, En verstaan met het hart; Opdat zij zich niet zouden bekeren, En Ik hen zou genezen.
15pois o coração deste povo se tornou insensível, seus ouvidos são pesados para ouvir, e eles fecharam os seus olhos; para que não vejam com os olhos, ouçam com os ouvidos, entendam com o coração, e se convertam, e eu os cure.’
16Maar gelukkig zijn uw ogen, omdat ze zien; en uw oren, omdat ze horen.
16“Mas bem-aventurados são os olhos de vocês, porque veem; e os ouvidos de vocês, porque ouvem.
17Voorwaar, Ik zeg u: Vele profeten en rechtvaardigen wensten te zien wat gij ziet, en ze zagen het niet; te horen wat gij hoort, en ze hoorden het niet.
17Pois em verdade lhes digo que muitos profetas e justos desejaram ver as coisas que vocês veem, e não as viram; e ouvir as coisas que vocês ouvem, e não as ouviram.
18Hoort gij dus, wat de gelijkenis van den zaaier betekent:
18“Ouçam, então, a parábola do semeador.
19Als iemand het woord over het koninkrijk hoort en het niet wil verstaan, dan komt de boze en rooft weg, wat in zijn hart is gezaaid; dat is wat langs de weg is gezaaid.
19Quando alguém ouve a palavra do Reino e não a entende, o maligno vem e arrebata o que foi semeado em seu coração. Este é o que foi semeado à beira do caminho.
20En wat op de steengrond gezaaid werd is hij, die het woord verneemt en het terstond met vreugde aanvaardt;
20O que foi semeado em lugares rochosos, este é o que ouve a palavra e imediatamente a recebe com alegria;
21hij heeft echter geen wortel geschoten, maar is onstandvastig; en als er verdrukking of vervolging ontstaat om wille van het woord, is hij aanstonds geërgerd.
21contudo, ele não tem raiz em si mesmo, mas dura pouco tempo. Quando surge tribulação ou perseguição por causa da palavra, logo ele tropeça.
22Wat in de doornen gezaaid werd, is hij, die wel luistert naar het woord; maar de beslommering van de wereld en het bedriegelijke van de rijkdom verstikken het woord. en het blijft zonder vrucht.
22O que foi semeado entre os espinhos, este é o que ouve a palavra, mas as preocupações desta era e o engano das riquezas sufocam a palavra, e ele se torna infrutífero.
23Maar wat op de goede aarde gezaaid werd, is hij, die het woord verneemt en begrijpt, en die ook vruchten draagt; bij den een geeft het een honderd-, bij een ander een zestig-, bij een derde een dertigvoud.
23O que foi semeado na boa terra, este é o que ouve a palavra e a entende, e certamente dá fruto e produz: uns a cem, outros a sessenta e outros a trinta por um.”
24Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en Hij sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een man, die goed zaad op zijn akker zaaide.
24Ele lhes propôs outra parábola, dizendo: “O Reino dos Céus é semelhante a um homem que semeou boa semente em seu campo,
25Maar terwijl de mensen sliepen, kwam zijn vijand, zaaide onkruid onder de tarwe, en ging heen.
25mas, enquanto os homens dormiam, seu inimigo veio e semeou joio no meio do trigo, e foi embora.
26Toen nu het graan was opgeschoten en vrucht had gezet, vertoonde zich ook het onkruid.
26Mas, quando a planta brotou e produziu grãos, então o joio também apareceu.
27Nu kwamen de dienaars van den heer des huizes, en zeiden: Heer, hebt ge geen goed zaad op uw akker gezaaid; waar komt dan het onkruid vandaan?
27Os servos do dono da casa se aproximaram e lhe disseram: ‘Senhor, o senhor não semeou boa semente em seu campo? De onde, então, veio este joio?’
28Hij zei hun: Een vijandig mens heeft dit gedaan. De dienaars zeiden tot hem: Wilt ge dus, dat we het gaan uitwieden?
28“Ele lhes disse: ‘Um inimigo fez isso.’ “Os servos lhe perguntaram: ‘O senhor quer que vamos e o arranquemos?’
29Maar hij antwoordde: Neen; want bij het uitwieden van het onkruid, zoudt gij ook de tarwe kunnen uittrekken.
29“Mas ele disse: ‘Não, para que não aconteça que, ao arrancar o joio, vocês arranquem também o trigo com ele.
30Laat beide opgroeien tot de oogst; in de oogsttijd zal ik tot de maaiers zeggen: Verzamelt eerst het onkruid en bindt het in bussels, om het te verbranden, maar brengt de tarwe in mijn schuur. —
30Deixem ambos crescerem juntos até a colheita, e no tempo da colheita direi aos ceifeiros: “Primeiro, ajuntem o joio e amarrem-no em feixes para queimá-lo; mas recolham o trigo no meu celeiro.”’”
31Een andere gelijkenis stelde Hij hun voor, en sprak: Het rijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaadje, dat iemand op zijn akker zaaide.
31Ele lhes propôs outra parábola, dizendo: “O Reino dos Céus é semelhante a um grão de mostarda que um homem pegou e semeou em seu campo,
32Het is wel het kleinste van alle zaden, maar als het is opgewassen is het groter dan het tuingewas, en wordt het een boom, zodat de vogels in de lucht in zijn takken komen nestelen. —
32que, de fato, é a menor de todas as sementes. Mas, quando cresce, torna-se maior do que as plantas da horta e vira uma árvore, de modo que as aves do céu vêm e se aninham em seus ramos.”
33Nog een andere gelijkenis sprak Hij tot hen: Het rijk der hemelen is gelijk aan zuurdeeg, dat een vrouw onder drie maten meel mengde, totdat het meel geheel was gegist.
33Ele lhes contou outra parábola: “O Reino dos Céus é semelhante ao fermento que uma mulher pegou e escondeu em três medidas de farinha, até que tudo ficasse levedado.”
34Dit alles zeide Jesus tot de menigte in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij hun niet toe;
34Jesus falou todas essas coisas às multidões por parábolas; e não lhes falava sem usar parábolas,
35opdat vervuld zou worden, wat door den profeet was voorzegd: “Ik zal mijn mond openen in gelijkenissen, en openbaren, wat verborgen was van de grondvesting der wereld af.”
35para que se cumprisse o que foi dito pelo profeta, que diz: “Abrirei a minha boca em parábolas; Proclamarei coisas ocultas desde a fundação do mundo.”
36Toen Hij de menigte had laten gaan, keerde Hij naar huis terug. Nu kwamen zijn leerlingen naar Hem toe, en zeiden: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid op de akker.
36Então Jesus despediu as multidões e entrou em casa. Seus discípulos se aproximaram dele, dizendo: “Explique-nos a parábola do joio do campo.”
37Hij antwoordde hun: Die het goede zaad uitzaait, is de Mensenzoon;
37Ele lhes respondeu: “Aquele que semeia a boa semente é o Filho do Homem,
38de akker is de wereld; het goede zaad zijn de kinderen van het rijk; het onkruid zijn de kinderen van den boze;
38o campo é o mundo, as boas sementes são os filhos do Reino, e o joio são os filhos do maligno.
39de vijand, die het zaaide, is de duivel; de oogst is het einde der wereld; de maaiers zijn de engelen.
39O inimigo que o semeou é o diabo. A colheita é o fim dos tempos, e os ceifeiros são os anjos.
40Zoals dus het onkruid verzameld en in het vuur wordt verbrand, zo zal het ook geschieden aan het einde der wereld.
40Assim como o joio é colhido e queimado no fogo, assim será no fim desta era.
41De Mensenzoon zal zijn engelen zenden. Ze zullen uit zijn rijk alle ergernisgevers verzamelen, en hen die ongerechtigheid plegen,
41O Filho do Homem enviará os seus anjos, e eles ajuntarão do seu Reino tudo o que causa tropeço e os que praticam a iniquidade,
42en ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
42e os lançarão na fornalha de fogo. Ali haverá choro e ranger de dentes.
43Dan zullen de rechtvaardigen blinken als de zon in het rijk van hun Vader. Wie oren heeft om te horen, hij hore.
43Então os justos brilharão como o sol no Reino de seu Pai. Aquele que tem ouvidos para ouvir, ouça.
44Het rijk der hemelen is gelijk aan een schat, die in de akker begraven is. De man, die hem vindt, verbergt hem; en vol vreugde daarover gaat hij alles verkopen, wat hij bezit, en koopt die akker.
44“Novamente, o Reino dos Céus é semelhante a um tesouro escondido no campo, que um homem achou e escondeu. Em sua alegria, ele vai, vende tudo o que tem e compra aquele campo.
45Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een koopman, die schone paarlen zocht.
45“Novamente, o Reino dos Céus é semelhante a um comerciante que busca pérolas finas,
46Toen hij een kostbare parel had gevonden, ging hij alles verkopen wat hij bezat, en kocht haar.
46que, tendo encontrado uma pérola de grande valor, foi, vendeu tudo o que tinha e a comprou.
47Nog is het rijk der hemelen gelijk aan een net, dat in de zee wordt uitgeworpen, en waarmee allerlei soort van vis wordt gevangen.
47“Novamente, o Reino dos Céus é semelhante a uma rede que foi lançada ao mar e apanhou peixes de toda espécie,
48Toen het vol was, trok men het op het strand, zette zich neer, en zocht de goede vissen uit om ze in vaten te doen, maar de slechte gooide men weg.
48a qual, quando ficou cheia, os pescadores puxaram para a praia. Eles se sentaram e juntaram os bons em cestos, mas os ruins jogaram fora.
49Zo zal het ook gaan aan het einde der wereld. De engelen zullen uitgaan, en de bozen van de rechtvaardigen scheiden.
49Assim será no fim do mundo. Os anjos virão e separarão os ímpios dentre os justos,
50En zij zullen ze in de vuuroven werpen; daar zal geween zijn en gekners der tanden.
50e os lançarão na fornalha de fogo. Ali haverá choro e ranger de dentes.”
51Hebt gij dit alles begrepen? Ze zeiden Hem: Ja. En Hij zei hun:
51Jesus lhes perguntou: “Vocês entenderam todas essas coisas?” Eles lhe responderam: “Sim, Senhor.”
52Zo is iedere schriftgeleerde, die onderwezen is in het rijk der hemelen, gelijk aan een huisvader, die uit zijn schat nieuw en oud te voorschijn brengt.
52Ele lhes disse: “Por isso, todo escriba que se tornou discípulo no Reino dos Céus é semelhante a um dono de casa que tira do seu tesouro coisas novas e velhas.”
53Toen Jesus met deze gelijkenissen ten einde was, ging Hij heen.
53Quando Jesus terminou essas parábolas, partiu dali.
54Nadat Hij in zijn vaderstad was gekomen, onderrichtte Hij hen in hun synagoge. zodat ze verbaasd waren en zeiden: Waar heeft Hij die wijsheid en wonderkracht vandaan?
54Chegando à sua própria terra, ele os ensinava na sinagoga deles, de modo que ficavam maravilhados e diziam: “De onde este homem obteve esta sabedoria e estas obras poderosas?
55Is Hij niet de zoon van den timmerman? Heet zijn moeder niet Maria, en zijn broers niet Jakobus, Josef, Simon en Judas?
55Não é este o filho do carpinteiro? O nome de sua mãe não é Maria, e os seus irmãos não são Tiago, José, Simão e Judas?
56En leven zijn zusters niet allen onder ons? Waar heeft Hij dan dit alles vandaan?
56Todas as suas irmãs não estão conosco? De onde, então, este homem obteve todas essas coisas?”
57En ze ergerden zich aan Hem. Maar Jesus zeide hun: Een profeet wordt enkel in zijn geboortestad en in zijn eigen familie miskend.
57E eles se escandalizavam por causa dele. Mas Jesus lhes disse: “Um profeta não fica sem honra, a não ser em sua própria terra e em sua própria casa.”
58En om hun ongeloof deed Hij er maar weinig wonderen.
58E ele não fez muitas obras poderosas ali por causa da incredulidade deles.
Tip: use the ← and → keys to turn chapters.